Mijn vrouw zegt dat ik haar beste vriendschap niet begrijp, maar ik zie hoe ze zichzelf kwijtraakt

Ik wist dat het niet goed zat toen ik op een zondagochtend in mijn eentje twee afbakbroodjes in de oven schoof. Dat klinkt misschien overdreven, maar zondag was bij ons altijd een vaste dag. Niet heilig of zo, we zijn niet kerkelijk. Maar onze dochter Marije kwam geregeld langs met de kinderen, of wij gingen naar haar in Amersfoort. Soms kwam onze zoon Jeroen ook, soms niet. Gewoon koffie, een wandelingetje met de hond, een pan soep. Niks bijzonders, maar wel van ons.

Die ochtend was Ellen al om half negen vertrokken naar Saskia. Ze had een tas bij zich met mappen, een thermoskan en volgens mij drie soorten kabels. Saskia is bezig met een boek over haar overleden moeder. Of eigenlijk een soort familiegeschiedenis, met oude foto’s, brieven en verhalen uit Indonesië. Heel persoonlijk, heel verdrietig ook. Haar moeder is vorig jaar overleden en Saskia zit daar nog middenin.

Ik snap dat echt. Ik heb mijn eigen moeder ook nog geen vijf jaar geleden verloren. Alleen begon ik me af te vragen waarom Ellen daar elke zondag voor nodig was.

Wij wonen in een dorp vlak bij Zwolle. Toen ik met pensioen ging bij de technische dienst van een zorginstelling, was ik bang dat ik me zou vervelen. Ellen werkte in de bibliotheek en stopte een jaar na mij. We hebben toen juist een fijne groep opgebouwd. Mensen van de fietsclub, een paar oud-collega’s van Ellen, buren. Om de week eten we bij iemand thuis, in de zomer op het terras bij De Dijkgraaf, en vorig najaar zijn we met z’n achten een week naar de Eifel geweest.

Saskia en haar man Henk horen daar ook bij. Henk is eigenlijk een rustige man, soms bijna te rustig. Hij knikt veel en zegt dan achteraf tegen mij bij de bar iets heel anders. Saskia is iemand die een kamer binnenkomt en meteen overal tegelijk lijkt te zijn. Dat vond ik in het begin leuk aan haar. Ellen ook. Zij konden uren praten. Over hun dochters, overgangsklachten, oude liefdes, de verbouwing van Saskia’s keuken, noem maar op.

Ellen is altijd al zorgzaam geweest. Misschien soms te. Als mijn schoonmoeder belde dat haar printer het niet deed, zat Ellen een halfuur later in de auto. Als Marije zei dat ze moe was met de kinderen, nam Ellen ze mee naar de speeltuin, ook als ze zelf net rugpijn had. Dat is gewoon hoe ze is.

Maar bij Saskia werd het steeds meer. Eerst een extra belletje na het overlijden van haar moeder. Daarna meegaan naar de notaris omdat Saskia ‘iemand nodig had die helder bleef’. Toen hielp Ellen met het uitzoeken van fotoalbums. Vervolgens moest er voor dat boek een website komen, want Saskia’s kleinzoon kon dat misschien bouwen, maar die had tentamens. Ellen ging avonden zitten puzzelen met foto’s scannen, terwijl ze daar zelf een hekel aan heeft.

Als ik er iets van zei, zei Ellen meestal: “Ze heeft het gewoon zwaar, Rob.”

Dat klopt. Alleen hebben veel mensen het zwaar zonder dat één vriendin hun agenda, hoofd en huishouden overneemt.

De zondag werd een probleem toen Marije vroeg of we bij haar kwamen eten voor de verjaardag van onze kleinzoon Daan. Geen groot feest, gewoon pannenkoeken. Ellen zei meteen dat ze misschien later zou komen, omdat Saskia die dag een gesprek had met een uitgever uit Deventer en ze vooraf nog dingen moest doornemen.

Marije zei niets vervelends. Dat maakt het soms erger. Ze zei alleen: “Mam moet zelf weten wat ze doet.” Maar ik hoorde haar teleurstelling. Daan is zeven. Die onthoudt niet precies wie er wanneer kwam, maar hij keek wel telkens naar de deur.

Ellen kwam uiteindelijk na vieren binnen, met een bos bloemen voor Daan alsof dat iets rechtzette. Hij was toen al druk met zijn nieuwe Lego. Ze ging naast hem zitten, deed haar best, maar ze keek drie keer op haar telefoon. Saskia stuurde berichten over de uitgever, over een zin op de achterkant, over een foto die toch niet gebruikt mocht worden.

In de auto terug zei ik dat ik het jammer vond.

Ellen keek naar buiten en zei: “Je doet alsof ik niet meer van mijn kleinkind houd.”

Dat had ik helemaal niet gezegd. Ik zei juist dat ik zag dat ze overal tegelijk wilde zijn en dat niemand daar beter van werd, zijzelf het minst.

Een week later kwam de echte vraag. Saskia wilde vanaf januari iedere zondag met Ellen aan het project werken. Niet een paar weken, maar tot het manuscript af was. Ze wilde ook dat Ellen mee zou gaan naar gesprekken met familieleden, omdat Ellen zo goed kon luisteren en aantekeningen maken. Henk zou volgens Saskia niet de juiste persoon zijn; die werd ongemakkelijk van emoties en kende die familie nauwelijks.

Ellen vertelde het alsof het al min of meer besloten was. Ze stond aardappels te schillen en zei dat ze dan misschien op zaterdag boodschappen moest doen, omdat de zondag dus wegviel.

Ik vroeg: “En onze zondagen dan?”

Ze haalde haar schouders op. “Die kunnen toch ook op zaterdag? Of door de week?”

Dat was het moment dat ik kwaad werd. Niet omdat ik per se elke zondag aan haar vast wil zitten. Ik ga best alleen fietsen of naar PEC met een buurman. Maar omdat het bij haar klonk alsof alles wat van ons was zomaar kon schuiven, terwijl Saskia’s wensen vaststonden.

Ik zei dat ik er niet meer aan mee wilde werken. Geen ritjes meer naar Deventer omdat Saskia geen parkeerplek kon vinden. Niet meer koken voor twee als Ellen daar de hele dag zat. En ik wilde ook niet elke keer doen alsof het normaal was wanneer zij familieafspraken afzegde omdat Saskia weer in paniek was over een hoofdstuk of een telefoontje.

Ellen legde het mes neer en keek me aan alsof ik iets gemeens had gedaan.

“Dus ik mag haar gewoon laten zitten?”

“Nee,” zei ik. “Maar helpen is iets anders dan beschikbaar zijn alsof jij bij haar in dienst bent.”

Daarna hebben we drie dagen nauwelijks normaal gepraat. Ze sliep niet op de logeerkamer of zo, daar zijn we niet van. We deden gewoon allebei heel beleefd. Zij zette thee, ik ruimde de vaatwasser uit. Er hing iets in huis wat ik niet goed kon verdragen.

Op donderdag belde Saskia hier aan. Ik deed open. Ze keek bezorgd en zei dat Ellen haar verteld had dat ik moeite had met het project. Niet boos, meer gekwetst. Alsof ik een deur voor haar dichtdeed terwijl ze met nat haar buiten stond.

Ik zei dat het niet om haar boek ging. Dat ik zag dat Ellen moe was en afspraken met haar eigen gezin begon te missen. Saskia werd stil. Toen zei ze: “Maar Ellen zegt altijd zelf dat ze wil.”

Daar kon ik niet eens tegenin. Want dat is ook zo. Ellen zegt ja. Saskia houdt haar niet letterlijk vast.

Die avond hebben Ellen en ik eindelijk langer gepraat. Of gepraat, we zaten vooral tegenover elkaar aan tafel met koude koffie. Ellen zei dat Saskia haar nodig had op een manier die ze zelf na het overlijden van haar vader ook had gewenst. Iemand die niet na twintig minuten zei dat het wel weer beter werd.

Ik zei dat ik dat begreep. En dat ik misschien te hard was geweest over die ritjes en het koken. Maar ook dat ik bang was dat Ellen op een dag zou merken dat ze een jaar lang voor iedereen klaar had gestaan, behalve voor zichzelf.

Ze gaat nog steeds op zondag naar Saskia, maar niet elke zondag. Ze hebben nu afgesproken om de week te werken, en Ellen heeft gezegd dat ze op verjaardagen van de kleinkinderen niet meer afzegt. Saskia vond dat eerst moeilijk, vertelde Ellen. Misschien vindt ze het nog steeds moeilijk.

Afgelopen zondag zaten we bij Marije aan tafel. Daan wilde dat opa mee naar boven ging kijken naar zijn kamer, dus dat deed ik. Toen ik terugkwam, zat Ellen met haar telefoon in haar hand. Ze legde hem meteen omgekeerd neer toen ze me zag.

Ik heb er niets van gezegd. Misschien omdat ik bang ben voor een nieuw gesprek. Misschien ook omdat ik weet dat je een vriendschap van een ander niet kunt regelen, hoe graag je dat soms zou willen.

Maar ik hoop wel dat Ellen volgende week niet weer denkt dat alles van ons vanzelf wel kan wachten.