Ons vakantiehuisje werd ineens de maat van onze vriendschap
Vorige maand stond ik op een dinsdagmiddag de meterstanden van ons huisje door te geven toen Marjan belde. Ik weet dat nog zo precies omdat ik met mijn telefoon in mijn ene hand en een opgevouwen A4’tje in de andere buiten stond, naast die groene kliko die altijd naar vochtig blad ruikt.
Ze vroeg niet hoe het met me ging. Ze zei alleen: “Henk, we hebben misschien een plek nodig. Niet voor lang. Maar wel snel.”
Kees en Marjan kennen we sinds 1981. We woonden toen allebei in een flat in Amersfoort, twee deuren van elkaar af. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we gingen jarenlang samen kamperen in Frankrijk, en na mijn hartoperatie was Kees degene die elke zaterdag de boodschappen voor Ellen meenam zonder daar ooit drukte over te maken.
Je denkt dan dat je alles van elkaar weet. Dat is blijkbaar niet zo.
De laatste jaren ging het bij hen steeds minder. Kees had na zijn ontslag bij een installatiebedrijf nog een paar keer geprobeerd voor zichzelf te beginnen. Eerst zonnepanelen, toen kluswerk, toen iets met onderhoudscontracten voor VvE’s. Hij is handig, dat wel, maar administratie is nooit zijn ding geweest. Marjan werkte in de thuiszorg, kreeg last van haar schouder en ging minder uren werken. Er waren achterstanden met de hypotheek, een lening waarvan ik niet eens wist dat die bestond, en uiteindelijk de verkoop van hun rijtjeshuis.
Ze woonden tijdelijk in een huurwoning via-via in Soest. Die verhuurder wilde er nu zelf in. Volgens Marjan hadden ze nog drie weken.
Ons huisje staat op een park bij Putten. Het is geen tweede villa of zo. Gewoon een houten chalet met twee slaapkamers, een kleine badkamer en een keuken waar je met twee mensen al in elkaars weg staat. We kochten het twaalf jaar geleden, toen ik nog werkte bij de gemeente en Ellen in het onderwijs zat. Sinds we met pensioen zijn, gaan we er buiten het hoogseizoen af en toe heen. De laatste twee jaar verhuren we het ook.
Niet omdat we aan het binnenlopen zijn. Juist niet. De parkkosten, de energierekening, gemeentelijke lasten, onderhoud aan het dak: het werd allemaal zo duur dat we vorig jaar serieus overwogen hebben het te verkopen. De verhuur is wat het huisje voor ons haalbaar houdt. En als ik eerlijk ben: die paar dagen daar zijn voor Ellen en mij ook belangrijk geworden. Thuis in Amersfoort is het vaak afspraken, mantelzorg voor haar zus, ziekenhuiscontroles voor mij. Daar zitten we soms gewoon stil met koffie naar de bomen te kijken.
Ik zei tegen Marjan dat ik het met Ellen zou bespreken. Dat had ik beter niet kunnen zeggen, denk ik achteraf. Of ik had meteen moeten uitleggen dat het huisje al grotendeels verhuurd was tot na de zomer. Maar op zo’n moment wil je niet klinken alsof je een agenda belangrijker vindt dan iemand die bijna geen dak boven haar hoofd heeft.
Ellen zei die avond vrijwel meteen: “Nee, Henk. Niet voor onbepaalde tijd. Daar komt gedoe van.”
Ik werd daar kwaad om, terwijl ik eigenlijk wist dat ze gelijk had. Ik zei dat Marjan niet om luxe vroeg. Ellen deed de vaatwasser dicht, iets harder dan nodig, en zei: “En wij vragen ook niet om dit allemaal op ons bord te krijgen.”
Dat klonk hard. Maar ze bedoelde niet dat het haar niks kon schelen. Ze had Marjan diezelfde week nog geld gegeven voor boodschappen, zonder dat iemand het wist. Alleen kent Ellen Kees ook goed genoeg om te weten dat ’tijdelijk’ bij hem soms betekent: totdat de volgende oplossing ook niet lukt.
We boden aan om mee te zoeken, om borg voor een kamer of tijdelijke huur voor te schieten als dat nodig was, en om ze twee weken in het huisje te laten zitten tussen twee boekingen door. Meer ruimte hadden we letterlijk niet, want er waren reserveringen en schoonmaakafspraken. Als we die annuleerden, moesten we geld terugbetalen en kregen we slechte beoordelingen. Mensen vinden dat misschien onbelangrijk, maar die beoordelingen bepalen wel of we volgend jaar nog iets verhuren.
Marjan zei eerst niets. Daarna: “Dus twee weken. Alsof we op vakantie komen.”
Kees nam de telefoon over. Hij was heel rustig, en dat maakte het erger.
“Jullie zitten daar misschien vier keer per jaar,” zei hij. “En wij hebben nergens heen. Jullie kunnen toch één seizoen geen huur vragen?”
Ik zei dat het niet ging om één seizoen geen huur vragen. Dat we dan waarschijnlijk zelf geld moesten bijleggen en dat we niet wisten hoe lang het zou duren. Hij lachte kort. Niet gemeen, meer bitter.
“Jullie leven echt met jullie ogen dicht, hè? Anderen verdrinken en jullie rekenen uit wat de schoonmaak kost.”
Ik heb toen iets gezegd waar ik niet trots op ben. Ik zei: “Jullie zijn niet door óns in deze situatie gekomen.”
Er viel een stilte. Daarna hoorde ik Marjan op de achtergrond zeggen dat hij de telefoon maar moest neerleggen.
Sindsdien is er bijna geen contact. Hun dochter heeft uiteindelijk via haar werk iets geregeld: een tijdelijke studio in Nijkerk, veel te klein en duur, maar ze konden er terecht. Marjan stuurde mij vorige week een berichtje dat ze “even rust nodig hebben van mensen die hulp voorwaarden noemen”. Ik heb het wel tien keer gelezen.
Ellen vindt dat ik moet stoppen met erachteraan bellen. Ze zegt dat we al meer hebben aangeboden dan veel mensen zouden kunnen. Misschien is dat zo. Toch voelt het alsof ik bij een brand naast hun huis stond met een tuinslang en zei dat ik maar twee emmers water over had.
Afgelopen zondag gingen we naar het huisje om een kapotte lamp in de slaapkamer te vervangen. Op het park reden gezinnen met fietsen voorbij en bij de receptie stond een stel met een hond in te checken. Alles zag er zo gewoon uit dat ik er bijna misselijk van werd.
Ellen maakte koffie en zei na een tijd: “We kunnen nog eens aanbieden dat ze hier in november een maand kunnen zitten. Dan is er bijna geen verhuur.”
Ik zei dat ik niet wist of ze dat nog willen.
Ze knikte alleen en roerde in haar koffie, hoewel er geen suiker in zat. Daarna pakte ze haar jas en vroeg of ik de vuilniszak mee wilde nemen. De reserveringen voor oktober staan nog steeds in de agenda.