Onze beste vrienden vroegen of ze bij ons mochten intrekken, en ik wist niet meer wat vriendschap nog mocht kosten

Ik heb de laatste maanden geleerd dat een Tikkie van 18,40 euro zwaarder kan voelen dan een rekening van de energieleverancier.

Niet door dat bedrag zelf. Dat kun je nog wel missen. Maar omdat ik tegenwoordig, voordat ik hem open, al weet van wie hij komt en wat erna waarschijnlijk volgt. “Sorry Jan, echt de laatste keer.” Of: “Kun jij dit even voorschieten tot vrijdag?”

Theo en Marjan zijn al bijna veertig jaar onze vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Frankrijk, ergens eind jaren tachtig, toen we allebei nog met jonge kinderen in een te kleine vouwwagen zaten. Theo kon overal een verhaal van maken. Marjan regelde altijd alles: kaarten voor een concert, een tafel in een restaurantje, een huisje in Limburg met Oud en Nieuw. Zij waren de leuke mensen. Als zij erbij waren, werd er gelachen. Zelfs mijn vrouw Els, die normaal na tien uur naar huis wil, bleef bij hen geregeld tot één uur ’s nachts aan tafel zitten.

We hebben samen kinderen zien opgroeien, ouders begraven, banen gewisseld. We gingen jarenlang ieder voorjaar een week naar de Waddeneilanden. Niet per se luxe, maar wel zonder op de uitgaven te hoeven letten. Een visje halen, fietsen huren, een terras als het eindelijk een beetje weer was.

Theo werkte in de verkoop bij een keukenbedrijf. Hij verdiende goed, al leefden ze er ook naar. Een andere auto zodra de vorige drie jaar oud was, verre vakanties, altijd gul als iemand jarig was. Marjan werkte parttime in een boetiek, vooral omdat ze dat gezellig vond. Ze hadden nooit veel spaargeld, dat wisten we wel, maar ik dacht: hun zaak.

Toen Theo op zijn 61e werd ontslagen na een reorganisatie, zei hij eerst nog dat het wel los zou lopen. Hij kreeg een vergoeding mee en zou “vast iets doen als zelfstandige”. Alleen kwam er weinig. Hij had last van zijn rug, hij was kwaad op zijn oude werkgever en volgens mij schaamde hij zich ook om ergens onderaan opnieuw te beginnen. Marjan stopte intussen met de winkel omdat die failliet ging.

Het begon met kleine dingen. Of wij de gezamenlijke rekening van een etentje wilden voorschieten. Of Theo even onze auto mocht lenen omdat die van hen bij de garage stond en de rekening nog niet betaald kon worden. Daarna vroeg Marjan of Els haar kon helpen met een formulier voor bijzondere bijstand. Els is daar geduldig in. Ze ging met haar aan de keukentafel zitten, laptop open, kopjes thee erbij.

Ik vond dat allemaal niet erg. Echt niet. Als een vriend in de problemen zit, help je.

Maar er kwam geen einde aan. De lening voor de APK werd een lening voor boodschappen. De boodschappen werden geld voor de dierenarts van hun hond. Daarna belde Theo op zondagavond omdat hun cv-ketel druk verloor en hij geen loodgieter wilde laten komen zonder geld achter de hand.

“Het is maar tot volgende maand,” zei hij dan.

Welke volgende maand precies, werd nooit duidelijk.

Els maakte op een gegeven moment een lijstje in een notitieboekje. Niet eens om het terug te vragen, zei ze, maar om overzicht te houden. Ik heb dat boekje één keer gezien toen ze het op tafel liet liggen. Er stonden bedragen in, data, soms alleen “boodschappen Hoogvliet” of “Theo tandarts”. Bij elkaar was het ruim zesduizend euro.

Daar kregen we voor het eerst echt ruzie over. Niet schreeuwen, zo zijn wij niet. Eerder van die stille ruzie waarbij je allebei overdreven hard de vaatwasser inruimt.

Ik zei dat het genoeg was. We zijn 64 en 62. We wonen nog prima, hypotheek bijna af, en we hadden plannen. Geen wereldreis of zo, maar wel een paar maanden met de camper door Scandinavië zodra ik volgend jaar stop bij de gemeente. Els wilde ook graag vaker naar onze dochter in Utrecht, zonder steeds te rekenen of het die maand uitkwam.

“Alsof wij straks op een houtje moeten bijten,” zei zij.

“Nee, maar ik wil niet dat we hun pensioen gaan betalen.”

Ze keek me toen aan alsof ik iets heel kils had gezegd. “Marjan slaapt slecht, Jan. Ze schaamt zich dood.”

Dat wist ik. Ik zag het ook. Marjan, die vroeger iedereen een glas wijn inschonk zonder te vragen, zit nu vaak met haar handen om een mok heen en zegt dat ze geen trek heeft. Theo maakt nog steeds grappen, maar hij kijkt daarbij steeds naar de grond.

Toch werd ik er op een rare manier boos van. Niet alleen op hen. Ook op mezelf, omdat ik elke keer ja zei om het ongemak van nee zeggen te vermijden.

Twee weken geleden kwamen ze op woensdagmiddag langs. Ze hadden gebeld of het uitkwam. Dat doen ze tegenwoordig altijd heel voorzichtig, wat het eigenlijk nog erger maakt.

Theo had papieren bij zich. Een map met een achterstand bij de huur, iets van een betalingsregeling en brieven waar ik niet alles van begreep. Hun verhuurder wilde wel meedenken, maar niet eindeloos. Ze moesten bezuinigen en hun appartement was volgens Theo “eigenlijk niet meer op te brengen”.

Marjan zei nauwelijks iets. Els zat naast haar op de bank en hield haar hand vast.

Toen zei Theo: “We vroegen ons af of we misschien tijdelijk bij jullie zouden kunnen. Tot we weer wat lucht hebben.”

Het bleef zo stil dat ik de koelkast hoorde aanslaan.

Wij hebben een logeerkamer. Onze zoon komt er soms slapen met de kleinkinderen, maar die wonen in Zwolle en komen niet iedere week. Praktisch zou het kunnen. Dat is nu juist het probleem. Er was geen simpele reden om nee te zeggen zonder dat het voelde alsof ik hen wegstuurde terwijl ze bijna kopje-onder gingen.

Els keek meteen naar mij. Niet verwijtend, eerder alsof ze hoopte dat ik iets milds zou zeggen.

Ik zei dat we erover moesten nadenken.

Theo knikte. Hij zei zelfs dat hij het begreep, veel te snel. Marjan begon toen te huilen, heel zacht. Els ging met haar mee naar de keuken en ik bleef met Theo in de kamer zitten. Hij keek naar onze boekenkast, naar de foto’s van de kleinkinderen, overal behalve naar mij.

Sindsdien praten Els en ik er elke avond over, maar we komen niet verder. Zij zegt dat tijdelijk ook echt tijdelijk kan zijn, dat je iemand niet laat vallen na veertig jaar vriendschap. Ik zeg dat we geen idee hebben wat tijdelijk betekent als er geen inkomen, geen plan en al zesduizend euro schuld tussen ons ligt.

Misschien heeft zij gelijk dat ik hard ben geworden. Misschien heeft zij ongelijk omdat medelijden geen begroting is.

Gisteren stuurde Marjan geen Tikkie. Alleen een berichtje: “Sorry dat we jullie hiermee hebben overvallen. We willen jullie niet kwijt.”

Els heeft het hartje onder dat bericht gezet. Ik heb nog niets teruggestuurd. De camperbrochure ligt nog steeds op de eettafel, onder een stapel papieren van Theo die Els per ongeluk heeft meegenomen.