Na 32 jaar vriendschap wilde ik verhuizen, maar zij vond dat ik haar achterliet

Ik heb vorige week voor het eerst de winterbanden onder de auto laten zetten terwijl ik eigenlijk nauwelijks nog ergens heen hoef. Dat klinkt misschien als een onbenullig detail, maar sinds we in Oost-Groningen wonen, voelt alles wat vroeger dichtbij was ineens als een kleine expeditie. De bouwmarkt, de huisarts, onze dochter in Zwolle, en dus ook Marijke en Theo.

Voorheen woonden we twaalf minuten fietsen van hen vandaan, in Amersfoort-Zuid. Twee straten verder, eigenlijk. We hadden geen sleutel van hun huis meer nodig, want we liepen gewoon achterom. Dat soort mensen waren we voor elkaar.

Met Marijke en Theo zijn we al tweeëndertig jaar bevriend. We leerden elkaar kennen op de camping in Frankrijk, toen onze oudste kinderen nog klein waren en Theo per ongeluk onze koelbox had meegenomen omdat hij precies dezelfde had. Daar begon het mee. Daarna kwamen de gezamenlijke vakanties, de verjaardagen, de kinderen die bij elkaar bleven slapen, de zondagen waarop niemand echt had afgesproken maar er om vijf uur toch vier borden extra op tafel stonden.

Toen mijn vrouw Ellen borstkanker kreeg, waren zij er. Niet op een grootse, filmachtige manier. Theo reed mij naar het ziekenhuis toen ik na de operatie van Ellen te misselijk en te moe was om zelf te rijden. Marijke zette pannen soep voor de deur zonder aan te bellen, omdat Ellen geen bezoek wilde. Toen Theo een jaar later zijn baan bij de bank verloor, heb ik hem geholpen met zijn cv, hoewel hij daar zelf veel te trots voor was.

We noemden elkaar voor de grap familie. Blijkbaar was dat voor Marijke geen grap.

Ik ben vorig voorjaar met pensioen gegaan. Ik had vijfendertig jaar bij dezelfde installateur gewerkt, eerst op de werkvloer en later als uitvoerder. Niet eens een hekel aan gehad, maar ik had altijd het gevoel dat mijn leven vol afspraken zat die anderen maakten. Planning, oplevering, storingen, ouders van de kinderen, later de kleinkinderen, verjaardagen waar je heen moest omdat je anders gedoe kreeg.

Ellen en ik hadden al jaren een beetje naar het noorden gekeken. Niet omdat we Amersfoort vreselijk vonden. Juist niet. Maar ons huis was te groot geworden, de straat drukker, de huizenprijzen belachelijk. En Ellen wilde tuin. Geen postzegel met twee terrastegels en een schuurtje, maar grond, lucht, stilte.

Toen we een vrijstaand huisje bij Winschoten zagen, met een oude appelboom en uitzicht over weilanden, dacht ik vooral: nu kan het nog. Als we wachten tot we minder mobiel zijn, gaan we het nooit doen.

We hebben het Marijke en Theo verteld voordat we een bod deden. Bij hen aan tafel, met wijn en borrelnootjes. Ik weet nog dat Marijke eerst heel stil werd. Theo zei: “Godsamme, dat is wel een eind weg.” Daarna begon hij over de treinverbinding, alsof hij daarmee de schade kon beperken.

Marijke zei die avond nauwelijks iets. Toen we weggingen omhelsde ze Ellen lang en mij kort. Ik dacht: ze moet wennen. Logisch ook.

De weken daarna werd ze stiller. In onze groepsapp reageerde ze met duimpjes waar ze vroeger hele verhalen stuurde. Als Ellen belde, nam ze soms niet op. Ik vond het eerlijk gezegd irritant. Niet omdat ze verdriet had, dat begreep ik best. Maar omdat ze ons behandelde alsof wij haar iets aandeden.

De ontploffing kwam op een woensdagmiddag, in ons oude huis, tussen half ingepakte dozen. Theo was er niet bij. Hij had volgens Marijke een afspraak bij de fysiotherapeut, maar ik denk dat hij wist dat dit gesprek eraan kwam.

Marijke stond in de keuken met haar jas nog aan. Ellen zette koffie, maar Marijke raakte haar kopje niet aan.

Ze zei: “Jullie doen alsof dit alleen over een huis gaat. Maar jullie trekken gewoon een stuk van mijn leven weg.”

Ellen begon meteen te huilen. Dat gebeurt niet vaak, en ik weet dan nooit goed wat ik moet doen. Ik zei dat we toch niet uit de wereld verdwenen, dat we konden bellen, videobellen, dat zij welkom waren en wij ook echt wel terug zouden komen.

“Dat is niet hetzelfde en dat weet je,” zei Marijke.

Daar had ze natuurlijk gelijk in. Alleen, wat moest ik daar dan mee?

Ze vertelde dat Theo sinds zijn hartproblemen minder onderneemt. Niet ernstig genoeg voor ziekenhuisgedoe, maar hij is voorzichtiger geworden. Hij zegt vaker af. Marijke had haar vrijwilligerswerk bij de bibliotheek opgegeven toen haar moeder ziek werd, en na het overlijden van haar moeder was ze daar nooit meer teruggegaan. Ik wist dat allemaal wel, maar blijkbaar niet hoe kaal haar dagen soms waren.

“Jullie zijn mijn vaste grond,” zei ze. “Jullie weten alles. Ik hoef bij jullie niet opnieuw uit te leggen wie ik ben.”

Dat kwam wel binnen. Ik voelde me meteen schuldig, en tegelijk ook boos. Want ik wilde niet iemands vaste grond zijn op een manier waardoor ik niet meer mocht verhuizen.

Toen zei ze iets wat ik eerst niet goed begreep. “Misschien moeten wij dan ook maar die kant op. Als dit blijkbaar is wat nodig is om vrienden te blijven.”

Ik zei: “Marijke, doe niet zo raar.”

Dat was dom. Niet omdat ik vond dat het een goed idee was, dat vond ik absoluut niet, maar omdat ik haar daarmee wegzette alsof ze hysterisch deed.

Ze keek me aan op een manier die ik nog nooit had gezien. Koud, bijna beschaamd.

“Raar?” zei ze. “Jij verwacht dat ik na tweeëndertig jaar gewoon accepteer dat jullie beslissen hoe vaak we elkaar nog zien.”

Ik antwoordde dat zij niet mee hoefde te beslissen over waar wij wonen. Dat klonk hard, maar ik meende het. Ik ben zestig. Ellen is achtenvijftig. Als wij nog iets nieuws willen doen, dan moet het nu. Niet over tien jaar, wanneer alles alleen maar draait om doktersafspraken en oppassen.

Marijke pakte haar tas en zei dat ze Theo wel zou vertellen dat wij het blijkbaar prima vonden om ‘af en toe bezoek’ te worden.

Daarna hebben we elkaar bijna zes weken niet gesproken.

Theo stuurde mij uiteindelijk een bericht: dat hij tussen ons in zat, dat hij Marijke niet helemaal ongelijk kon geven, maar dat hij ook begreep dat ik gek werd van het idee dat ik toestemming moest vragen om te verhuizen. We hebben gebeld. Niet lang. Hij klonk ouder dan ik hem kende.

Sinds we hier wonen, zijn ze één keer geweest. Ze bleven twee nachten. Het was ongemakkelijk in het begin. Marijke vond de afstand vreselijk en het huis te stil. Tegelijk zat ze de tweede ochtend met Ellen onder een deken in de tuin, koffie te drinken, alsof er niets aan de hand was.

Bij het weggaan zei ze niet dat ze het begreep. Ik ook niet dat ik sorry had moeten zeggen op een andere manier. We omhelsden elkaar wel.

Gisteren stuurde ze een foto van de nieuwe leesclub waar ze naartoe is geweest. Alleen een foto van drie vrouwen aan een tafel in een café, met erbij: ‘Was eigenlijk best gezellig.’

Ik heb teruggestuurd dat ze er goed uitzag. Daarna heb ik veel te lang naar het scherm zitten kijken voordat ik de telefoon weglegde.