Ik werd de mantelzorger van mijn beste vriendin, en thuis begon mijn eigen huwelijk te schuiven
Ik heb gisteren voor het eerst in bijna vier maanden weer een hele avond op de bank gezeten zonder mijn telefoon naast me. Niet omdat het rustig was in mijn hoofd, maar omdat Theo hem na het eten voorzichtig van tafel pakte en in de keuken op het aanrecht legde.
“Als er echt iets is, belt Henk wel,” zei hij.
Ik wist dat hij gelijk had. Ik haatte hem daar op dat moment om.
Marijke en ik kennen elkaar sinds 1987. Onze jongens zaten bij elkaar in groep drie, wij stonden allebei op woensdag bij het hek te wachten en raakten aan de praat over een kapotte regenbroek en de toen nog nieuwe supermarkt aan de rand van het dorp. Zo begint het blijkbaar. Eerst koffie na school, toen verjaardagen, later elk jaar een week naar Zeeland of Limburg met z’n vieren. Theo en Henk konden uren praten over fietsen, voetbal en dingen aan de caravan die volgens mij nooit helemaal kapot waren, maar toch steeds vervangen moesten worden.
Toen de kinderen uit huis gingen, bleven wij over. Niet zielig bedoeld, juist fijn. Eerste kerstdag bij ons, tweede kerstdag bij hen. Elke vrijdag een wijntje, soms met bitterballen uit de airfryer, soms alleen een zak borrelnootjes. We noemden elkaar weleens gekscherend familie, al is dat natuurlijk makkelijk gezegd zolang iedereen gezond is en zijn eigen boodschappen nog kan tillen.
Vorig najaar kreeg Marijke de uitslag. Alvleesklierkanker, uitgezaaid. Ik schrijf het nu op en nog voelt het als een zin die over iemand anders gaat. Ze was 62, wandelde drie keer per week, nooit echt ziek. De eerste weken waren één grote mist van gesprekken, onderzoeken en lijstjes. Henk zat bij het ziekenhuisgesprek naast haar en zei bijna niets. Op de terugweg naar huis miste hij twee keer dezelfde afslag. Marijke vertelde me dat later, heel nuchter, alsof het over het weer ging.
“Hij is gewoon in paniek,” zei ze. “Maar iemand moet wel onthouden wanneer ik bloed moet prikken.”
Dus ik maakte een foto van de afsprakenkaart en zette alles in mijn agenda. Dat was nog overzichtelijk. Daarna haalde ik een keer boodschappen omdat zij misselijk was. Ik verschoonde haar bed toen ze na een chemo niet op tijd de wc haalde. Ik ging mee naar het ziekenhuis omdat Henk bij de balie begon te huilen toen hem werd gevraagd of hij een begeleiderpas wilde.
Er was geen moment waarop iemand zei: vanaf nu doet Els dit allemaal. Het schoof erin. Zoals water onder een deur doorloopt.
Henk is geen slechte man. Dat wil ik echt zeggen. Hij heeft veertig jaar in een drukkerij gewerkt, altijd voor iedereen klaar gestaan. Hij kookt nu soms aardappels met een potje appelmoes omdat hij niet weet wat anders. Hij zit uren naast Marijke en houdt haar hand vast. Maar een formulier van de thuiszorg invullen lukt hem niet. De apotheek bellen niet. Als er een afspraak verzet moet worden, zegt hij: “Els weet dat wel.”
En ik wist het dan ook. Of ik zocht het uit.
Theo zag het eerder dan ik. Eerst maakte hij kleine opmerkingen. Of ik nog mee ging naar de markt. Of ik wist dat we zaterdag bij zijn zus zouden eten. Ik zei dan: “Ja, natuurlijk,” en vervolgens kwam er een appje van Henk dat Marijke koorts had, of dat de wasmachine lekte, of dat hij niet wist welke medicijnen ze die ochtend al had gehad.
Dan ging ik toch.
Een maand geleden zouden Theo en ik een weekend naar ons huisje bij Ootmarsum gaan. We huren dat sinds ons pensioen, niet vaak, maar genoeg om ernaar uit te kijken. Vrijdagmiddag, auto ingepakt, broodjes mee. Tien minuten voor vertrek belde Henk. Marijke had zo’n pijn dat ze bang was om alleen naar de huisartsenpost te moeten. Henk stond in de gang met zijn jas aan en zijn autosleutels in zijn hand, maar hij trilde zo erg dat hij zei dat hij niet durfde te rijden.
Theo keek me aan terwijl ik aan de telefoon luisterde. Hij zei niets. Ik pakte mijn tas uit de auto, stapte bij Henk in en reed hen naar de huisartsenpost.
We kwamen pas na middernacht thuis. Theo lag niet te slapen. Hij lag met zijn rug naar mijn kant.
De volgende ochtend zei hij dat het zo niet langer kon. Niet hard, eerder moe. Hij zei dat hij Marijke alle hulp gunde, maar dat ik niet haar dochter was, niet haar wijkverpleegkundige en ook niet de enige volwassene in hun huishouden.
Ik werd meteen boos. Veel bozer dan nodig was.
“Dus jij vindt dat ik haar moet laten stikken?” vroeg ik.
“Dat zeg ik niet.”
“Maar wat dan wel? Henk kan het niet aan.”
Theo wreef over zijn gezicht. “Henk móét iets aan. En er zijn kinderen, er is thuiszorg, er is een huisarts. Jij bent iedere dag daar en je komt hier thuis als een vaatdoek. Je eet bijna niet meer. En als ik iets zeg, ben ik ineens de klootzak die geen medeleven heeft.”
Dat laatste was gemeen van hem, vond ik. Maar ook niet helemaal onwaar. Ik had hem inderdaad zo behandeld. Als hij vroeg hoe laat ik thuis was, hoorde ik alleen kritiek. Als hij zei dat we al drie keer afspraken hadden afgezegd, dacht ik: wat maakt een etentje nou uit tegenover iemand die doodziek is?
Maar Theo had het niet alleen over etentjes. Hij zei dat we nauwelijks nog samen praatten zonder dat ik tussendoor op mijn scherm keek. Dat ik op zondagmorgen naar Marijke reed terwijl we vroeger dan samen gingen fietsen. Dat hij zich schaamde dat hij soms hoopte dat Henk niet zou bellen.
Dat trof me het meest, juist omdat ik die hoop zelf ook weleens had gehad. Alleen durfde ik dat niet hardop te denken.
Na dat gesprek ben ik alsnog naar Marijke gegaan. Ik was kwaad op Theo, kwaad op Henk, kwaad op de ziekte, kwaad op mezelf omdat ik blijkbaar verwachtte dat iedereen dankbaar zou zijn zolang ik maar bleef rennen.
Marijke lag op de bank onder een grijze deken. Ze had haar haar kort laten knippen omdat het zo uitviel. Ik zette thee en begon, veel te snel en veel te fel, te vertellen dat Theo vond dat ik minder moest doen.
Ze keek me een tijdje aan. Toen zei ze: “Els, je hoeft hier niet elke dag te komen.”
Ik zei dat ze dat alleen zei omdat ze niemand tot last wilde zijn.
“Misschien,” zei ze. “Maar jij komt ook omdat jij het niet verdraagt als het hier rommelig is.”
Dat was pijnlijk precies. In hun bijkeuken stonden twee volle vuilniszakken, op het aanrecht lag post van weken geleden en er zaten kruimels op de grond. Ik zag al die dingen meteen. Ik kreeg er een soort haast van. Alsof ik, wanneer ik alles schoon en geregeld kreeg, ook iets aan haar ziekte kon doen.
Die middag hebben we samen Henk gebeld. Niet om hem af te branden, maar om dingen te verdelen. Hun dochter woont in Zwolle en heeft een baan en twee kleine kinderen, maar ze bleek best bereid om elke dinsdagavond de administratie te doen via beeldbellen. Hun zoon komt voortaan om de week boodschappen brengen. Via de huisarts is er contact gekomen met een mantelzorgondersteuner van de gemeente. Henk vond het allemaal overdreven, tot hij bij het eerste gesprek zelf begon te huilen.
Ik ben niet gestopt. Dat kon ik ook niet. Ik rijd nog geregeld mee naar het ziekenhuis en ik ben er als Marijke een slechte dag heeft. Maar ik ga niet meer automatisch zodra Henk appt. Ik bel eerst. Soms zeg ik: “Ik kan morgenmiddag.” Soms vraag ik hem wat híj al geprobeerd heeft.
Theo en ik gaan volgende week alsnog twee nachten naar Ootmarsum. Ik heb er nauwelijks zin in, en dat heb ik hem niet verteld. Het voelt alsof ik wegloop op een moment dat Marijke kleiner wordt en de wereld om haar heen ook.
Maar gisteren, zonder telefoon op tafel, hebben Theo en ik een oude aflevering van BinnensteBuiten gekeken. Hij maakte thee en vroeg niet één keer of ik aan Marijke dacht. Ik ook niet aan hem of aan de zorg. We zaten er gewoon.
Vanmorgen stond mijn telefoon vol berichten. Eén van Henk: “Alles rustig. Marijke slaapt. Veel plezier volgende week.”
Ik weet niet of hij het meent of dat hij probeert dapper te doen. Misschien allebei.