Na veertig jaar vriendschap voelde elke dinsdag ineens als een dienstrooster

De dinsdagmiddag is voor mij altijd van mij geweest. Niet op een verheven manier hoor. Gewoon: koffie bij de volkstuin, een beetje rommelen in de kas, soms een broodje met Ria en daarna langs de bibliotheek. Sinds ik met pensioen ben, drie jaar nu, is die middag mijn vaste prik. Mijn man Kees golft op dinsdag. We hoeven elkaar dan niet bezig te houden en dat is, vind ik, ook een luxe na 41 jaar samen.

Maar sinds afgelopen winter staat dinsdag in mijn agenda als: “naar Henk en Marijke”. Eerst schreef ik het nog met een hartje erachter. Nu niet meer.

Henk en Kees kennen elkaar van de technische school. Wij vieren met z’n vieren al jaren verjaardagen, kerst soms, ze gingen mee op onze campingvakanties in Frankrijk toen de kinderen klein waren. We hebben elkaars verhuizingen gedaan, oppasdagen overgenomen, scheidingen van broers en zussen aangehoord. Marijke en ik konden elkaar ook verschrikkelijk op de zenuwen werken, maar dat hoorde er bijna bij. Zij regelde alles, ik was juist degene die zei: ach, dat zien we wel.

Toen Henk de diagnose Parkinson kreeg, was dat verschrikkelijk. Eerst ging hij nog gewoon fietsen en autorijden. Daarna kwam er een rollator, toen een scootmobiel voor buiten. De laatste anderhalf jaar gaat het snel. Hij valt vaker, zijn medicijnen moeten op vaste tijden en hij is soms zo moe dat hij midden in een zin wegzakt.

Natuurlijk gingen we helpen. Daar hoefden we niet over na te denken. Kees reed Henk naar de neuroloog als Marijke niet kon. Ik kookte geregeld een pan extra. We haalden boodschappen als het glad was. Dat voelde niet als een last. Dat voelde als: dit zijn onze mensen.

Alleen veranderde het ongemerkt. Marijke belde steeds vaker op maandagavond.

“Zou jij morgen misschien even de badkamer willen doen? Ik kom er gewoon niet aan toe.”

Of: “Neem je de wasmand meteen mee naar beneden? Henk kan niet meer goed bukken en mijn schouder speelt op.”

De eerste keren zei ik meteen ja. Ik schaam me bijna dat ik daar nu anders naar kijk. Marijke doet ook ontzettend veel. Ze slaapt slecht omdat Henk ’s nachts soms hulp nodig heeft. Ze heeft nauwelijks nog iets voor zichzelf. Dat zie ik heus wel.

Maar op den duur was ik niet meer op bezoek. Ik was aan het werk. Ik verschoonde het bed, vouwde handdoeken op, maakte het toilet schoon omdat Marijke zei dat de thuiszorg daar geen tijd voor had. Ik nam een lijstje mee naar de Albert Heijn en kreeg dan achteraf te horen dat ik de verkeerde yoghurt had genomen. Henk moest volgens Marijke echt die lactosevrije van een bepaald merk hebben, niet de huismerkversie.

“Geeft niet,” zei ze dan, terwijl ze zuchtte. “Ik haal morgen zelf wel even de goede.”

En ik stond daar met mijn jas nog aan, alsof ik een kind was dat de boodschappen verkeerd had gedaan.

Kees zag het anders. Of misschien wilde hij het anders zien. Hij zei: “Marijke is overbelast, Anja. Je moet het niet zo persoonlijk nemen.”

Dat zei hij meestal terwijl hij zelf met Henk in de woonkamer voetbal zat te kijken. Wat ik Henk overigens gunde. Echt. Henk fleurde zichtbaar op als Kees er was. Dan hadden ze het over Ajax, over vroegere collega’s, over wie er allemaal dood of ziek was geworden. Soms hoorde ik ze lachen en dan was ik daar oprecht blij om.

Alleen stond ik intussen in hun keuken met aangekoekte pannen.

In april had ik een workshop glas-in-lood geboekt in Utrecht. Iets wat ik al jaren wilde doen. Ria ging mee. Ik had er zin in op een manier die bijna kinderachtig voelde. Een hele zaterdag weg, treinreis, ergens lunchen zonder op de klok te kijken.

De vrijdag ervoor belde Marijke. Henk had een slechte week gehad en zij wilde zaterdag graag de schuur uitzoeken, omdat er hulpmiddelen zouden komen. Of wij van tien tot vier bij hem konden zijn.

Ik zei dat ik niet kon, omdat ik weg zou zijn.

Het bleef even stil. Toen zei ze: “O. Ja, natuurlijk. Je hebt je cursus.”

Dat ‘cursus’ zei ze alsof ik had verteld dat ik naar een wijnproeverij ging terwijl hun huis in brand stond.

Later belde Henk zelf. Dat deed hij eigenlijk nooit voor praktische dingen. Hij klonk moe, niet boos.

“Je moet gewoon gaan, Anja. Maar ik snap Marijke ook wel. Het is allemaal nogal veel hier.”

Ik zei dat ik heus een andere keer kon helpen. Hij zei alleen: “Ja.”

Die zaterdag heb ik de hele treinreis naar Utrecht een knoop in mijn maag gehad. Tijdens die workshop keek ik steeds op mijn telefoon. Er waren geen gemiste oproepen. Toch kon ik niet ontspannen. Ria merkte het en zei dat ik er niet zo bij zat als anders. Ik heb maar gedaan alsof ik hoofdpijn had.

Een week later gingen Kees en ik erheen om te praten. Dat was mijn idee, al had ik er dagen tegenaan gehikt. Ik wilde niet dat het een rekening zou worden van alles wat ik had gedaan. Daar heb ik zelf ook een hekel aan.

Ik zei dat we wilden blijven helpen, maar dat we afspraken nodig hadden. Bijvoorbeeld één vaste ochtend per week, en alleen extra als het echt niet anders kon. Ik zei ook dat ik niet iedere keer het huishouden kon overnemen. Dat er misschien via de Wmo of een mantelzorgmakelaar gekeken kon worden wat er mogelijk was. Ik wist niet eens precies hoe dat allemaal werkte, ik had alleen wat opgezocht.

Marijke keek alsof ik haar een formulier had toegeschoven op een begrafenis.

Henk werd rood in zijn gezicht. Hij zei: “Dus nu moeten we een beroep doen op instanties omdat jullie dinsdagmiddag vrij willen houden?”

Dat was niet eerlijk, maar ik wist ook dat hij bang was. Ik voelde het meteen en toch schoot ik vol.

“Het gaat niet om een dinsdagmiddag,” zei ik. “Het gaat erom dat ik niet meer weet wanneer ik vriendin ben en wanneer ik ingepland sta.”

Kees zei niets. Dat deed misschien nog het meeste pijn. Hij zat met zijn handen tussen zijn knieën naar de vloer te kijken.

Marijke begon te huilen, heel stil. Daarna zei ze dat zij ook niet gevraagd had om dit leven. Daar had ze natuurlijk gelijk in. Niemand kiest ervoor dat zijn man langzaam afhankelijk wordt. Ik voelde me op dat moment klein en hard tegelijk.

We zijn weggegaan zonder echt afscheid. Kees reed naar huis en zei pas bij de rotonde dat hij Henk wel begreep. Ik zei dat ik dat ook deed. Toen zei hij: “Maar hij is mijn beste vriend.”

“En ik ben je vrouw,” zei ik. Meteen daarna had ik spijt van hoe het klonk, alsof ik hem liet kiezen. Dat wil ik niet. Ik wil alleen niet verdwijnen in een zorgsituatie waar ik nooit ja tegen heb gezegd.

Nu gaan we op donderdagochtend. Kees helpt Henk met dingen in huis en ik doe soms boodschappen of kook soep. Marijke heeft via de gemeente iemand gesproken, al weet ik niet precies wat daaruit komt. Ze doet nog steeds wat kortaf tegen mij. Misschien is dat tijdelijk. Misschien ook niet.

Mijn dinsdagmiddag heb ik terug, maar de eerste weken voelde die helemaal niet als vrijheid. Ik zat in de kas en hoorde bij elk berichtje mijn telefoon trillen, ook als er niets was.

Vorige week stuurde Henk een foto van een tomatenplantje dat Kees voor hem had meegenomen. Er stond alleen bij: “Hij doet het nog.” Ik heb teruggestuurd dat hij water moest geven, waarop hij een duimpje stuurde.

Dat was alles. En vreemd genoeg was ik daar de rest van de dag verdrietig van.