Na veertig jaar willen mijn vrienden dat ik zonder mijn man kom
De donderdagavond begint tegenwoordig al op woensdag in mijn hoofd. Dan denk ik: zullen we gaan, zal het rustig blijven, moet ik een smoes verzinnen?
Veertig jaar lang was donderdag juist de makkelijkste avond van de week. Sinds we in 1984 met een paar mensen uit onze straat begonnen met kaarten, zijn we eigenlijk altijd bij elkaar gebleven. Eerst met jonge kinderen die boven sliepen of door de woonkamer renden, later met pubers die ons belachelijk vonden omdat we nog steeds rummikub deden. Daarna kwamen de kleinkinderen, verbouwingen, ontslagen, scheidingen van anderen, begrafenissen van ouders. We zagen elkaar soms een paar weken minder, maar nooit echt niet.
Wij zijn nu nog met acht: mijn man Henk en ik, Els en Karel, Joop en Ria, en Pieter en Marjan. Om de beurt koffie, een glaasje wijn, borrelnootjes die altijd te snel op zijn. Niet bijzonder, maar het was van ons.
Tot Henk vorig jaar in het ziekenhuis terechtkwam.
Hij had een zware longontsteking en lag bijna drie weken opgenomen. Daarna ging zijn herstel niet zoals we allemaal hadden gehoopt. Fysiek is hij nog steeds sneller moe. Hij loopt met een stok als we verder moeten dan de supermarkt en hij hoort slechter, al zegt hij zelf dat iedereen gewoon binnensmonds praat.
Maar het ergste is eigenlijk dat hij anders reageert. Korter. Bozer. Alsof hij voortdurend ergens tegen vecht waar wij niets van zien.
De huisarts zei dat zo’n ziekenhuisopname, weinig zuurstof, slechte nachten en alles wat erna komt invloed kunnen hebben. Hij is ook bang geweest, dat weet ik wel. Henk, die vroeger alles repareerde en overal een mening over had, moest ineens geholpen worden met douchen. Daar schaamde hij zich dood voor. Maar begrijpen waarom het gebeurt, maakt het niet altijd makkelijker om ernaast te zitten.
De eerste keer dat het misging bij de groep was bij Joop thuis. Joop vertelde dat hij misschien toch een elektrische fiets wilde kopen. Henk zei meteen dat het onzin was, dat Joop al jaren niet fatsoenlijk fietste en dat hij waarschijnlijk binnen een maand tegen een paaltje zou rijden.
Iedereen lachte een beetje ongemakkelijk. Joop ook nog, maar ik zag dat hij rood werd.
Later die avond vroeg Marjan iets over onze kleindochter. Henk verstond haar niet goed en riep: “Praat eens normaal, mens.”
Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij best kon vragen of iemand iets wil herhalen. Hij keek me aan alsof ik hem voor de hele groep voor gek zette.
Daarna werden de avonden een soort werk. Ik lette op de stand van zijn glas, op onderwerpen waar hij zich aan kon ergeren, op gezichten van de anderen. Als Karel over politiek begon, probeerde ik er doorheen te praten. Als Ria iets vertelde over haar dochter, kneep ik soms onder tafel even in Henks arm, omdat ik al aan hem zag dat hij iets ging zeggen als: “Die meid maakt ook altijd een drama van alles.”
Dat deed hij dan alsnog.
Een maand geleden barstte het bij ons thuis los. Niet eens op donderdag, maar op een dinsdagmiddag. Els belde me. Ze zei dat ze liever even langs wilde komen dan het aan de telefoon bespreken.
Ik wist meteen genoeg.
Ze kwam zonder Karel, met een bos tulpen van de Lidl en zo’n gezicht alsof ze naar iemand toe moest die slecht nieuws had gekregen. We dronken thee aan de eettafel. Henk lag boven te slapen.
Els draaide haar kopje rond op het schoteltje. Toen zei ze: “Anja, ik vind dit zó moeilijk. Maar we missen jou. En we missen hoe het vroeger was.”
Ik zei niets. Ik denk dat ik alleen naar die tulpen keek.
Ze vertelde dat ze met z’n zessen hadden gepraat. Niet om Henk buiten te sluiten, zei ze er meteen bij. Maar ze voelden allemaal spanning voordat ze naar de donderdagavond gingen. Pieter had de laatste keer bijna ruzie met Henk gekregen, omdat Henk hem een hypocriet noemde toen hij iets zei over vluchtelingen. Ria was thuis gaan huilen nadat Henk haar had uitgelachen om haar knieklachten.
“Hij was vroeger nooit zo,” zei Els zacht.
Dat vond ik misschien nog het pijnlijkst. Omdat het waar was.
Toen kwam het voorstel: of ik voorlopig alleen wilde komen. Misschien af en toe overdag met Henk koffie drinken, één op één, als dat goed voelde. Maar de vaste avond, met de hele groep, liever zonder hem.
Ik heb het heel netjes aangehoord. Ik zei zelfs dat ik begreep dat het voor hen ook niet leuk meer was. Els pakte mijn hand vast en toen begon ik ineens te huilen. Harder dan ik wilde. Niet vanwege haar woorden alleen, maar omdat ik al maanden aan het doen was alsof alles met wat opletten nog te redden viel.
Henk werd wakker toen Els net weg was. Hij zag de tulpen en vroeg wie er was geweest. Ik heb nog een uur gewacht met vertellen. Toen kon ik het niet langer verbergen.
Hij werd eerst stil. Heel stil. Daarna zei hij: “Dus ik mag niet meer meedoen omdat ik ziek ben.”
Ik zei dat niemand dat letterlijk had gezegd.
“Maar dat bedoelen ze wel.”
Hij zat in zijn stoel, voorovergebogen, zijn handen om zijn knieën. Opeens zag hij er niet kwaad uit, maar oud. Oud en vernederd. Ik voelde me vreselijk.
Tegelijkertijd dacht ik aan Ria, die op de gang bij Pieter thuis haar jas aantrok en tegen mij fluisterde: “Ik trek dit niet meer, Anja.” Ik dacht aan Joop die de laatste weken nauwelijks nog iets vertelde. Aan mezelf, die op donderdagmiddag buikpijn kreeg.
Ik heb Henk gezegd dat zijn ziekte niet zijn schuld is, maar dat hij mensen wel pijn doet. Hij zei dat ik partij koos.
Misschien deed ik dat ook. Of misschien koos ik eindelijk voor iets waar ik zelf ook nog in voorkwam.
De donderdag erna ben ik niet gegaan. Ik kon het niet. Ik heb gezegd dat ik hoofdpijn had, wat kinderachtig is voor iemand van 68, maar ik wilde niet dat Henk wist dat ik zonder hem naar de anderen ging. Niet die eerste keer.
Een week later ben ik wel gegaan. Henk zei dat hij geen zin had om de hele avond alleen thuis te zitten terwijl ik “bij mijn nieuwe vriendengroep” ging zitten. Ik zei dat het onze vriendengroep was. Daar werd het niet beter van.
Bij Els thuis was iedereen extra aardig. Veel te aardig. Ze vroegen meteen hoe het met Henk ging, schonken koffie in en begonnen over de verbouwing bij Marjans dochter. Na een halfuur werd er voor het eerst weer echt gelachen. Niet hard, maar gewoon vanzelf. Ik merkte dat mijn schouders zakten en voelde me daar meteen schuldig over.
Toen ik thuiskwam, zat Henk in het donker voor de televisie. De afstandsbediening lag op de grond. Hij zei niet dat hij boos was. Hij vroeg alleen of het gezellig was geweest.
Ik zei: “Ja.”
Dat ene woord hing veel langer tussen ons in dan ik had verwacht.
We hebben nu afgesproken dat ik voorlopig twee keer per maand ga. Henk vindt het nog steeds afschuwelijk. Soms zegt hij dat hij begrijpt dat ik eruit moet, en een dag later gooit hij eruit dat ik hem laat vallen zodra hij lastig wordt. Ik weet dat hij bang is dat zijn wereld kleiner wordt. De mijne wordt dat ook, als ik eerlijk ben.
Els heeft voorgesteld om komende zondag met z’n tweeën koffie te komen drinken. Henk zei eerst nee. Gisteren vroeg hij wel hoe laat ze dachten te komen.
Ik durf daar nog niets achter te zoeken. Ik heb koekjes gehaald, van die roomboterkrakelingen waar Henk altijd te veel van eet. En donderdag ga ik weer naar Ria. Alleen. Met mijn jas aan de kapstok tussen alle andere jassen, zoals vroeger, maar toch ook helemaal niet zoals vroeger.