Na 34 jaar vriendschap voelde elke zondag ineens als een zorgdienst
Ik heb de laatste tijd een hekel gekregen aan zondagmiddag, en dat vind ik misschien nog het ergste van alles.
Zondagmiddag was namelijk altijd van ons vieren. Al sinds de kinderen klein waren. Koos en Ellen kwamen dan bij ons, of wij fietsten naar hen toe, vroeger met een tas bier aan het stuur en later met een fles wijn die we eigenlijk allebei te zuur vonden maar toch bleven kopen. We speelden klaverjas, gingen wandelen in de duinen, keken wielrennen als het seizoen begon. Soms deden we niks bijzonders. Ellen zette borrelnootjes neer, Koos maakte een flauwe opmerking en Marijke en ik bleven steevast langer hangen dan we van plan waren.
We zijn nu 67. De kinderen wonen al jaren op zichzelf, we zijn allebei met pensioen. Ik werkte bij de gemeente in de buitendienst, Marijke in een apotheek. Koos was elektromonteur. Hij kon alles repareren, ook als je niet had gevraagd of hij dat wilde doen. Een lekkende kraan, een haperende lamp, de ketting van mijn fiets. Hij kwam dan binnen met zijn gereedschapskoffertje en zei: „Even kijken hoor,” alsof hij er toevallig langs liep.
Vorig najaar begon hij dingen te vergeten. Eerst kleine dingen. Waar hij zijn bril had neergelegd, terwijl die op zijn hoofd stond. Dat hij al koffie had gezet. Daarna raakte hij tijdens een wandeling in de war bij een kruispunt waar we al honderd keer waren geweest.
De diagnose kwam in februari. Parkinson, met ook cognitieve klachten. Ik weet nog dat Ellen het woord niet eens goed uit haar mond kreeg aan de telefoon. Ze zei alleen: „Het is niet goed, Henk.”
Natuurlijk gingen we meteen vaker langs. Dat was geen discussie. Koos was onze vriend. Ellen ook. Marijke nam een pan erwtensoep mee, ik reed Koos naar de neuroloog toen Ellen zelf een oogartsafspraak had. We haalden boodschappen als het regende of als Koos een slechte dag had. In het begin voelde dat allemaal logisch. Je denkt niet: hoeveel uur kost dit me? Je doet wat er nodig is.
Maar het werd geen tijdelijke drukte.
Ellen belde steeds vaker. Soms voor iets kleins, zoals een pak koffiefilters of een lampje in de gang. Soms omdat Koos zijn medicijnen niet wilde innemen en zij niet wist hoe ze hem rustig moest krijgen. Soms belde ze alleen maar en zei ze niets. Dan hoorde ik de televisie op de achtergrond en Koos die ergens een kastje open en dicht deed.
„Ik trek dit niet alleen, Henk,” zei ze dan.
En wat moet je daarop zeggen? Ik zei meestal: „Ik kom wel even.”
Marijke deed hetzelfde. Zij ging met Ellen mee naar de huisarts, hielp een paar keer met de administratie omdat Ellen opeens brieven liet liggen. Niet omdat ze dom is, helemaal niet. Maar haar hoofd zat vol. Ze vertelde steeds hetzelfde verhaal, over hoe Koos vroeger op vakantie altijd de route bepaalde en nu niet meer wist waar de supermarkt in het dorp was.
Langzaam verdween onze eigen week. Dinsdag boodschappen voor hen. Donderdag vervoer. Zondag niet meer een borrel, maar kijken of de koelkast gevuld was en of Koos niet weer zijn bankpas kwijt was. Als we een middag niet konden, voelde ik me onrustig. Dan dacht ik: stel dat Ellen belt en wij zitten net bij vrienden, of in de bioscoop, of gewoon thuis met de deur dicht.
Dat laatste deden we steeds minder. Gewoon thuis zijn zonder reden voelde bijna egoïstisch.
Marijke zei op een avond: „Ik mis ons leven een beetje.”
We zaten aan de keukentafel. Ik was net terug van Koos en Ellen, omdat de magnetron het niet deed. Uiteindelijk bleek dat de stekker loszat. Koos had hem er zelf uitgetrokken omdat hij dacht dat het een oplader was. Ik had er drie kwartier gezeten, vooral omdat Ellen wilde praten.
Ik reageerde geïrriteerd. Ik zei dat zij er ook niks aan konden doen. Dat we niet moesten gaan zitten klagen terwijl zij met iets veel ergers zaten.
Marijke zei toen niks meer. Ze ruimde haar kopje op, terwijl het nog halfvol was.
Daar schaam ik me nog steeds voor. Niet omdat ze gelijk had en ik ongelijk, al was dat ook zo. Maar omdat ik blijkbaar pas naar haar luisterde toen ik zelf al bijna op was.
In juni hadden we een weekendje naar Texel geboekt. Twee nachten, niet meer. Gewoon even fietsen en vis eten in Oudeschild. We hadden er al maanden zin in. De vrijdag voor vertrek belde Ellen. Koos was gevallen in de badkamer. Niet ernstig gewond, gelukkig, maar hij was erg geschrokken en wilde niet alleen thuisblijven.
Ellen vroeg of Marijke die zaterdag een paar uur bij hem kon zitten, zodat zij boodschappen kon doen en even naar haar zus kon. Haar zus woont in Zwolle, dus dat was niet even heen en weer.
Marijke zei dat we weg waren.
Er viel een stilte. Zo’n stilte waarin je al weet dat het verkeerde antwoord is, ook al is het eerlijk.
„O ja,” zei Ellen. „Dat weekendje.”
Ze zei het niet gemeen. Eerder vlak. En juist daardoor kwam het hard aan.
Marijke bood aan om iemand van de thuiszorgorganisatie te bellen, of om bij thuiskomst maandag langs te komen. Ellen zei dat ze het zelf wel zou regelen.
Op Texel regende het bijna voortdurend. We hebben wel gefietst, maar ik keek steeds op mijn telefoon. Ellen stuurde maar één bericht: ‘Het is gelukt.’ Zonder kusje, zonder verdere uitleg. Dat klinkt kinderachtig, maar na al die jaren weet je wanneer iemand afstand houdt.
Een week later gingen we zoals gewoonlijk op zondag langs. Ik had onderweg nog een bos bloemen gekocht, wat ik normaal nooit doe. Koos zat in zijn stoel en leek blij ons te zien. Hij vroeg drie keer of we net uit Frankrijk terug waren gekomen. Ellen corrigeerde hem steeds korter.
Na de koffie zei Marijke voorzichtig dat we iets wilden bespreken. Ze had het opgeschreven op een briefje, zag ik later. Dat doet ze alleen als ze zenuwachtig is.
Ze zei dat we wilden blijven helpen, maar dat het zo niet meer ging. Dat we niet altijd beschikbaar konden zijn. Dat we bijvoorbeeld één vaste middag per week konden afspreken voor boodschappen, administratie of gewoon gezelschap, en dat we voor andere dingen moesten kijken naar thuiszorg, de huisarts, misschien het wijkteam.
Ellen keek eerst naar Marijke, toen naar mij.
„Dus we moeten een rooster maken voor onze vriendschap?” vroeg ze.
Niemand zei iets.
Ze begon over vroeger. Over dat Koos mij hielp toen ik na mijn hartinfarct zes weken niet mocht autorijden. Dat klopt. Hij reed me toen naar de fysiotherapie en deed boodschappen voor ons. Ze zei dat zij op onze kinderen had gepast toen mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ook waar.
Ik voelde me kleiner worden op de bank.
Maar ik zei toch dat het anders was. Dat Koos toen tijdelijk hulp nodig had. Dat zij nu met iets zaten waarvoor wij met z’n tweeën geen oplossing konden zijn.
Ellen werd heel boos. Niet schreeuwen, dat past ook niet bij haar. Ze zei alleen: „Nee, jullie zijn geen oplossing. Jullie waren mijn houvast.”
Daar had ik niks tegenin te brengen.
Koos zat er ondertussen bij en vroeg of iemand nog koffie wilde. Hij had niet begrepen waar het over ging, of misschien begreep hij juist meer dan wij dachten en wilde hij eruit.
We zijn vroeg weggegaan. Bij de voordeur omhelsde Ellen Marijke heel stijf. Mij gaf ze alleen een knikje. Koos zei dat we volgende week weer kwamen kaarten.
Dat is nu drie weken geleden. We bellen nog wel, maar anders. Voorzichtiger. Ellen heeft via de huisarts contact gekregen met een casemanager, vertelde ze. Daar ben ik oprecht opgelucht over, al voelde ze aan de telefoon verder weg dan ooit.
Afgelopen zondag zaten Marijke en ik thuis. We hadden soep uit de vriezer gehaald en gekeken naar een programma waar we allebei nauwelijks aandacht voor hadden. Om half vijf zei Marijke: „Zullen we Koos even bellen?”
Ik pakte mijn telefoon, maar legde hem weer neer.
Niet omdat ik niet om hem geef. Juist daarom misschien. Ik weet niet meer hoe je vriend kunt blijven als alles wat je doet meteen tekortschiet of te veel wordt.
Uiteindelijk heeft Marijke gebeld. Ik hoorde haar in de keuken vragen hoe het ging. Daarna hoorde ik haar zacht lachen om iets wat Koos zei.
Toen ze ophing, zei ze dat hij dacht dat het maandag was en dat hij vroeg waarom we niet kwamen klaverjassen.
We hebben die avond de kaarten niet gepakt.