Mijn man wil met de camper weg, maar onze beste vrienden voelen zich achtergelaten
De camper staat nog niet eens op de oprit, maar ik heb er al ruzie over gehad met mensen met wie ik normaal gesproken niet eens ruzie kán maken.
Ik ben 66, mijn man Kees is 67, en sinds vorig jaar zijn we allebei met pensioen. Nou ja, ik werkte al wat minder na mijn operatie aan mijn knie, maar Kees stopte echt van de ene op de andere dag bij de gemeente. Veertig jaar buitendienst. Altijd vroeg weg, altijd met koffie in een thermoskan, altijd klagen over de planning en toch nooit ziek thuisblijven.
De eerste weken vond hij het heerlijk. Hij ruimde de schuur op, ging op dinsdagochtend boodschappen doen alsof dat een uitje was, en ontdekte YouTube-filmpjes over motoronderhoud. Daarna werd hij onrustig. Niet depressief, denk ik. Meer alsof hij ineens nergens meer naartoe hoefde en daar niet goed tegen kon.
Toen kwam hij met het idee van een camper.
Niet een klein busje voor een paar weekenden Texel, maar echt zo’n integraal ding met een vast bed, een douche en een garage achterin waar volgens Kees ook twee elektrische fietsen in kunnen. Hij had advertenties uitgeprint. Uitgeprint, ja. Op de keukentafel lagen stapels papier met foto’s van campers in Brabant, Duitsland en ergens bij Apeldoorn.
‘We zijn nog fit,’ zei hij. ‘Als we het willen doen, moeten we het nu doen. Over vijf jaar kunnen we misschien alleen nog naar de caravan in Putten.’
Dat vond ik niet eens onredelijk. Ik ben vroeger ook graag weg geweest. Met de kinderen naar Frankrijk, later met z’n tweeën naar Italië. Maar Kees wilde niet drie weken weg. Hij wilde vanaf maart tot juni naar Spanje en Portugal, in de zomer thuis voor de kleinkinderen, en dan in september misschien weer zes weken richting Kroatië.
Ik zei dat ik daarover na moest denken.
Die zaterdag hadden we zoals bijna altijd gegeten met Henk en Marjan. We kennen hen sinds 1987. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar in groep drie. Eerst stonden we op het schoolplein wat te praten, later gingen we met z’n vieren kamperen, en uiteindelijk werd het een vast onderdeel van ons leven. Kerstavond deden we om en om. Als er iemand in het ziekenhuis lag, was de ander er. Toen mijn moeder in het verpleeghuis kwam, reed Marjan mee naar gesprekken waar ik alleen tegenop zag. Toen Henk drie jaar geleden zijn hartinfarct kreeg, sliep Kees bijna niet totdat hij weer thuis was.
We gingen elke woensdagavond bij elkaar koffie drinken. Niet altijd lang. Soms keken we alleen naar voetbal, soms werd er geklaagd over de kinderen of over de energierekening. Maar die woensdag stond gewoon vast. Het was een van die dingen waarvan je pas merkt hoe belangrijk het is als er iets aan verandert.
Kees vertelde over de camper tussen de andijviestamppot en de vla door. Hij was enthousiast, op zijn Kees-manier. Hij zei al dat Henk goed moest oefenen met videobellen, want anders zou hij ons alleen maar als een plafondlamp zien.
Henk lachte niet.
Marjan keek naar haar bord en vroeg: ‘Hoe lang willen jullie dan weg?’
Kees zei het gewoon. Maanden. Misschien ieder voorjaar. Misschien ook in het najaar, als het hier nat en donker wordt.
Er viel zo’n stilte die ik meteen voelde in mijn buik. Niet dramatisch, maar verkeerd. Alsof iemand per ongeluk een glas had omgestoten en niemand wist wie er een doekje ging pakken.
‘Nou,’ zei Henk uiteindelijk, ‘dat is wel een andere invulling van pensioen dan wij voor ogen hadden.’
Kees haalde zijn schouders op. ‘Daarom is het toch juist pensioen? Geen agenda meer die door een ander wordt bepaald.’
Marjan keek toen naar mij. Niet verwijtend, eerder alsof ze hoopte dat ik zou zeggen: zo hard loopt het niet. Ik zei niks. Ik wist zelf nog niet hoe hard het liep.
Na die avond kwam er bijna twee weken geen appje. Dat is belachelijk lang voor ons. Normaal sturen Marjan en ik elkaar foto’s van aanbiedingen bij de Lidl, van de kleinkinderen, van een rare lucht boven de straat. Henk en Kees hebben een groepsapp over klussen waar voornamelijk foto’s van gereedschap in staan.
Ik heb Marjan uiteindelijk gebeld. Ze nam pas na een tijdje op.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
Ze zei: ‘Ja hoor.’ En toen, na een stilte: ‘Nee, eigenlijk niet zo.’
Henk had het volgens haar moeilijker met zijn pensioen dan hij toegaf. Hij miste zijn collega’s van de technische dienst. Hij ging wel iedere ochtend wandelen, maar kwam dan vaak eerder terug dan gepland. Hun dochter woont in Zwolle, hun zoon in Den Bosch. Ze hebben twee kleinkinderen, maar zien die niet elke week. Die woensdagavonden, de vaste etentjes en in de zomer samen naar de markt, dat was voor hen blijkbaar veel meer houvast dan ik had beseft.
‘Jullie mogen natuurlijk doen wat jullie willen,’ zei Marjan. Dat zinnetje hoor je vaak vlak voordat iemand zegt dat het hem juist niet om toestemming gaat. ‘Maar het voelt alsof jullie een nieuw leven beginnen waarin wij af en toe een foto van een berg krijgen.’
Ik verdedigde Kees. Ik zei dat hij zijn hele leven gewerkt had en dit al jaren riep. Dat we niet ineens naar Australië emigreren. Dat er ook WhatsApp bestaat.
Toen zei Marjan heel zacht: ‘WhatsApp is geen woensdagavond, Els.’
Daar kon ik weinig tegenin brengen.
Kees werd boos toen ik het thuis vertelde. Niet schreeuwen, maar dat stugge van hem. Hij ging de vaatwasser inruimen terwijl hij eigenlijk wist dat ik dat al had gedaan.
‘Dus ik moet nu thuisblijven omdat Henk zich verveelt?’ zei hij.
‘Zo zeg ik het niet.’
‘Jawel. Ze vinden dat we toestemming moeten vragen om iets van ons eigen leven te maken.’
Daar had hij ook weer gelijk in, en dat maakte me nog bozer. Want niemand had een contract met ons afgesloten. Er stond nergens dat wij tot ons tachtigste iedere woensdag op dezelfde bank moesten zitten. Maar we hadden wel jarenlang tegen elkaar gezegd dat we er altijd voor elkaar zouden zijn. Blijkbaar had iedereen daar iets anders onder verstaan.
Vorige week zaten we opnieuw met z’n vieren aan tafel, nu bij ons. Kees had zich voorgenomen rustig te blijven. Henk had een fles wijn meegenomen die hij normaal alleen met kerst koopt. Dat vond ik al een slecht teken.
Marjan vroeg rechtstreeks of wij hun loyaliteit eigenlijk nog wel serieus namen.
Kees keek haar lang aan. Hij zei: ‘Natuurlijk wel. Maar loyaliteit is toch niet dat je nooit weg mag?’
Henk zei dat het daar niet om ging. Dat hij bang was dat alles wat vanzelfsprekend was ineens wegviel. Hij schaamde zich zichtbaar toen hij het zei. Henk is niet iemand die snel toegeeft dat hij mensen nodig heeft.
Ik zei toen iets wat misschien ook niet eerlijk was. Ik zei dat zij niet konden verwachten dat wij ons pensioen om hun eenzaamheid heen zouden bouwen. Meteen daarna zag ik Marjans gezicht dichtgaan. Ze zei alleen: ‘Nee. Dat verwachten we ook niet.’
Sindsdien voelt alles scheef.
Kees is gisteren naar een camper gaan kijken in Nijkerk. Hij kwam thuis met glimmende ogen en een folder over zonnepanelen op het dak. Ik heb gedaan alsof ik enthousiast was, omdat ik ook niet wil dat hij later zegt dat ik hem klein heb gehouden.
Maar vanmiddag zag ik dat Marjan in onze oude groepsapp een foto had gezet van de lege tafel bij De Roskam, waar we normaal na de markt koffie drinken. Alleen een kopje en een stuk appeltaart. Geen tekst erbij.
Ik heb er een hartje onder gezet. Meer durfde ik niet.
Volgende woensdag gaan we gewoon naar Henk en Marjan. Kees weet nog niet dat ik daarna wil voorstellen om niet meteen drie maanden weg te gaan, maar eerst vier weken. Niet als compromis dat alles oplost, want zo simpel is het niet. Eerder omdat ik zelf wil weten hoe het is om op een camping in Frankrijk wakker te worden en te merken wie ik mis.