Mijn beste vriend wil samenwonen nu ik eindelijk tijd voor mezelf krijg
Vorige donderdag lag er een half afgemaakt vogelhuisje op mijn werkbank toen Geert belde. Niet eens iets bijzonders, gewoon zo’n kastje van underlayment dat ik voor mijn nichtje wilde maken. Maar ik stond daar in de schuur, met zaagsel op mijn trui en de radio zacht aan, en ik zag zijn naam op mijn scherm. Ik heb hem twee keer laten overgaan voordat ik opnam.
Daar schaam ik me nog steeds een beetje voor.
Geert en ik kennen elkaar sinds 1983. We zaten bij elkaar in de ploeg bij een metaalbedrijf in Schiedam. Ik was 22, hij 23, allebei net op onszelf en allebei meer bluf dan verstand. Hij was degene die mij meenam naar biljarten in café De Kroon. Ik was degene die zijn eerste Opel Kadett een halve zondag lang aan de praat probeerde te krijgen, terwijl achteraf bleek dat er gewoon geen benzine meer in zat.
We zijn altijd vrienden gebleven, ook toen we andere banen kregen. Ik ben uiteindelijk bij de gemeente in de buitendienst terechtgekomen, Geert bij een technische groothandel. Hij is nooit getrouwd. Wel een paar relaties gehad, maar niks hield lang stand. Ik ben twaalf jaar geleden gescheiden van Anita. Geen groot drama, eerder een huwelijk dat langzaam stiller werd. Onze dochter woont met haar gezin in Zwolle en we zien elkaar prima, maar niet elke week.
Dus Geert en ik waren er een beetje voor elkaar. Elke woensdag biljarten, elk jaar een weekje naar de Ardennen of Drenthe, soms naar Duitsland voor een kerstmarkt. Niet omdat we niets anders hadden, maar omdat het gewoon zo gegroeid was.
Sinds ruim een jaar heeft Geert last van zijn handen, knieën en heupen. Eerst zei hij nog dat hij stijf was van het tillen op zijn werk. Later kwam de huisarts met artrose. Hij kan nog wel lopen en autorijden, laat ik dat vooropstellen. Het is niet zo dat hij hulpbehoevend is. Maar dingen kosten hem meer moeite. Een wandeling van tien kilometer doet hij niet meer. Na een middag klussen is hij twee dagen beroerd. En vooral: hij gaat steeds minder de deur uit.
Bij biljarten merk ik het aan kleine dingen. Hij gaat eerder zitten. Hij bestelt geen tweede biertje meer omdat hij dan ’s nachts drie keer naar de wc moet. Hij zegt vaak dat hij moe is, maar als ik vraag waarvan precies, haalt hij zijn schouders op.
Ik ga over vijf maanden met pensioen. Ik tel de weken eerlijk gezegd af. Niet omdat ik mijn werk haat, maar omdat mijn lijf ook niet meer het oude is en ik al jaren dingen uitstel. Houtbewerking bijvoorbeeld. In mijn huidige schuur kan ik amper draaien als mijn werkbank en fiets er staan. Ik heb een oud bedrijfspandje op het oog aan de rand van het dorp, samen met een kennis die daar zijn motor wil stallen. Niet groot, maar voor mij zou het fantastisch zijn: een goede zaagtafel, ruimte voor een draaibank, misschien eindelijk die eettafel maken die ik al jaren in mijn hoofd heb.
Toen ik het Geert vertelde, zei hij eerst: “Nou, dan weet ik waar jij straks zit.” Hij lachte erbij, maar ik hoorde iets anders in die opmerking.
Daarna begon hij vaker te vragen of ik wilde blijven slapen. Zijn huis staat in Capelle, twintig minuten rijden van mij. De eerste keer was na het biljarten. Hij had die dag veel pijn gehad en zag er grauw uit. Ik bleef op de bank slapen, geen punt. De tweede keer had hij soep gemaakt en zei hij: “Het is toch gezelliger dan in je eentje naar huis rijden?”
Ook geen punt, dacht ik.
Maar het werd bijna iedere week. En als ik zei dat ik thuis nog iets wilde doen, werd hij stil. Niet boos op een duidelijke manier. Meer: “Ja hoor, ik snap het wel. Jij hebt tenminste nog plannen.” Dat soort zinnen.
Ik ben niet goed in dat directe gedoe. Ik ga dan grappen maken of over voetbal beginnen. Soms bleef ik alsnog, terwijl ik eigenlijk geen zin had. Daarna lag ik wakker op zijn bank, omdat hij snurkt en omdat ik me dan een rotzak voel dat ik er niet wil zijn.
Een maand geleden stelde hij voor om samen een appartement te huren. Hij had iets gezien in een nieuwbouwcomplex bij het winkelcentrum. Twee slaapkamers, lift, gezamenlijke kosten lager dan twee losse woningen. Hij zei dat het praktisch was. We konden op elkaar letten. Misschien een gezamenlijke hobbyruimte beneden, als we geluk hadden.
Ik dacht eerst dat hij een grap maakte.
“Geert, ik wil juist een werkplaats,” zei ik.
“Dat kan toch nog steeds?”
“Ja, maar ik wil ook gewoon mijn eigen huis houden. Mijn eigen rommel. Mijn eigen tijden. Ik heb veertig jaar gewerkt. Ik wil niet weer rekening moeten houden met wie er in de badkamer staat of wanneer iemand televisie kijkt.”
Hij keek toen naar zijn handen op tafel. Zijn vingers waren dik rond de knokkels. “Dus ik ben nu al een last?”
Dat heb ik niet gezegd. Maar ik snap ook dat het zo klonk.
Afgelopen zondag ben ik met mijn dochter en haar gezin een weekend naar een huisje bij Dwingeloo geweest. Mijn kleinzoon Mees was jarig en mijn dochter had het al in januari geregeld. Geert wist dat eigenlijk wel. Toch appte hij vrijdagavond, toen ik net mijn tas aan het inpakken was: Ben je morgen thuis? Ik zou wel even koffie willen drinken.
Ik antwoordde dat ik weg was.
Daar kwam een tijdje niks op. Toen: O ja. Veel plezier dan.
Die drie woorden kunnen heel gewoon zijn, maar ik kende hem te goed. Zaterdagavond belde ik hem vanaf het vakantiepark. Hij nam niet op. Zondag pas stuurde hij: Was druk. Geen zorgen.
Woensdag bij het biljarten was hij er wel. Hij speelde slecht. Ik ook, omdat ik de hele tijd op hem lette. Na een tijdje zei hij ineens: “Je had me anders ook mee kunnen vragen. Ik hoef niet de hele dag met jullie mee te rennen.”
Ik zei dat het een verjaardag met mijn dochter was en dat het huisje maar drie slaapkamers had. Dat was waar, maar het klonk meteen als een administratieantwoord.
“Nee, natuurlijk niet,” zei hij. “Ik hoor er niet bij. Duidelijk.”
Toen werd ik kwaad. Niet eens netjes kwaad.
Ik zei: “Geert, je kunt niet verwachten dat ik overal mijn agenda omheen bouw. Ik ga niet verhuizen omdat jij bang bent om alleen te zijn. Ik ben je vriend, geen partner en ook geen mantelzorger.”
Hij werd heel wit. Hij zei alleen: “Dat laatste wist ik al wel.” Daarna pakte hij zijn jas en ging weg. De anderen aan de tafel deden alsof ze heel geïnteresseerd waren in de stand op het bord.
Sindsdien hebben we weinig contact. Maandag stuurde ik hem een bericht dat het me speet dat ik zo hard was. Hij antwoordde pas de volgende ochtend: Ik moet ook wennen aan hoe het nu is.
Dat vond ik bijna erger dan wanneer hij me had uitgescholden.
Ik heb die werkplaats nog niet definitief genomen. Niet alleen door Geert, ook omdat het toch een hoop geld is en ik straks van mijn pensioen moet rondkomen. Maar ik merk dat ik er nu anders naar kijk. Alsof iedere plank hout die ik zou kopen, een bewijs wordt dat ik hem in de steek laat.
Tegelijkertijd: als ik die ruimte niet neem omdat ik bang ben voor zijn reactie, krijg ik daar misschien ook spijt van. En dan wordt Geert uiteindelijk de schuldige in mijn hoofd, terwijl hij niet gevraagd heeft om artrose of om alleen te wonen.
Vanavond is het woensdag. Normaal vertrekken we rond half acht naar De Kroon. Ik heb mijn keu al uit de kast gehaald, wat eigenlijk belachelijk is, want ik weet niet eens of hij komt. Zijn stoel staat bij mij in de gang, omdat hij hem vorige maand hier had laten staan na een barbecue.
Ik heb hem net geappt: Ik ga wel. Als je zin hebt, haal ik je om kwart over zeven op.
Nog geen reactie. De koffie is inmiddels koud geworden.