Na veertig jaar vriendschap vroeg hij of we nog maar één keer per maand wilden langskomen
Ik heb nog steeds een sleutel van het huis van Paul en Marijke aan mijn sleutelbos hangen. Zo’n klein zilveren dingetje, met een blauw plastic dopje eromheen zodat ik hem niet met onze eigen sleutel verwar.
Ik heb hem de afgelopen drie weken niet gebruikt. Toch kan ik mezelf er niet toe zetten hem eraf te halen.
Paul en ik kennen elkaar sinds 1981. We woonden toen allebei net in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, in van die huizen met grijze tegels in de keuken en een voortuin waar niemand iets mee wist. Onze kinderen waren ongeveer even oud. Eerst stond je samen bij de zandbak, later langs het voetbalveld, en voor je het weet eet je elke zondagavond bij elkaar als er nog pasta over is.
Marijke en mijn vrouw Ellen konden het vanaf het begin goed vinden. Niet op een overdreven manier, ze belden niet elke dag en ze hadden ook heus wel eens ruzie over onbenullige dingen. Maar we waren verweven geraakt. We gingen met z’n vieren naar de Ardennen, later een keer naar Toscane. Paul hielp mij toen mijn vader overleed. Marijke was er voor Ellen toen onze dochter een miskraam had. Je denkt dan niet in termen van wederdiensten. Het hoorde gewoon bij ons leven.
Zes jaar geleden kreeg Marijke de diagnose Parkinson. Eerst was het vooral trillen in haar linkerhand. Ze maakte er zelf grappen over, dat ze eindelijk een goed excuus had als de koffie over de schotel ging. Maar het ging sneller dan verwacht. Lopen werd moeilijker, aankleden duurde lang, ze raakte sneller overprikkeld. Uiteindelijk stopte ze met haar werk in de bibliotheek, waar ze bijna dertig jaar had gewerkt.
In het begin deden Ellen en ik kleine dingen. Een tas boodschappen meenemen. Een ritje naar de polikliniek als Paul een vergadering had. De ramen lappen, omdat Paul daar nooit aan toe kwam. Hij werkte toen nog drie dagen per week als uitvoerder bij een bouwbedrijf en kwam vaak moe thuis.
Daarna werden die kleine dingen steeds groter zonder dat iemand het echt uitsprak.
Ellen maakte op maandag een pan soep voor twee dagen. Ik zette de afvalcontainers buiten als ik zag dat Paul het vergeten was. We hadden een appgroepje waarin Marijke berichtte wat er nodig was. Melk, kattenvoer, een nieuw recept ophalen, een lampje in de gang vervangen. Soms stuurde ze alleen een duimpje, als praten te veel was.
Toen haar valpartijen begonnen, ging ik standaard op donderdagmiddag langs. Niet omdat dat formeel zo afgesproken was, maar omdat ik toch met pensioen was en Ellen dan vrijwilligde in de buurtbibliotheek. Ik maakte koffie, keek even of de koelkast nog gevuld was, en vroeg hoe de week was gegaan.
Ik voelde me daar eerlijk gezegd ook nuttig door. Dat vind ik moeilijk om toe te geven. Na mijn pensioen had ik meer last van lege dagen dan ik verwacht had. Eerst dacht ik: heerlijk, geen wekker, geen gedoe. Maar na een tijdje zat ik om half elf al doelloos het nieuws te lezen. Bij Paul en Marijke was er altijd iets concreets te doen.
Paul zei jarenlang dat hij blij met ons was. Echt, hij kon me soms bij de deur bijna omhelzen.
‘Zonder jullie waren we verzuipt,’ zei hij dan.
Dus toen hij vorig jaar stiller werd, dacht ik dat hij gewoon op was. Zijn wereld was natuurlijk ook veel kleiner geworden. Hij ging nauwelijks nog fietsen met de mannen van vroeger. Vakanties waren verdwenen. Alles draaide om schema’s, medicatie, fysio, de thuiszorg en voorkomen dat Marijke viel.
Ellen merkte eerder dan ik dat er iets veranderde.
‘Hij kijkt alsof we controle komen doen,’ zei ze een keer in de auto.
Ik vond dat onzin. Paul was geen makkelijke prater, zei ik. En we deden toch niets verkeerd?
Maar er kwamen opmerkingen. Dat ik niet zomaar dingen in de keuken moest verplaatsen. Dat Ellen niet iedere keer moest vragen of Marijke wel genoeg gegeten had. Een keer had ik een douchekruk opgehaald via de hulpmiddelenleverancier, omdat Marijke erover begon. Paul werd daar boos om. Niet schreeuwen, maar dat ingehouden boze dat eigenlijk erger is.
‘Je had het ook even met mij kunnen overleggen, Henk.’
Ik zei dat Marijke het zelf gevraagd had.
‘Ja, maar ik woon hier ook.’
Daar had hij natuurlijk gelijk in. Alleen voelde het alsof hij me wegduwde nadat we jaren alles hadden opgevangen. Ik zei iets flauws, geloof ik. Dat die kruk niet voor míj was. Daarna dronken we allebei onze koffie op zonder elkaar aan te kijken.
Het echte gesprek kwam twee maanden geleden. Ellen en ik waren op zaterdag bij hen geweest. Marijke had een slechte ochtend gehad en lag na de lunch op de bank te slapen. Ellen vouwde een wasmand op in de bijkeuken en ik was bezig met een loszittende keukenkastdeur.
Paul vroeg of ik even mee naar buiten wilde lopen. Het miezerde. Hij had zijn jas niet eens aangetrokken.
Hij zei dat hij met de huisarts en de Parkinsonverpleegkundige had gesproken over meer professionele ondersteuning. Niet omdat wij tekortschoten, voegde hij er snel aan toe. Juist omdat hij zag dat het voor ons ook veel was geworden.
Ik weet nog dat ik dacht: veel? We deden het toch graag?
Toen zei hij dat hij wilde dat we minder vaak kwamen. Eén vast bezoek per maand, en alleen extra als hij of Marijke het vroeg. Geen sleutel meer gebruiken zonder bericht. Niet zomaar de was doen, niet de voorraadkast aanvullen, niet bij Marijke informeren als zij niet reageerde op een appje.
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Alsof ik een puber was die ergens niet welkom bleek.
‘Dus we zitten in de weg?’ vroeg ik.
Paul zuchtte. Hij keek naar zijn natte schoenen.
‘Soms wel, Henk. En dat is rot om te zeggen. Maar Marijke heeft het gevoel dat ze bij jullie niet meer gewoon een slechte dag mag hebben. Dan wordt er meteen iets geregeld. En ik… ik voel me in mijn eigen huis soms de derde persoon.’
Ik werd kwaad. Niet heel luid, maar wel gemeen. Ik zei dat hij makkelijk praten had nu de thuiszorg eindelijk wat vaker kwam. Dat wij er waren geweest toen hij zelf op instorten stond. Dat Ellen nachten wakker had gelegen als Marijke weer gevallen was.
Hij knikte alleen maar en zei: ‘Dat weet ik.’
Dat maakte me nog bozer.
Pas thuis vertelde Ellen dat Marijke haar een paar weken eerder had geappt: “Ik ben soms zo moe van iedereen die bedoelt het goed met me.” Ellen had dat niet tegen mij gezegd, omdat ze Marijke niet wilde verraden en omdat ze dacht dat het wel over zou waaien.
Ik voelde me daar ook door gekwetst. Door iedereen eigenlijk. Door Paul, door Marijke, zelfs door Ellen. Maar vooral schaamde ik me. Ik had zo vaak gezegd dat Marijke zelf moest aangeven wat ze wilde, terwijl ik ondertussen overal al vóór haar was geweest.
We zijn daarna niet meer spontaan langsgegaan. Ellen stuurt Marijke nog berichten. Soms antwoordt ze met een hartje, soms pas dagen later. Paul heeft een vrijwilliger via de welzijnsorganisatie geregeld voor een paar uur per week, en er is nu vaker thuiszorg. Hij vertelde het alsof hij toestemming vroeg.
Vorige week belde Marijke me onverwacht. Haar stem klonk zacht en wat slomer dan vroeger.
‘Ik mis jullie wel, hoor,’ zei ze.
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Ik wilde vragen waarom ze ons dan had laten wegsturen, maar dat klonk meteen kinderachtig in mijn hoofd.
Ik zei alleen dat we haar ook misten.
Aan het eind vroeg ze of ik die oude sleutel nog had. Niet om weer zomaar binnen te lopen, zei ze snel. Alleen voor noodgevallen. Paul vindt dat ook goed.
Ik heb gezegd dat hij nog aan mijn bos hangt.
Daar hangt hij dus nog steeds. Naast onze eigen huissleutel, de sleutel van de schuur en dat kleine metalen winkelwagentjesmuntje dat Ellen nooit gebruikt.