Na dertig jaar administratie moest ik kiezen tussen zekerheid en mezelf
Vorige maand zat ik op een dinsdagavond aan de keukentafel naar een online cursus Excel te kijken. Niet eens een moeilijke cursus, waarschijnlijk. Voor iemand die er dagelijks mee werkt. Maar er stond een man met een headset in beeld die in drie minuten uitlegde hoe je iets met draaitabellen deed, en ik kreeg het gewoon niet in mijn hoofd.
Ik had mijn laptop van mijn werk mee naar huis genomen, iets wat ik vroeger nooit deed. Ik werk al dertig jaar bij Van Laar Verpakkingen in Woerden. Middelgroot bedrijf, familiebedrijf. Toen ik daar begon, werden orders nog op papier ingevoerd en had de directeur een asbak op zijn bureau. Ik ben met alles meegegaan: fax, eerste computers, het boekhoudpakket, digitaal archief. Ik ben niet iemand die zegt dat vroeger alles beter was.
Maar die avond zat ik daar met koude koffie naast mijn laptop en voelde ik me ineens heel klein.
Mijn man Erik kwam binnen van zijn avonddienst bij de technische dienst van het ziekenhuis. Hij keek naar het scherm en vroeg of ik nog steeds met die cursus bezig was.
Ik zei: “Ik snap het wel, maar ik snap niet waarom ik dit thuis moet doen.”
Hij haalde zijn schouders op. “Omdat je het op je werk druk hebt, neem ik aan. Je hoeft er geen drama van te maken, Marjan. Straks ben je er handig mee.”
Dat was niet gemeen bedoeld. Erik is niet hard. Hij is juist altijd degene die de belastingaangifte doet, die uitzoekt welke energieleverancier goedkoper is en die onthoudt wanneer de hypotheekrente opnieuw vastgezet moet worden. Alleen kan hij soms naar een probleem kijken alsof het een lekkende kraan is: dichtdraaien, klaar.
Sinds vorig jaar hebben we een nieuwe manager op kantoor, Daan. Tweeëndertig, net overgekomen van een logistiek bedrijf in Utrecht. Hij is vriendelijk op een manier die ik moeilijk vind uit te leggen. Hij zegt vaak: “Super dat jij zoveel kennis hebt, Marjan,” en vijf minuten later maakt hij een opmerking over dat we niet in 1998 zijn blijven hangen.
Hij wil alles digitaliseren. Bonnen scannen, verlof via een app, facturen automatisch laten matchen, klantenportaal, dashboards. Op zich begrijp ik dat. Sommige dingen waren ook omslachtig. Alleen werd het gebracht alsof wij, de mensen die er al zaten, vooral vertraging waren.
Mijn collega’s zijn jonger. Noa is 27, Sjoerd 31, Femke 34. Ze zijn niet onaardig tegen me. Dat maakt het soms nog vervelender. Ze praten zachtjes met elkaar over Teams-kanalen en koppelingen waar ik niet bij ben geweest. Als ik vraag hoe iets werkt, draaien ze hun scherm iets mijn kant op en leggen het snel uit, terwijl ze ondertussen al half met hun hoofd bij het volgende zijn.
“Je moet gewoon even oefenen,” zei Noa laatst. “Dan gaat het vanzelf.”
Ik weet dat ze het niet verkeerd bedoelde. Maar ik voelde mijn wangen warm worden, alsof ik een kind was dat niet mee kon komen.
Daan had in januari een gesprek met mij ingepland. Officieel een ontwikkelgesprek. Hij had een document voorbereid met mijn naam erboven en allerlei woorden als ‘toekomstbestendig’ en ‘wendbaarheid’. Hij zei dat hij verwachtte dat iedereen zelfstandig online modules volgde buiten werktijd, omdat de overgang snel moest.
Ik vroeg of daar uren voor werden ingepland.
Hij keek even naar zijn scherm. “Nou, voor een deel kun je daar natuurlijk zelf verantwoordelijkheid in nemen. Het is ook investeren in je eigen inzetbaarheid.”
Daar zat ik dan, 58 jaar, dertig jaar geen dag te laat met de salarisverwerking, en ik moest blijkbaar bewijzen dat ik nog inzetbaar was.
Ik heb die avond thuis gehuild in de bijkeuken. Heel onhandig, met een zak aardappels die ik eigenlijk nog moest schillen. Erik kwam erbij staan en zei dat ik niet meteen moest denken dat ze me eruit wilden werken. Hij zei ook dat hij over twee jaar vervroegd met pensioen kan, als alles loopt zoals gepland. Dat was altijd ons idee. Dan zouden we misschien een paar weken met de caravan door Frankrijk gaan, niet luxe, gewoon rustig. Maar de hypotheek loopt nog vier jaar. We hebben ook nog een lening voor de badkamer gehad, die bijna is afbetaald.
“Jij kunt nu niet impulsief iets doen,” zei hij. “We hebben jouw salaris gewoon nodig.”
Daar had hij gelijk in. Dat maakte me nog bozer, want ik wilde dat hij ongelijk had.
Een paar weken geleden kreeg ik opnieuw een uitnodiging van Daan. Dit keer zat ook Hester van personeelszaken erbij. Ik voelde het al toen ik binnenkwam. Er stond een kan water op tafel met van die kartonnen bekertjes. Dat soort details onthoud je dan.
Daan zei dat ze hadden gekeken naar mijn functie in de nieuwe inrichting. Hij gebruikte het woord ‘passender’. Hij stelde voor dat ik minder uren zou gaan werken in een ondersteunende administratieve rol. Minder verantwoordelijkheid, minder klantcontact, en dus ook minder salaris. Ik zou dan vooral dossiers controleren en gegevens invoeren die door anderen waren voorbereid.
“Je ervaring blijft heel waardevol,” zei Hester.
Ik vroeg of dit betekende dat mijn huidige functie verdween.
Ze keken elkaar aan. Daan zei: “De functie zoals die nu is, verandert ingrijpend.”
Ik heb niets gezegd wat slim of sterk was. Ik zei alleen: “Dus ik mag blijven als ik kleiner word.”
Daan zuchtte toen een beetje. Niet overdreven, maar ik zag het. Hij zei dat hij het jammer vond dat ik het zo formuleerde.
Thuis vertelde ik het aan Erik. Hij was stil, wat bij hem meestal betekent dat hij aan het rekenen is. Daarna zei hij dat minder uren misschien juist goed was. Minder stress, toch inkomen, pensioenopbouw die niet helemaal stopt. Hij zei dat ik niet moest doen alsof een lagere functie een vernedering was.
Dat kwam hard aan. Ik weet ook wel dat mensen veel erger meemaken. Ik heb een nicht die na haar scheiding met twee kinderen in een huurwoning terechtkwam en drie banen had. Ik heb het goed, in veel opzichten. Maar ik wil niet de rest van mijn werkende leven elke ochtend naar binnen lopen met het gevoel dat ik dankbaar moet zijn dat ze nog een stoel voor me hebben.
Al jaren denk ik soms aan de zorg. Niet omdat ik romantische ideeën heb over werken in een verpleeghuis. Mijn moeder heeft de laatste maanden van haar leven in een hospice gelegen. De verzorgenden waren niet allemaal vrolijk en engelachtig; ze waren vaak moe, soms kortaf, maar ze zagen haar wel. Ze wisten dat ze haar thee zonder suiker wilde en dat ze onrustig werd als het raam dicht bleef. Ik vond dat zo bijzonder.
Ik heb gekeken naar een BBL-traject voor helpende zorg en welzijn. Dan verdien je weinig, zeker in het begin. Ik zou diensten moeten draaien, waarschijnlijk ook weekenden. Erik vindt het een slecht moment om met zoiets te beginnen. Misschien heeft hij gelijk. Ik weet niet eens of mijn rug het trekt of dat ik na drie maanden spijt krijg.
Maar afgelopen vrijdag heb ik tegen Daan gezegd dat ik zijn voorstel niet meteen accepteer. Ik heb advies gevraagd bij het Juridisch Loket en ik wil ook met een loopbaanadviseur praten. Daan keek alsof hij dat omslachtig vond. Misschien is het dat ook. Toch voelde het voor het eerst in maanden alsof ik niet alleen maar reageerde op wat anderen voor mij bedacht hadden.
Erik en ik praten er nog steeds stroef over. Gisteravond aten we stamppot andijvie en hadden we het vooral over de kapotte vaatwasser. Daarna zette hij de televisie aan. Ik zat op de bank met mijn telefoon en keek naar de site van het ROC, weer naar die opleiding.
De aanmelding sluit pas over zes weken. Mijn contract ligt nog niet op tafel. Dat is waar ik nu ben: tussen een Excel-cursus die ik alsnog zou kunnen afmaken en een formulier waarop ik mijn oude diploma moet uploaden.