Na dertig zomers durfde ik onze vrienden niet te vertellen dat we die vakantie niet meer konden betalen
De foto’s van vorig jaar staan nog steeds op mijn telefoon. Acht mensen aan een lange tafel in Puglia, onder van die lampjes die je overal op Instagram ziet. Jan met een te grote zonnebril op, Marijke die alweer een tweede fles rosé bestelde, mijn man Peter die met blote voeten naar binnen liep omdat hij zijn slippers bij het zwembad had laten liggen.
We doen dit al dertig jaar. Eerst waren het goedkope huisjes in de Ardèche, toen onze kinderen klein waren en we de boodschappen bij de Lidl haalden omdat dat toen nog een soort sport was. Later werden de vakanties steeds luxer. Niet eens omdat iemand dat hardop eiste, maar het schoof op. Een huis met een zwembad. Privébadkamers. Vliegen in plaats van twee dagen in de auto. De laatste jaren boekte Marijke meestal iets via een site waar ik de naam nooit kan onthouden, met een kok die op verzoek kwam koken en een olijfgaard erbij.
Ik vond het allemaal heerlijk. Dat is ook het eerlijke verhaal.
Alleen dit jaar kon het niet meer.
Peter had vorig najaar zijn klusbedrijf moeten stoppen. Hij was altijd zelfstandig elektricien geweest, van die man die overal wel werk voor had. Maar na zijn schouderoperatie bleef het herstel tegenvallen. Hij kon niet meer hele dagen boven zijn hoofd werken, niet steeds ladders op en af. Ondertussen was er nog een naheffing van de Belastingdienst waar we geen rekening mee hadden gehouden. En onze dochter Femke was na haar scheiding tijdelijk bij ons ingetrokken met onze kleinzoon. Daar hadden we graag ruimte voor gemaakt, maar het betekende wel dat we maandenlang alles betaalden zonder er goed over na te denken.
Geen ramp, zei Peter steeds. We redden ons wel.
Dat deden we ook, technisch gezien. De hypotheek ging gewoon door, er stond eten op tafel en we hoefden niet naar de Voedselbank. Maar die vakantie van bijna drieduizend euro per persoon, nog zonder de vluchten en uit eten, was er niet meer.
De groepsapp begon al in januari. Marijke stuurde links naar villa’s op Mallorca. Karin wilde liever Griekenland. Jan vond dat we ‘wel weer eens iets echt moois verdienden’. Er kwamen foto’s voorbij van terrassen, infinity pools en slaapkamers met witte lakens waar ik alleen maar aan kon denken: hoeveel kost zo’n bed eigenlijk per nacht?
Peter zei op een avond: “We moeten gewoon met iets anders komen.”
Hij had een huisje gevonden in de Vogezen. Geen villa, maar een groot vakantiehuis met acht slaapkamers. Er was een zwembad, zij het zo’n opzetbad op het gras, en het dorpje lag op tien minuten rijden. Nog geen negenhonderd euro per stel voor twee weken.
“Het is ook mooi daar,” zei hij. “Lekker wandelen, goed eten. We hoeven toch niet elk jaar te doen alsof we in een reisgids wonen?”
Ik wist precies wat hij bedoelde. En ik vond het voorstel eigenlijk niet verkeerd. Misschien zelfs wel verfrissend. Maar ik kende onze groep. Niet omdat ze vreselijke mensen zijn. Juist niet. Ze zijn gul, grappig, loyaal. Toen mijn moeder overleed, stonden ze allemaal op de crematie. Toen Jan prostaatkanker had, reden we om de beurt met hem naar het ziekenhuis als Marijke niet kon.
Maar ze houden ook van comfort. En van het idee dat we het allemaal goed voor elkaar hebben.
Peter zette zijn link in de app met de tekst: ‘Misschien dit jaar eens iets anders? Lijkt ons eigenlijk heerlijk.’
De eerste reactie kwam van Karin: ‘Oei, wel echt een andere richting haha.’ Daarna een paar minuten niets. Ik zat naast Peter op de bank en zag dat hij telkens zijn telefoon pakte en weer neerlegde.
Marijke schreef: ‘Ik snap de charme, maar voor mij is twee weken Frankrijk in een eenvoudig huis niet echt waar ik nu naar uitkijk. We hebben toch altijd gezegd: liever iets duurder en dan goed?’
Jan reageerde met een duimpje op haar bericht. Dat kwam harder aan dan het waarschijnlijk bedoeld was.
Peter typte iets, verwijderde het, typte opnieuw. Uiteindelijk schreef hij: ‘Het hoeft niet luxe om goed te zijn.’
Daarna ging het snel. Niet agressief, maar juist dat nette, beheerste gedoe waar je je nog kleiner door voelt. Karin zei dat het misschien beter was als niet iedereen altijd hetzelfde hoefde te willen. Marijke zei dat ze niet wilde doen alsof het alleen om een zwembad ging, maar dat de vakantie voor haar een moment was waarop ze nergens over hoefde na te denken. Jan zei: ‘We bewegen al jaren met elkaar mee, maar dit voelt wel alsof we ineens terug moeten naar vroeger.’
En toen kwam de zin die ik sindsdien steeds opnieuw lees, hoewel ik de app inmiddels heb gearchiveerd.
‘Misschien bewegen jullie gewoon niet meer mee met de groep.’
Hij kwam van Els. Els, die ik nog ken van de peuterspeelzaal. Ik weet dat ze het waarschijnlijk niet eens hard wilde zeggen. Zij is altijd direct, soms lomp zonder dat ze het doorheeft. Maar ik voelde mijn gezicht warm worden alsof ik betrapt was.
Peter zei niets. Hij stond op, deed de vaatwasser open terwijl die al schoon was en begon glazen in te ruimen. Ik zag aan hem dat hij kwaad was, maar vooral gekrenkt.
“Ze hoeven toch niet mee?” zei hij uiteindelijk.
“Nee,” zei ik.
Maar dat was niet waar het over ging. Als wij niet meegingen, zouden zij gewoon naar Mallorca gaan. Misschien zouden ze ons missen, misschien zouden ze na twee dagen alweer in hun vaste ritme zitten. En wij zouden hier blijven, met een folder van de Vogezen op tafel en de wetenschap dat we niet alleen een vakantie oversloegen.
Twee dagen later belde Marijke me. Ik nam eerst niet op. Toen belde ze nog eens.
Ze klonk voorzichtig. “Sas, is er iets? Want Peter doet zo raar. En jij ook eigenlijk.”
Ik had me voorgenomen het niet te zeggen. Ik wilde zeggen dat we gewoon eens iets anders wilden, dat we geen zin hadden in Mallorca, dat die hele luxe ons tegenstond. Maar ineens hoorde ik mezelf zeggen: “We kunnen het niet betalen, Marijke.”
Daarna zei niemand iets. Ik hoorde bij haar thuis een kraan lopen. Of misschien was het de vaatwasser, ik weet het niet.
“Ach lieverd,” zei ze uiteindelijk, veel zachter dan ik had verwacht. “Waarom zeg je dat niet gewoon?”
Ik werd daar juist boos van. Niet op haar alleen. Op mezelf, op Peter, op de afgelopen maanden waarin ik bij de Albert Heijn steeds rekende of ik nog wel een stukje zalm kon meenemen. “Omdat ik geen liefdadigheidsvakantie wil,” zei ik. “Omdat ik niet wil dat jullie gaan doen alsof het niets is en vervolgens voor ons bijleggen.”
Dat ontkende ze niet meteen. Dat vond ik bijna nog erger.
Ze zei dat ze het met de anderen wilde bespreken. Ik heb gezegd dat ik dat niet wilde. Peter wist op dat moment nog niet eens dat ik haar had verteld hoe het zat. Ik had geen behoefte aan een groepsapp vol hartjes, goedbedoelde aanbiedingen en mensen die ineens gingen zeggen dat een vakantie ook best simpel kon, terwijl ze een week eerder nog over een privéchef praatten.
Peter was eerst woedend toen ik het vertelde. Hij zei dat ik hem voor schut had gezet. Later, na het eten, zei hij dat hij misschien zelf ook wel moe was van doen alsof alles normaal was. We hebben die avond nauwelijks gepraat. Femke vroeg vanuit de keuken of alles goed ging en ik zei automatisch ja.
De anderen gaan nu in juni naar Mallorca. Wij gaan in september een week naar de Vogezen, met onze eigen auto. Peter heeft het huisje alsnog geboekt, maar dan een kleiner huisje voor twee. Er is geen zwembad. Wel een terras met uitzicht op een dal, volgens de foto’s.
Marijke stuurde vorige week een berichtje: ‘Ik hoop dat jullie meegaan als we volgend jaar iets plannen. Echt.’ Ik heb teruggestuurd dat ik dat ook hoop.
Dat meen ik. Alleen weet ik nog niet of ik dan weer aan die lange tafel kan zitten zonder te denken aan wat iedereen denkt dat wij ons kunnen veroorloven.