Na veertig jaar vriendinnen kreeg ik de vraag om zonder mijn man te komen

Ik heb zondagmiddag de schaal met lasagne terug in de vriezer gezet, omdat ik niet meer wist voor hoeveel mensen ik moest koken.

Dat klinkt misschien overdreven, maar die schaal stond voor mij altijd voor onze donderdagavond. Al bijna veertig jaar. Eerst met jonge kinderen die boven niet wilden slapen, later met pubers die op de bank hingen alsof het hún huis was, en de laatste jaren gewoon met z’n achten aan tafel. Wij, Henk en ik, en onze vrienden: Marijke en Joost, Paul en Els, en Ria en Theo.

Niet elke donderdag even uitgebreid hoor. Soms aten we alleen soep met brood. Soms gingen we naar een eetcafé in de buurt of een keer naar een tentoonstelling in Zwolle. Met corona hebben we zelfs buiten onder partytenten gezeten met dekens om. Het waren geen vrienden die alleen kwamen als er iets te vieren viel. Toen mijn moeder naar een verzorgingshuis moest, reed Ria zonder veel woorden mee om dozen weg te brengen. Toen Joost een hartoperatie kreeg, stond Henk elke week bij Marijke de heg te snoeien.

Daarom voelt dit zo vies. Alsof er ergens iets gescheurd is waarvan ik niet weet of je het nog kunt naaien.

Henk is twee jaar met pensioen. Hij werkte vroeger bij de technische dienst van een middelgrote fabriek. Een man die altijd veel deed, weinig praatte en op zaterdag al om half acht in de schuur stond. Toen hij stopte, dacht ik eerlijk gezegd: fijn, nu hebben we eens tijd voor elkaar. We wilden meer fietsen, misschien met de camper een paar weken naar Duitsland.

Maar Henk werd onrustig. Hij zei dat hij niet ging zitten verpieteren achter de geraniums. Via iemand van de buurtvereniging kwam hij bij een lokale partij terecht. Niet eens een grote landelijke partij, meer zo’n gemeentelijke club die zich druk maakt over woningbouw, verkeer, windmolens, dat soort dingen. Eerst hielp hij met flyers rondbrengen. Daarna zat hij in commissievergaderingen, en voor ik het wist was hij kandidaat-raadslid.

Ik was trots op hem. Dat ben ik eigenlijk nog steeds, op een bepaalde manier. Hij leest stukken, belt mensen terug, gaat echt luisteren bij bewoners die boos zijn over een plan. Hij kan daar heel geduldig in zijn. Onze dochter zegt weleens dat haar vader eindelijk ontdekt heeft dat hij beter met mensen kan omgaan dan hij zelf denkt.

Alleen is hij sinds die tijd ook overal ‘aan’.

Bij onze etentjes begon het klein. Els vertelde dat ze met haar dochter naar Barcelona was geweest en Henk zei dat vliegen voor een weekendje weg natuurlijk niet meer vanzelfsprekend kon zijn. Niet onaardig bedoeld, zei hij later tegen mij. Gewoon een feit.

Een andere keer had Theo het over de verbouwing van zijn keuken. Henk vroeg meteen of Theo wel wist hoeveel betaalbare huurwoningen er gebouwd konden worden voor wat mensen tegenwoordig aan een kookeiland uitgeven.

Theo lachte eerst nog. Hij zei: ‘Nou Henk, ik zal de aannemer bellen en vragen of hij er sociale woningbouw van kan maken.’ Iedereen lachte een beetje, maar Henk niet. Hij begon uit te leggen dat Theo het belachelijk maakte terwijl het een serieus probleem was.

Vanaf dat moment ging ik op donderdag al opletten. Als Paul zei dat hij met vervroegd pensioen wilde, zag ik Henk zijn mond al aanspannen. Als Marijke iets zei over haar kleinkinderen op een particuliere school, dacht ik: alsjeblieft, laat het gaan. Soms trapte ik onder tafel tegen zijn been. Dan keek hij me aan alsof ík degene was die vreemd deed.

Thuis kregen we er ruzie over.

‘Je doet alsof zij dom of egoïstisch zijn,’ zei ik een keer, terwijl ik de vaatwasser inruimde. ‘Alsof alles wat zij doen een voorbeeld is van wat er misgaat.’

Henk stond met zijn armen over elkaar bij het aanrecht. ‘En jij wilt dat ik mijn mond houd om de sfeer gezellig te houden.’

‘Nee. Ik wil dat je niet van elke avond een raadsvergadering maakt.’

Hij zei toen: ‘Dus als het moeilijk wordt, moet je maar gewoon doen alsof je niks ziet?’

Dat raakte me, juist omdat hij het oprecht meende. Henk is niet iemand die expres mensen kleineert voor zijn plezier. Hij denkt werkelijk dat hij verantwoordelijk is om dingen te benoemen. Alleen lijkt hij niet te begrijpen dat vrienden niet elke week bij elkaar komen om beoordeeld te worden op hun zonnepanelen, vakanties, vleesconsumptie of stemgedrag.

Ik heb hem ook niet altijd verdedigd. Dat moet ik eerlijk zeggen. Soms zei ik tegen de anderen: ‘Ach, hij zit er zo in tegenwoordig.’ Alsof hij een tijdelijke griep had. Ik lachte dingen weg waar ik eigenlijk van schrok. Misschien heb ik het daardoor te lang laten doorgaan.

Drie weken geleden ging het echt mis bij Paul en Els. Paul had te veel wijn op, Henk waarschijnlijk ook. Het ging over de opvang van asielzoekers in onze gemeente. Henk was daar niet eens tegen, maar hij vond dat de gemeente de buurt beter moest meenemen. Paul zei dat Henk altijd deed alsof alleen hij de dossiers las.

Henk antwoordde dat Paul vooral meningen had vanaf zijn terras in Frankrijk.

Het werd stil. Els begon borden op elkaar te stapelen terwijl we nog niet eens aan het dessert waren begonnen. Marijke keek naar haar servet. Theo zei iets als: ‘Nou jongens, zullen we niet doen alsof dit de Tweede Kamer is?’

Henk zei: ‘Nee, laten we vooral weer lekker wegkijken.’

We zijn die avond eerder weggegaan. In de auto zei ik niets. Henk ook niet. Thuis vroeg hij of ik hem soms ook laf vond. Ik zei dat ik moe was. Dat was laf van mij, denk ik.

Afgelopen vrijdag appte Ria of ik koffie wilde drinken. Niet bij haar thuis maar bij dat kleine lunchzaakje bij het station. Daar wist ik eigenlijk al genoeg van.

Ze zat er met Marijke en Els. Ze hadden het duidelijk voorbereid, maar ook weer niet goed genoeg, want Ria draaide haar lepeltje zo lang rond in haar cappuccino dat het schuim weg was.

Marijke zei: ‘We willen je niet kwijt, Lies. Echt niet.’

Ik voelde mijn keel dichtgaan voordat er nog iets ergs gezegd was.

Els vertelde dat ze al weken tegen de donderdag opzag. Theo wilde helemaal niet meer mee. Paul had gezegd dat hij Henk niet kon uitstaan, maar dat zei hij waarschijnlijk harder dan hij bedoelde. Of misschien ook niet.

Toen kwam het voorstel. Ze wilden doorgaan met de avonden, maar niet meer als vaste groep van acht. Ze hoopten dat ik gewoon zou blijven komen. Alleen, in elk geval voorlopig, zonder Henk.

Ik geloof dat ik eerst dacht dat ik het verkeerd verstond. Ik zei: ‘Maar hij is mijn man.’

Ria pakte mijn hand vast en zei: ‘Dat weten we. Maar jij bent ook onze vriendin.’

Ik heb niet gehuild daar. Dat deed ik pas thuis, in de bijkeuken, met mijn jas nog aan. Henk hoorde het natuurlijk. Hij vroeg wat er was en ik heb het verteld, veel rommeliger dan ik het nu opschrijf.

Hij werd niet boos op mij. Niet meteen. Hij werd heel bleek en ging aan tafel zitten. Daarna zei hij dat ze hem eruit wilden werken omdat hij niet braaf genoeg meepraat.

‘Ze vragen niet of jij wilt veranderen,’ zei ik. ‘Ze zeggen dat ze zich niet prettig voelen.’

‘En jij? Vind jij dat dan normaal? Dat jouw vrienden jou uitnodigen en mij verbieden?’

Dat woord, verbieden, bleef hangen. Want zo voelt het voor hem. Alsof ik mee moet doen aan zijn afwijzing als ik donderdag bij Marijke ga eten.

Hij zei dat een huwelijk betekent dat je naast elkaar staat, zeker als anderen één van jullie laten vallen. Ik zei dat naast iemand staan niet hetzelfde is als overal achter gaan staan. Daar kreeg ik meteen spijt van, omdat het zo kil klonk. Alsof ik hem niet meer wilde.

Sindsdien praten we vooral over praktische dingen. Over de boodschappen. Over een afspraak bij de tandarts. Hij gaat nog steeds naar vergaderingen en komt dan thuis met stapels papier onder zijn arm. Ik kijk naar hem en zie nog steeds de man die in 1998 een nacht op een plastic stoeltje in het ziekenhuis zat toen ik geopereerd was. De man die onze zoon hielp toen diens relatie stukliep. Het is niet alsof hij ineens een monster is geworden.

Maar donderdag is morgen.

Marijke heeft geappt dat er quiche is en dat ik nergens over hoef te praten als ik daar geen zin in heb. Henk heeft niets gezegd, maar vanmiddag vroeg hij wel of ik van plan was te gaan. Ik zei dat ik het nog niet wist.

De lasagne staat inmiddels weer in de koelkast. Ik heb hem eruit gehaald omdat invriezen ook weer zo definitief voelde. Henk zit in de woonkamer naar het journaal te kijken, harder dan normaal. Ik sta steeds op om iets te doen wat niet hoeft.

Ik weet nog niet of ik morgen mijn jas aantrek en naar Marijke fiets. Ik weet alleen dat ik bang ben dat ik, welke kant ik ook op ga, iemand verlies die al heel lang bij mijn leven hoort.