Na veertig jaar vriendschap zei ik voor het eerst dat ik niet elke dag kon komen
Het begon ermee dat Henk niet meer opnam.
Dat klinkt misschien klein, want iedereen mist weleens een telefoontje. Maar Henk nam altijd op. Ook als hij onder de douche stond, ook als Feyenoord speelde, ook als hij eigenlijk geen zin had. Dan zei hij: „Ja jongen, ik zie je naam, dus ik neem even op.”
Wij zijn nu 63, mijn vrouw Els en ik. Henk en Marianne zijn van dezelfde leeftijd. We kennen elkaar sinds 1985, van de camping in Frankrijk. Onze kinderen waren toen nog klein en maakten ruzie om een opblaaskrokodil. Daarna bleven we elkaar zien. Eerst met kinderen, later zonder. Zaterdagavond aten we om de beurt bij elkaar. Niet elke week precies, maar zo voelde het wel. Mosselen als het seizoen was, stamppot in de winter, te veel wijn op oudejaarsavond. Henk en ik fietsten. Els en Marianne gingen naar schilderles, al zei Marianne zelf altijd dat ze vooral koffie dronk tussen het schilderen door.
Het was geen vriendschap waarbij je alles van elkaar wist. Ik wist bijvoorbeeld pas heel laat dat Henk vroeger een paar jaar schulden had gehad. Hij wist waarschijnlijk ook niet alles van mij. Maar we waren er gewoon. Als iemands moeder naar het ziekenhuis moest, paste de ander op de hond. Als een van de kinderen ging verhuizen, stond er altijd een aanhanger klaar.
In januari belde Marianne op een dinsdagmiddag. Ik stond net in de schuur met een half afgeschuurde tuintafel. Sinds mijn pensioen vorig jaar kluste ik meer dan goed voor me was.
Ze klonk gejaagd. Niet huilend, eerder alsof ze al dagen niet meer goed had uitgeademd.
„Henk is thuis,” zei ze. „Hij kan niet meer werken. Hij ligt eigenlijk alleen maar op bed of op de bank. Hij zegt dat zijn hoofd vol zit.”
Henk werkte als planner bij een installatiebedrijf. Altijd gejaagd, altijd nog even dit of dat regelen. Ik had hem de laatste jaren wel anders gevonden. Korter lontje. Minder zin in onze fietstochten. Maar hij maakte er grappen over. Druk, hè. Nog even door tot pensioen. Zoals zoveel mannen van onze leeftijd zeggen.
De huisarts had het over overspannenheid en burn-out. Henk kreeg gesprekken met de praktijkondersteuner en was voorlopig ziekgemeld. Marianne zei dat hij nergens heen wilde en boos werd als zij vroeg wat er was.
Natuurlijk gingen we langs. Els maakte soep. Henk deed open in een joggingbroek die ik nog nooit bij hem had gezien. Hij keek langs ons heen, alsof wij te veel licht meebrachten. Na twintig minuten zei hij dat hij moe was. Marianne bracht ons naar de gang en begon daar pas echt te praten.
„Ik trek dit niet alleen,” zei ze.
Daar had ze gelijk in. Dat vonden we allebei.
De eerste weken hielpen we vanzelf. Els ging een paar keer met Marianne boodschappen doen. Ik reed Henk naar de huisarts toen Marianne zelf een afspraak had. We namen eten mee, haalden medicijnen op bij de apotheek, lieten de hond uit toen Henk zelfs daar niet toe kwam. Het voelde niet als een opgave. Dit doe je voor vrienden.
Alleen veranderde het ongemerkt.
Marianne maakte een groepsapp met mij, Els en haarzelf. Eerst stond daarin: Kan iemand morgen een brood meenemen? Daarna: Els, kun jij donderdagmiddag bij Henk zitten? Ik moet er even uit. En later: Karel, zou jij zaterdag de schuur kunnen opruimen? Henk raakt in paniek van de rommel, maar hij kan het zelf niet.
Els en ik hadden net besloten om meer te gaan reizen nu we allebei met pensioen waren. Geen wereldreis of zo. Een weekje wandelen op Texel, in mei drie weken met de camper naar de Elzas. We hadden die camper tweedehands gekocht na jarenlang rekenen en twijfelen. Els wilde ook eindelijk een cursus keramiek doen op woensdagavond. Ik had een vaste ochtend vrijgehouden om te fietsen, niet omdat ik zo nodig weg moest van haar, maar omdat ik na veertig jaar werk in een druk magazijn had gemerkt dat ik stilte nodig heb.
Toen Marianne hoorde dat we in mei weg zouden gaan, viel het stil aan de telefoon.
„Drie weken?” zei ze uiteindelijk.
Ik zei dat we het al in november geboekt hadden. Meteen hoorde ik mezelf uitleggen alsof ik toestemming vroeg.
„Maar hoe moet ik dat dan doen met Henk?”
Ik wist het antwoord niet. Dat was misschien het ergste. Ik had geen oplossing die niet hard klonk.
„Marianne, je hoeft dit toch niet alleen te doen?” zei ik. „Is er familie? Zijn zus misschien? Of kan je met de huisarts bespreken wat er aan ondersteuning mogelijk is?”
„Zijn zus woont in Drenthe en heeft zelf genoeg gedoe. En de huisarts gaat mijn hond niet uitlaten, Karel.”
Dat was niet onwaar. Ik werd er toch wat kribbig van. Ik zei dat wij ook geen thuiszorgorganisatie waren. Meteen nadat ik het gezegd had, wilde ik het terugnemen.
Ze zei heel rustig: „Nee. Jullie zijn onze beste vrienden. Tenminste, dat dacht ik.”
Els was erbij toen ik ophing. Ze zat aan de keukentafel met haar leesbril nog op en keek alsof ik iets kapot had laten vallen.
„Dat had je niet zo moeten zeggen,” zei ze.
„Ik weet het.”
„Maar ze kan ook niet verwachten dat wij ons hele leven stilzetten.”
Daar waren we het over eens, alleen hielp dat niet. Die avond aten we zwijgend macaroni uit een pakje, terwijl Els normaal zelfs op een doordeweekse dag nog salade erbij maakt.
Een paar dagen later gingen we naar Marianne toe om het uit te praten. Henk lag boven, zei ze. We dronken koffie aan hun eettafel waar we zo vaak met z’n vieren hadden gelachen. Er lag een stapel ongeopende post naast de fruitschaal. Marianne zag er ouder uit dan een maand eerder.
Ze zei dat ze niet vroeg of we al hun problemen wilden oplossen. Maar ze zei ook dat ze bang was om Henk alleen te laten, dat ze soms dacht dat hij zonder iets te zeggen de deur uit zou lopen en niet meer terug zou komen. Ze sliep slecht, werkte minder uren in haar winkel en voelde zich schuldig zodra ze iets voor zichzelf deed.
Ik kreeg daar echt medelijden mee. En ook schaamte, omdat ik de dagen ervoor vooral had gedacht aan onze camper en mijn fietsclub.
Maar Els zei iets wat ik zelf niet goed onder woorden kreeg. „Als wij nu iedere keer springen, Marianne, dan houd jij het misschien een paar weken langer vol. Maar wij raken ook uitgeput. En dan zijn we straks met vier mensen die het niet meer trekken.”
Marianne keek naar haar handen. „Dus jullie gaan gewoon op vakantie.”
„Ja,” zei Els. Niet hard. Ook niet verontschuldigend. „We gaan wel.”
Sindsdien is het anders. We helpen nog steeds, maar we spreken af wat haalbaar is. Ik rijd Henk eens per week als hij een afspraak heeft en hij niet alleen wil. Els kookt op maandag een extra portie die we langsbrengen. We hebben gezegd dat we niet iedere dag de groepsapp beantwoorden en dat ze bij acute zorgen de huisartsenspoedlijn of 112 moet bellen, niet ons.
Marianne reageert beleefd. Bijna te beleefd. Ze stuurt: Dankjewel, hoeft niet hoor, ik red me wel. Dan weet ik dat het niet goed zit, maar ik weet ook niet meer hoe ik dat moet lezen zonder meteen weer in de auto te stappen.
Henk zelf appte vorige week voor het eerst: ‘Sorry dat ik zo weg ben gevallen.’ Meer niet. Ik heb teruggestuurd dat hij nergens sorry voor hoeft te zeggen en dat we aan hem denken. Daarna heb ik mijn telefoon een uur lang omgedraaid op tafel gelegd.
In mei gaan Els en ik naar de Elzas. De camper staat al voor de deur omdat ik hem wilde schoonmaken. Gisteren belde Marianne niet, maar ik zag wel dat ze in de app had gelezen dat we vrijdag vertrekken.
Els vroeg of ik nog even een kaartje in de bus wilde doen. Ik heb er een gekocht bij de Bruna, met een foto van druivenranken erop. Hij ligt nog blanco op het aanrecht. Ik weet niet goed wat ik erop moet schrijven zonder dat het te veel klinkt of juist te weinig.