Sinds mijn pensioen weet ik niet meer waar ik hoor, en nu noemen ze me bij de stichting een controlfreak
Ik heb drie keer naar mijn oude werkagenda gezocht nadat ik met pensioen was. Niet omdat ik er nog afspraken in verwachtte te vinden, maar omdat ik het geluid van die harde kaft miste als ik hem opensloeg.
Mijn agenda stond vroeger vol met bouwvergaderingen, opleverdata, telefoonnummers die ik half in mijn hoofd kende. Ik werkte ruim dertig jaar als projectleider bij een woningcorporatie in Amersfoort. Niet spectaculair, maar ik was goed in dingen op tijd laten gebeuren. Als een aannemer zei dat iets ‘volgende week wel lukte’, vroeg ik: welke dag, wie doet het, en wat gebeurt er als het regent?
Toen ik 67 werd, hadden mijn collega’s een borrel geregeld. Er was een fotoboek, een bos bloemen en iemand had een filmpje gemaakt waarin ze mijn bekendste zin hadden gemonteerd: ‘Zet het even op de mail.’ Ik lachte erom. Echt. Maar toen ik de maandag daarna om kwart voor zeven wakker werd en nergens heen hoefde, voelde het alsof iemand de stekker uit een apparaat had getrokken dat nog gewoon aanstond.
Mijn man Henk had daar veel minder last van. Hij was een jaar eerder gestopt bij de technische dienst van het ziekenhuis. Hij fietst sindsdien zonder doel naar de markt, doet boodschappen bij drie winkels omdat hij vindt dat de tomaten bij de ene beter zijn en de koffie bij de andere goedkoper. Op dinsdag past hij soms op onze kleindochter Noor. Hij kan rustig een uur in de schuur rommelen met een kapotte boormachine.
‘Je mag ook gewoon niks doen, Els,’ zei hij in het begin.
Dat klonk voor mij niet als toestemming. Het klonk als een waarschuwing.
Via onze buurvrouw kwam ik bij Stichting Samen aan Zet terecht. Ze wilden het plein achter het oude winkelcentrum in onze wijk opknappen. Meer groen, bankjes, betere verlichting, iets voor jongeren zonder dat het meteen een hangplek werd waar iedereen over klaagde. Er waren bewoners, een paar jonge mensen die via hun werk iets met duurzaamheid deden, iemand van de bibliotheek en een gepensioneerde hovenier.
De eerste bijeenkomst kwam ik alleen luisteren. Twee weken later had ik vrijwillig een overzicht gemaakt van de subsidieaanvragen, wie waarvoor verantwoordelijk was en welke deadlines eraan kwamen. Ik wist dat ik daar voorzichtig mee moest zijn. Toch merkte ik dat mensen opgelucht waren.
‘Wat fijn, Els, nu snap ik eindelijk waar we staan,’ zei Fatima, die al jaren in de wijk woont en de notulen deed.
Ik ging weer op maandag de deur uit met een tas, een notitieblok en een reden om mijn haar fatsoenlijk te doen. Henk plaagde me ermee.
‘Daar gaat de directeur weer.’
Maar hij zei het lief. Meestal dan.
Een halfjaar later stopte onze voorzitter, een vriendelijke man van 72 die vooral goed was in iedereen aan het woord laten. De gemeente wilde tempo maken met de subsidie en er moest een nieuwe voorzitter komen. Dat werd Milo, 34, werkzaam bij een bureau voor participatie. Hij woonde nog maar twee jaar in de wijk, maar kwam enthousiast over. Hij droeg sneakers onder een net jasje en zei in zijn eerste vergadering dat hij ‘ruimte wilde maken voor energie’.
Ik vond dat wat vaag, maar ik had mezelf voorgenomen open te blijven staan.
Dat hield ongeveer drie vergaderingen stand.
Milo werkte met een groepsapp waarin om elf uur ’s avonds ideeën werden gegooid. Besluiten werden ineens genomen met duimpjes onder een bericht. Er kwamen bijeenkomsten in het buurthuis waarvoor mensen via Instagram werden uitgenodigd, terwijl Fatima daar pas achter kwam toen haar dochter het haar liet zien. De begroting veranderde voortdurend omdat Milo vond dat we ‘niet moesten doen alsof alles al vastligt’.
Ik zei eerst alleen kleine dingen.
‘Zullen we dit wel even vastleggen?’
Of: ‘Wie heeft eigenlijk akkoord gegeven op die offerte?’
Milo knikte dan en ging verder. Hij had een manier van luisteren waarbij je pas later merkte dat er niets met je opmerking was gebeurd.
Het werd erger toen er een plan kwam voor een tijdelijk paviljoen op het plein. Een houten plek voor workshops, koffie en activiteiten. Op zich een goed idee. Alleen was er nog geen sluitende begroting, geen duidelijk beheer en geen antwoord op de vraag wie aansprakelijk was als er schade kwam. Ik had in mijn werk te vaak gezien hoe zulke enthousiaste plannen eindigden met rekeningen waar niemand meer van wist.
Ik maakte thuis een risico-overzicht. Acht pagina’s, dat geef ik toe. Henk zag me aan de eettafel zitten, met mijn leesbril laag op mijn neus en allemaal geprinte mails eromheen.
‘Els, het is een buurtpaviljoen. Geen nieuwe woonwijk.’
‘Juist daarom moet het kloppen. Vrijwilligers kunnen niet opdraaien voor rommel.’
Hij zuchtte. ‘Misschien vinden ze het ook gewoon leuk om iets te proberen zonder dat alles dichtgetimmerd is.’
Dat deed me meer dan ik wilde toegeven. Alsof zorgvuldigheid hetzelfde was als plezier verpesten.
Tijdens de volgende vergadering deelde ik mijn overzicht uit. Milo keek ernaar alsof ik hem een belastingaangifte had gegeven.
‘Dit is heel grondig,’ zei hij.
Dat woord, heel grondig, werd niet als compliment bedoeld.
Een van de jongere vrijwilligers, Sanne, zei: ‘Ik krijg hier eerlijk gezegd een beetje stress van. We zijn toch geen bedrijf?’
Ik antwoordde scherper dan nodig was dat een stichting ook verplichtingen heeft, en dat enthousiasme geen verzekeringsvorm is. Daarna was het stil. Fatima keek naar haar notitieblok. Milo zei dat we de sfeer ‘constructief’ moesten houden.
Thuis zei Henk niets toen ik binnenkwam. Hij zette wel alvast water op voor thee. Dat maakt het soms nog irritanter, omdat je dan zelf moet beginnen.
‘Je vindt zeker dat ik weer overdreef.’
‘Ik vind dat je ongelukkig wordt van mensen die niet werken zoals jij werkt.’
‘Ze nemen beslissingen zonder basis.’
‘Misschien. Maar jij probeert ze te laten werken alsof jij hun leidinggevende bent.’
Ik heb die avond nauwelijks met hem gepraat. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat ik niet wist wat ik dan nog overhield als ik niet degene mocht zijn die zag wat er mis kon gaan.
De echte fout maakte ik een week later. Milo had zonder volledige bestuursbeslissing een ontwerp laten indienen voor de subsidie. De deadline was bijna voorbij, dat was zijn uitleg. Ik was woedend. Ik heb toen een officieel voorstel geschreven om de financiële en juridische beoordeling van het paviljoen onder een aparte werkgroep te zetten, rechtstreeks rapporterend aan het bestuur. In feite zou Milo bij het belangrijkste deel buitenspel staan.
Ik stuurde het rond met het verzoek het op de agenda te zetten.
Achteraf gezien had ik hem eerst moeten bellen. Of een wandeling met hem moeten maken, desnoods. Maar ik wilde dat het netjes ging. Op papier. Controleerbaar.
De bestuursvergadering was afgelopen donderdag. Milo had mijn voorstel geprint, maar niet op tafel gelegd. Hij zei meteen dat hij het ‘een motie van wantrouwen’ vond.
Ik zei dat het daar niet om ging, dat er verantwoordelijkheden waren en dat we onszelf kwetsbaar maakten.
‘Nee, Els,’ zei hij, en hij was rood in zijn gezicht. ‘Jij vindt dat ik het niet goed doe. Zeg dat dan gewoon.’
Ik weet nog dat ik naar de schaal met goedkope koekjes keek. Niemand pakte er eentje.
Toen zei Sanne, heel zacht maar goed hoorbaar: ‘We durven bijna niks meer voor te stellen, omdat het meteen door de Els-check moet.’
Dat kwam hard aan. Niet omdat het volledig onwaar was. Misschien juist daarom.
Ik zei dat ik geen zin had om voor controlfreak uitgemaakt te worden terwijl ik gratis probeerde te voorkomen dat we problemen kregen. Milo zei dat niemand mij zo genoemd had, wat natuurlijk technisch waar was, maar iedereen begreep precies wat ik bedoelde.
Fatima stelde voor om de vergadering te schorsen. Ik ben opgestaan, heb mijn tas gepakt en gezegd dat zij dan maar moesten beslissen of ze een serieuze stichting wilden zijn of een WhatsApp-groep met subsidie.
Daar schaam ik me nu voor. Vooral voor Fatima. Zij stuurde me die avond nog een berichtje: ‘Ik snap je zorgen, maar dit was niet fijn.’ Ik heb het gelezen en pas de volgende ochtend gereageerd.
Milo heeft inmiddels voorgesteld dat ik tijdelijk geen trekkersrol meer heb en alleen nog adviseer over begroting en planning. Hij noemt het een compromis. Henk vindt dat ik het moet aannemen.
Ik weet niet of ik dat kan. Een adviseur die pas mag spreken als iemand erom vraagt, voelt voor mij verdacht veel als iemand die aan de kant is gezet. Tegelijkertijd zie ik ook dat ik die groep ben gaan behandelen als een project dat gered moest worden, terwijl het voor de meesten gewoon een plek is waar ze iets goeds proberen te doen naast hun werk en kinderen.
Morgen is er weer een bijeenkomst over het paviljoen. Ik heb mijn map al klaarstaan, maar er zitten dit keer maar twee A4’tjes in. Henk vroeg net of ik mijn fietsbanden nog heb gecontroleerd, omdat het volgens hem gaat regenen.
Ik zei dat ik misschien niet ga.
Hij knikte alleen en schonk koffie in. Daarna vroeg hij of we vanavond stamppot wilden of pasta. Dat was alles.