Na veertig jaar vriendschap voelde een weekendje weg ineens als mantelzorg
Vorige maand stond ik om kwart over zeven op een parkeerplaats bij het ziekenhuis in Zwolle, met twee boterhammen in een trommeltje op schoot en een krant die ik niet had opengeslagen. Henk had een afspraak bij de cardioloog. Marijke mocht mee naar binnen, maar rijden durfde ze niet meer sinds ze in januari met haar auto tegen een paaltje was gereden.
Ik had eigenlijk die ochtend met mijn broer naar de bouwmarkt gewild. We zijn allebei net gestopt met werken en hadden het plan opgevat om een werkbank te maken in mijn schuur. Niet omdat ik zo’n klusser ben, integendeel. Maar het leek me gewoon fijn om eindelijk iets te doen zonder dat er een rooster, een teamoverleg of een telefoon van mijn werk aan vastzat.
Toen Henk uit het ziekenhuis kwam, was hij bleek maar opgewekt. De uitslag viel mee, zei hij. Onderweg naar huis vertelde hij twintig minuten lang over de parkeerautomaat die niet meteen zijn pas pakte. Marijke zat achterin en zei op een gegeven moment: “Wat zouden we toch moeten zonder jullie?”
Ik zei: “Ach ja.”
Dat bedoelde ik niet hard. Alleen, ik wist oprecht niet meer wat ik anders moest zeggen.
Wij kennen Henk en Marijke al ruim veertig jaar. Els, mijn vrouw, zat destijds bij Marijke op zwangerschapszwemmen. Ik weet nog dat ik Henk voor het eerst zag met een veel te korte spijkerbroek en een peuk in zijn hand, terwijl hij een kinderwagen omhoog probeerde te tillen bij een portiekwoning in Deventer. We hadden kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd, gingen kamperen in Frankrijk, vierden oud en nieuw bij elkaar. Toen de kinderen groter waren, bleven wij over. Zaterdag fietsen, zondag eten. Soms een weekend naar een huisje in Drenthe, soms gewoon kaarten aan de keukentafel met een schaal blokjes kaas en een fles wijn die altijd te snel leeg was.
Het was nooit rekenen. Als Henk een keer mijn dakgoot schoonmaakte, hielp ik hem later met zijn schutting. Els paste op hun jongens toen Marijke haar moeder in het ziekenhuis had. Marijke stond bij ons op de stoep met een pan nasi toen mijn vader overleden was. Zo ging dat. Niet groots, maar wel vanzelf.
De laatste twee jaar is er iets verschoven. Eerst klein. Henk kreeg last van zijn hart en was sneller buiten adem. Daarna kreeg Marijke problemen met haar knieën. Ze lopen allebei nog, ze wonen gewoon zelfstandig, ze kunnen boodschappen doen. Maar alles kost meer moeite en er is altijd wel iets: een controle, een nieuwe bril die opgehaald moet worden, een lekkage die “even” bekeken moet worden, een lamp die niet meer werkt.
Els neemt de telefoon bijna altijd op als Marijke belt. Ik hoor haar dan in de keuken zeggen: “Natuurlijk, joh. Wanneer moet je er zijn?” En dan kijkt ze naar mij alsof het antwoord al vaststaat.
In het begin vond ik dat ook normaal. Je laat mensen niet zitten omdat je zin hebt om met je hengelspullen aan de sloot te gaan staan. Zo ben ik niet opgevoed. Mijn moeder verzorgde haar buurvrouw tot die naar een verpleeghuis moest. Daar werd niet over gediscussieerd.
Maar ik ben 63, pas sinds oktober met pensioen, en ik merk dat mijn dagen ineens weer van andere mensen zijn. Niet elke dag, dat zou overdreven zijn. Maar vaak genoeg dat ik mijn eigen plannen niet meer echt plan. Ik houd rekening met een telefoontje. Els doet dat volgens mij ook, alleen noemt zij het anders. Zij zegt dat je beschikbaar bent voor mensen van wie je houdt.
In maart kregen we een appje van Marijke: of we het weekend naar Giethoorn nog door wilden laten gaan. Dat weekend was al maanden geleden besproken. Henk had net een onderzoek gehad en zou rustig aan moeten doen, schreef ze, maar ze dacht dat de verandering van omgeving hem goed zou doen.
Ik wilde afzeggen. Niet eens alleen vanwege zijn gezondheid. Ik zag het al voor me: wij die hun tassen droegen, de auto reden, uitzochten waar ze konden zitten, ’s nachts luisterden of alles goed ging. Els zei dat ik me aanstelde. “We gaan toch niet zeggen dat ze niet mee mogen omdat ze minder fit zijn?”
Dat had ik ook niet willen zeggen. Dus we gingen.
De eerste avond ging nog prima. We aten in een restaurant waar Henk na het hoofdgerecht ineens heel stil werd. Hij was moe, zei hij. Els en Marijke wilden nog een stukje lopen, maar ik bracht Henk naar het huisje. Onderweg moest hij twee keer stoppen. Ik liep naast hem met zijn jas over mijn arm en merkte dat ik boos werd, terwijl die man gewoon buiten adem was. Daar schaam ik me nog steeds voor.
De volgende ochtend was Marijke geïrriteerd omdat er geen gewone koffie was, alleen van die cups. Henk wilde niet mee met de rondvaart omdat het te koud was, maar hij wilde ook niet alleen blijven. Uiteindelijk bleven we allemaal in het huisje. Els maakte soep, ik reed naar de supermarkt voor paracetamol en beschuit omdat Marijke misselijk was. Om vier uur belde mijn broer of ik nog kwam klussen. Ik zei nee en hoorde aan mijn eigen stem dat ik hem verwijtend vond klinken, alsof hij degene was die iets van mij vroeg.
Die avond, toen Henk even lag te slapen, zei ik tegen Els dat dit geen weekend weg was. Ik zei dat ik het gevoel had dat wij hun hulpverleners waren geworden zonder dat iemand dat met ons had besproken.
Els werd meteen kwaad. Niet hard, maar op die koude manier die erger is. Ze zei dat Henk misschien wel echt bang was sinds zijn hartklachten. Dat Marijke zich groot hield en daardoor lastig deed. En dat ik alleen maar aan mijn vrije tijd dacht nu ik eindelijk niet meer hoefde te werken.
“Ja,” zei ik. “Dat doe ik ook. Daar heb ik toch ook recht op?”
Ze keek me aan alsof ik iets heel ordinairs had gezegd.
Later die avond hoorde Marijke ons blijkbaar praten. Niet alles, denk ik. Maar genoeg. De volgende ochtend pakten zij eerder in. Marijke zei bij de deur: “We hadden niet door dat we zo’n belasting waren.” Henk zei niets. Hij gaf me een hand, niet eens een omhelzing. Dat deed misschien nog het meeste pijn.
Sindsdien is het stiller. Marijke appt Els wel, maar anders dan vroeger. Korter. Vorige week vroeg ze of ik Henk donderdag naar de fysio kon brengen. Els keek naar mij, wachtend.
Ik heb gezegd dat ik die ochtend al weg was. Dat was niet helemaal waar. Ik had alleen afgesproken om te gaan vissen met een oud-collega. Ik voelde me daarna een rotzak. Tegelijkertijd voelde ik iets van opluchting toen ik mijn telefoon op stil zette.
Els en ik praten er nog steeds omheen. Zij zegt dat we duidelijke afspraken moeten maken. Ik weet alleen niet hoe je na veertig jaar tegen iemand zegt: ik wil je vriend zijn, maar niet degene die standaard klaarstaat met de autosleutels, de boodschappen en een vrije ochtend.
Vanmiddag belde Henk zelf. Hij vroeg niet om hulp. Hij wilde weten of ik zondag Ajax-Feyenoord kwam kijken, zoals we vroeger deden. Ik zei ja, misschien te snel.
Daarna zette ik koffie en keek ik naar de werkbank die nog steeds niet af is. Mijn broer had het blad alvast gezaagd. Het ligt nu scheef tegen de muur van de schuur, met een zeil eroverheen omdat het weer omsloeg.