Na veertig jaar vriendschap vroeg mijn beste vriendin me om haar man niets te vertellen
Ik mis vooral de donderdagen. Dat klinkt misschien idioot, maar donderdag was bij ons gewoon donderdagavond bij elkaar eten. Soms bij ons in Amersfoort, soms bij Henk en Marja in Soest. Niet chic. Een pannetje chili, een ovenschotel, een fles wijn die meestal al open was voordat iemand aan tafel zat. Daarna kaarten of gewoon te lang blijven praten over kinderen, kwaaltjes, de politiek, wat er weer duurder was geworden.
Mijn man Bas en ik kennen Henk en Marja sinds 1987. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar op zwemles. We zijn samen naar Frankrijk geweest toen de kinderen nog jong waren, later een paar keer met z’n vieren naar Texel en een keer naar Portugal. Henk was degene die Bas naar het ziekenhuis reed toen Bas zijn hartinfarct kreeg. Marja zat drie avonden per week bij mij op de bank toen mijn moeder in het verpleeghuis terechtkwam en ik nergens meer over kon praten zonder te huilen.
Dus als mensen zeggen: het zijn maar vrienden, dan snap ik dat nooit zo goed. Sommige vrienden zitten zo verweven in je leven dat je niet precies meer weet waar het ene gezin ophoudt en het andere begint.
Henk ging twee jaar geleden met pensioen. Hij had altijd bij Rijkswaterstaat gewerkt, projectleiding, veel vergaderen, veel onderweg. Hij zei eerst dat hij eindelijk rust wilde. Dat begreep ik wel. Maar na een maand of drie begon hij over ‘ontspullen’. Alles wat niet nodig was, moest weg. Eerst waren het dozen op zolder en oude tijdschriften. Daarna de tweede auto. Vervolgens de televisie uit de woonkamer. Hij las boeken over minder consumeren en stuurde links door over mensen die met honderd spullen leefden.
Op zich: prima. Hij was nooit iemand die veel geld over de balk gooide. Maar het werd steeds strakker. Geen etentjes meer buiten de deur, want dat was volgens hem ‘betalend gemak’. Geen verjaardagen met cadeaus. Geen vakanties met het vliegtuig. Hij wilde ook niet meer dat Marja koffie dronk op het terras met haar zus, omdat je thuis koffie had.
Bas maakte er eerst grappen over. ‘Straks mogen we zeker alleen nog op bezoek als we op de fiets komen.’ Henk lachte dan dunnetjes, maar hij meende het steeds meer.
Marja zei bijna niets waar Henk bij was. Ze knikte vooral. Soms zag ik haar blik naar mij gaan als hij weer uitlegde waarom een mens genoeg had aan twee truien en een doel in het leven. Dan kneep ze even haar lippen op elkaar. Ik dacht eerlijk gezegd dat zij er misschien gewoon aan moest wennen. Je bent na zo veel jaar getrouwd, je beweegt soms met elkaar mee. Dat doe ik met Bas ook, al zou ik zelf nooit vrijwillig naar iedere wedstrijd van FC Utrecht gaan.
In november stuurde Marja mij een berichtje: Kun je morgen even bellen als Henk naar zijn broer is?
Ik heb de hele avond tegen mijn telefoon aangekeken. Het voelde meteen niet goed, niet omdat Marja mij nooit iets toevertrouwde, maar omdat ze normaal gewoon belde.
De volgende middag zei ze vrijwel direct: ‘Ik wil een week weg, Els. Alleen. Of nou ja, niet echt alleen. Ik wil ergens zitten waar hij niet steeds vraagt of het wel nodig is dat ik een lamp aan doe.’
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Ze vertelde dat Henk inmiddels ook de verwarming lager zette dan zij prettig vond. Dat hij haar abonnement op de yogaschool onzin vond. Dat hij haar had gevraagd om haar kledingkast nog eens uit te zoeken, omdat ze volgens hem te veel opties had en daar onrustig van werd. Ze zei het allemaal zonder grote woorden. Juist daardoor kwam het harder aan.
‘Hij slaat me niet, hè,’ zei ze ineens. ‘Ik wil niet dat je dat denkt. Hij is gewoon… hij is helemaal dichtgeklapt. En ik moet blijkbaar in dat kleine hokje erbij zitten.’
Ik had via mijn zus toegang tot een klein vakantiehuisje bij Otterlo. Niet luxe, maar wel warm, met een bad en een bos erachter. Mijn zus zou er pas eind januari heen gaan. Marja vroeg of ik kon regelen dat ze daar een week terechtkon. Ze wilde Henk vertellen dat ze een paar dagen naar haar nicht in Zwolle ging. Die nicht wist ervan en vond het goed.
Ik zei ja. Meteen eigenlijk. Ik zei zelfs dat Bas en ik haar wel konden brengen, maar dat wilde ze niet. Ze wilde met de trein, met één kleine tas. Alsof ze bang was dat een koffer al te veel vragen zou oproepen.
Die week belde ze iedere avond even. De eerste twee dagen klonk ze bijna schuldig. Ze had een broodje gegeten bij een lunchroom in Hoenderloo en zei lachend dat ze daar twaalf euro voor had betaald, alsof ze een misdrijf opbiechtte. Op woensdag had ze in bad gelegen met een tijdschrift. Donderdag zei ze dat ze vooral had geslapen.
Ik was blij voor haar, maar ik voelde ook een knoop in mijn maag. Henk appte Bas ondertussen of wij zaterdag kwamen wandelen. Bas wist van het huisje, natuurlijk. Hij vond dat ik Marja moest helpen, maar hij zei wel: ‘Als dit uitkomt, zijn wij de boeman. Daar moet je niet licht over denken.’
Het kwam uit, op een knullige manier. Marja had een foto naar haar dochter gestuurd van een ree in de tuin. Haar dochter reageerde enthousiast in de familie-app waar Henk ook in zat. Niet eens kwaadwillend. Gewoon niet nadenken.
Henk belde mij diezelfde avond. Ik hoorde aan zijn ademhaling dat hij boos was, maar ook gekwetst.
‘Jij wist dit,’ zei hij.
Ik zei dat Marja mij in vertrouwen had genomen.
‘Ze liegt tegen mij en jij faciliteert dat.’
Dat woord, faciliteert, bleef hangen. Alsof ik een regeling had opgetuigd om hem dwars te zitten.
Ik zei dat Marja ruimte nodig had. Hij antwoordde dat ruimte prima was, maar dat je in een huwelijk geen geheime uitjes organiseert. Daar kon ik niet eens helemaal tegenin. Ik had ook liever gehad dat ze het hem gewoon had kunnen zeggen. Alleen wist ik inmiddels dat ze dat niet durfde, omdat elk gesprek volgens haar eindigde met Henk die uitlegde waarom haar behoefte verkeerd of onnodig was.
Twee dagen later zaten we bij hen aan de keukentafel. Er stond kruidenthee. Geen koekje, wat vroeger altijd anders was, maar dat detail irriteerde me misschien vooral omdat ik nerveus was.
Henk zei dat hij had besloten geen contact meer te willen als wij zijn keuzes niet respecteerden. Volgens hem hadden wij Marja opgestookt tegen een leven dat zij samen hadden gekozen.
Marja zat erbij met haar handen om haar mok. Ze zei bijna niets. Eén keer zei ze: ‘Ik heb dat niet samen gekozen, Henk.’ Zo zacht dat Bas mij aankeek om te checken of hij het goed had verstaan.
Henk werd rood. Hij zei dat ze altijd alles verdraaide zodra er publiek bij was.
Bas stond op en zei dat we beter konden gaan. Niet schreeuwen, niets dramatisch. Hij trok gewoon zijn jas aan. Ik bleef nog een paar seconden zitten, omdat ik Marja niet alleen wilde laten, maar juist daarmee leek ik het erger te maken. Zij keek niet op toen ik haar een kus op haar wang gaf.
Dat is nu zes weken geleden. De donderdagen zijn stil. Bas en ik eten soms veel te vroeg, omdat we geen rekening meer houden met wie nog moet komen. Henk heeft ons niet geblokkeerd of zo, maar hij reageert nergens op. Marja stuurt af en toe een los berichtje. Een foto van haar wandeling. Een vraag over een recept. Niets over thuis.
Vorige week schreef ze: Ik heb weer yogales genomen. Hij weet het. Hij vindt er wat van, maar ik ga toch.
Ik heb alleen teruggestuurd: goed zo. Daarna heb ik lang naar dat scherm gekeken. Want goed zo is eigenlijk veel te klein voor alles wat er tussen hen, en tussen ons, is gebeurd.
Donderdag maak ik waarschijnlijk stamppot. Bas houdt daar niet eens zo van, maar ik heb nog boerenkool in de koelkast. Misschien eten we aan tafel. Misschien voor de televisie, die bij ons gelukkig gewoon nog aan mag.