Mijn vriend vroeg of we elke dinsdag voor hem wilden overnemen, en ineens voelde onze vriendschap niet meer als vroeger
Ik heb de dinsdagmiddag de laatste tijd nodig om bij te komen van de dinsdagmiddag.
Dat klinkt ondankbaar, zeker als ik uitleg waarom we daar zijn. Maar vorige week zat ik om half zes in mijn eigen keuken, jas nog aan, en ik kon niet eens bedenken wat we zouden eten. Mijn vrouw Els stond met twee handen op het aanrecht naar buiten te kijken. De aardappels lagen nog in de boodschappentas. Normaal zouden we erom lachen, iets bestellen bij de Chinees op de hoek of een boterham eten. Nu zei niemand iets.
Henk en ik kennen elkaar sinds 1983. We werkten toen allebei bij de gemeente, niet eens op dezelfde afdeling. Hij bij vergunningen, ik bij automatisering, toen dat nog betekende dat je een hele verdieping nodig had voor een paar computers. Onze vrouwen konden meteen goed met elkaar. Els en Marijke gingen samen naar yoga, Henk en ik fietsten op zondag lange stukken, eerst met racefietsen en later steeds meer met elektrische ondersteuning, als ik eerlijk ben.
Jarenlang aten we iedere vrijdag bij elkaar. Om en om. Geen gedoe, nooit formeel. Bij Henk en Marijke was er vaak te veel wijn en een schaal met van die kleine gehaktballetjes van de slager. Bij ons kookte Els iets wat ze die week uit de Allerhande had gehaald. We gingen samen naar Texel, naar concerten in TivoliVredenburg, soms alleen een middag naar de markt in Utrecht en dan pannenkoeken eten alsof we twintig waren.
Toen Henk met pensioen ging, zei hij nog: “Nou, nu gaan we eindelijk leven alsof we tijd hebben.”
Hij was toen 64. Drie jaar later begon Marijke zich zorgen te maken. Eerst om kleine dingen. Hij zette de waterkoker in de koelkast. Hij belde haar vanaf de supermarkt omdat hij niet meer wist waarvoor hij daar was. Een keer kwam hij met de auto terug van zijn broer in Amersfoort, terwijl hij helemaal niet bij zijn broer was geweest. Hij had twee uur rondgereden en zich geschaamd om te bellen.
De diagnose kwam vorig voorjaar. Beginnende Alzheimer.
Ik weet nog dat Henk tijdens dat gesprek bij hen thuis ineens zei dat hij het eigenlijk wel fijn vond dat er eindelijk een naam voor was. Marijke keek hem aan alsof hij iets vreselijks had gezegd. Daarna begon ze te huilen, heel stil. Els ging naast haar zitten. Ik heb toen maar koffie gezet, omdat ik niet wist wat ik anders met mijn handen moest.
In het begin deden we gewoon wat vrienden doen. We kwamen vaker langs. We namen Henk mee voor een rondje fietsen. Els hielp Marijke een keer met een stapel post waar ze tegenop zag. Dat voelde niet als zorg. Dat voelde als: dit overkomt onze mensen, dus we zijn er.
Maar het schoof langzaam op.
Marijke belde steeds vaker. Soms terecht, denk ik. Henk had de verwarming op 28 gezet en ze kreeg hem niet overtuigd dat het warm was. Of hij was boos omdat zij zijn portemonnee had verstopt, terwijl hij hem zelf in de broodtrommel had gelegd. Soms belde ze alleen omdat ze niet meer wist hoe ze de middag door moest komen.
“Hij vraagt de hele tijd waar we heen gaan,” zei ze dan. “En als ik zeg dat we nergens heen gaan, wordt hij kwaad.”
Els en ik gingen dan. Niet altijd direct, maar vaak wel dezelfde dag. We namen hem mee naar het tuincentrum, naar de Intratuin vooral, ook buiten het kerstseizoen. Henk vond het daar prettig. Veel licht, veel dingen om naar te kijken. Marijke kon dan thuis stofzuigen of een dutje doen. Ze zei daar eerst eerlijk voor uit te komen, later minder. Dan stond ze al met haar jas aan bij de voordeur als wij kwamen.
“Fijn dat jullie er zijn. Ik moet nog even wat regelen,” zei ze.
Dat regelen was soms boodschappen doen. Soms gewoon in haar auto zitten op een parkeerplaats met een koffie van de McDonald’s, vertelde ze een keer. Ik vond daar niets slechts aan. Ik gun haar die rust. Maar ik begon wel te merken dat onze agenda niet meer van ons was.
We hadden juist plannen gemaakt voor ons pensioen. Een paar dagen met de trein naar Groningen. Cursus Spaans bij de Volksuniversiteit. Eindelijk die keuken schilderen, al stelde ik dat vooral uit. Els wilde vaker op haar kleindochter passen in Leiden, niet omdat het moest maar omdat ze daar plezier in heeft.
Alles bleef voorlopig. Want dinsdag kon niet, donderdag was Marijke’s afspraak bij de kapper, vrijdag hadden we vroeger altijd gegeten maar dat werd nu ingewikkeld voor Henk. En als we ergens waren, keek ik vaker naar mijn telefoon dan naar waar we waren.
Het vervelende is: Henk zelf kan er ook niets aan doen. Soms is hij nog precies mijn vriend. Dan maken we een droge opmerking over vroeger en zie ik hem lachen zoals altijd. Maar even later vertelt hij drie keer dat hij een nieuwe regenjas nodig heeft. Als ik daarop reageer, denkt hij dat ik hem belachelijk maak. Een keer riep hij in het restaurant dat ik altijd alles beter wist. Iedereen keek om. Ik werd boos, veel bozer dan ik wilde, en daarna schaamde ik me omdat hij al niet meer wist wat er gebeurd was.
Afgelopen zondag vroeg Marijke of we koffie konden komen drinken. Ze had appeltaart gehaald, zo’n hele van de bakker. Dat deed ze vroeger nooit; dan bakte ze zelf. Ik wist eigenlijk al dat er iets kwam.
Henk zat in zijn stoel met de televisie aan zonder geluid. Hij knikte naar ons en vroeg na vijf minuten of wij ook op bezoek kwamen. Els kneep onder tafel even in mijn hand.
Marijke had een notitieblokje voor zich. Ze zei dat ze had nagedacht over een vast schema. Niet als verplichting, benadrukte ze meteen. Maar het zou haar enorm helpen als Els en ik iedere dinsdag van tien tot vijf beschikbaar konden zijn. Dan konden we Henk meenemen of thuis bij hem blijven. Zij zou die dag haar eigen dingen doen, afspraken plannen, misschien eens met een vriendin lunchen.
“Jullie zijn de enigen bij wie hij echt rustig blijft,” zei ze.
Ik zei niet meteen nee. Els ook niet. We keken allebei naar dat notitieblokje alsof daar een antwoord in stond.
Thuis kregen we ruzie, voor het eerst echt over dit onderwerp. Els vond dat ik te hard was toen ik zei dat een hele dag geen gunst meer was. Zij zei dat ik deed alsof Marijke misbruik van ons maakte. Dat vond ik niet. Of tenminste, zo bedoelde ik het niet. Marijke is uitgeput. Ze heeft geen kinderen die in de buurt wonen. Haar zus zit zelf met een zieke man. De casemanager dementie komt af en toe, maar die neemt Henk natuurlijk niet mee naar de Intratuin zodat Marijke drie uur niet op scherp hoeft te staan.
Maar ik zei ook dat wij geen achtervang voor onbepaalde tijd kunnen worden.
“En als wij straks iets krijgen?” vroeg ik. “Wie is er dan op dinsdag voor ons?”
Dat was gemeen, want Els keek alsof ik over mijn eigen dood begon. Toch bleef die vraag hangen.
We hebben Marijke gisteren gebeld. Els deed het woord, wat maar goed was. Ze zei dat we best willen blijven helpen, maar niet een volledige vaste dag. We stelden voor om om de week een middag met Henk iets te doen, en daarnaast eens per maand samen te kijken naar praktische dingen. Ook hebben we gezegd dat het misschien verstandig is om via de casemanager te vragen welke dagactiviteiten er zijn. Marijke werd heel stil.
Ze zei: “Ik snap het. Ik dacht alleen dat vrienden daar misschien voor zijn.”
Sindsdien heeft ze niet meer geappt. Normaal stuurt ze elke ochtend wel iets, al is het maar een foto van Henk met de kat op schoot.
Vanmiddag gaan Els en ik naar Leiden. We passen een paar uur op onze kleindochter. Mijn telefoon gaat mee, dat wel. Ik ben daar blijkbaar nog niet vanaf. Maar ik heb het geluid uitgezet.