Na het overlijden van mijn vriendin wilde haar man dat ik ook zijn leven ging regelen
De eerste keer dat Kees mij zijn DigiD wilde geven, stond ik met mijn jas nog aan in zijn gang.
Het was drie weken na de begrafenis van Els. Ik was even langsgegaan met een pan erwtensoep, omdat hij in een appje had gezet dat hij die dag alleen een krentenbol had gegeten. Op tafel lagen ongeopende enveloppen, reclamefolders, een halflege pot oploskoffie en drie rouwkaarten die nog dicht waren.
Kees zei: „Ik snap er niks meer van, Marjan. Jij deed dit soort dingen voor Els ook altijd zo handig. Neem jij dit gewoon even over?”
Hij hield zijn telefoon naar me uit. Daar zat een briefje achter met codes erop.
Ik weet nog dat ik niet meteen nee zei. Dat is misschien precies waar het mis is gegaan.
Els en ik waren 34 jaar vriendinnen. We leerden elkaar kennen op de camping in Drenthe, toen onze kinderen nog op de basisschool zaten en onze mannen vonden dat ze best samen konden vissen terwijl wij met een plastic wijnglas voor de caravan zaten. Daarna werden we van die stellen die vanzelf bij elkaar hoorden. Iedere vrijdag eten, meestal bij de een, soms bij de ander. Met kerst om en om. Wandelen langs de Maas, samen naar de moestuinenmarkt, een weekendje Limburg als we iets te vieren hadden.
Wij hadden geen zussen bij wie we zomaar binnenliepen. Els was voor mij in veel opzichten dat wel.
Toen ze ziek werd, alvleesklierkanker, ging alles snel en tegelijk verschrikkelijk traag. Eerst onderzoeken, dan ziekenhuisafspraken in Tilburg, dan chemo, dan weer hoop omdat een scan iets minder slecht was dan verwacht. Kees reed wel, maar hij raakte helemaal dicht zodra er een arts tegenover hem zat. Hij hoorde alleen maar losse woorden. Uitzaaiingen. Waarden. Palliatief.
Dus ik ging mee. Ik schreef dingen op in een schriftje. Ik kookte porties die in de vriezer konden. Soms zat ik naast Els op de bank terwijl ze sliep en vouwde ik de was op, gewoon omdat er iets moest gebeuren met mijn handen.
Mijn man, Henk, heeft daar nooit moeilijk over gedaan. Hij bracht vaak zelf een ovenschotel naar Kees en Els, of haalde medicijnen op als ik niet kon. Maar achteraf zegt hij dat hij al eerder zag dat ik te veel deed. Ik werd kortaf thuis. Ik vergat afspraken. Ik lag ’s nachts wakker van dingen die niet eens van mij waren: of Kees wel de thuiszorg terugbelde, of Els genoeg dronk, of er nog schone handdoeken waren.
Ik wilde daar toen niet naar luisteren. Als iemand van wie je houdt doodgaat, ga je toch niet rekenen met uren en grenzen.
Els overleed in november, thuis, met Kees en hun dochter Sanne erbij. Ik was er die ochtend niet. Daar voel ik nog steeds iets bij, al weet ik dat het onzin is. Ik had de avond ervoor bij haar gezeten. Ze had nauwelijks nog kunnen praten, maar toen ik wegging kneep ze in mijn hand.
Na de uitvaart was er een soort leegte waarin iedereen maar wat deed. Sanne woont in Zwolle en heeft een drukke baan, twee studerende kinderen, dat hele leven. Ze kwam de eerste weken veel, maar ging daarna weer terug naar huis. Kees belde mij steeds vaker.
Eerst om iets kleins. Of ik wist waar Els haar wachtwoorden bewaarde. Of ik mee wilde kijken naar een formulier van de bank. Of ik een keer boodschappen kon meenemen.
Daarna werden de telefoontjes langer. Soms belde hij om negen uur ’s avonds omdat hij niet wist wat hij moest eten. Soms zat hij al te huilen voordat ik hallo had gezegd. Dan bleef ik aan de lijn, want wat moest ik anders?
Maar hij begon ook dingen te verwachten. Als ik een middag niet opnam omdat ik met Henk bij mijn zus was, kreeg ik later een bericht: ‘Blijkbaar heb je het te druk voor me.’ Dat kwam hard binnen. Niet alleen door de woorden, maar ook omdat Kees vroeger nooit zo was. Hij was altijd de rustige van hen twee, degene die de koffie inschonk terwijl Els praatte.
Op een dinsdag vroeg hij of ik voortaan zijn administratie wilde doen. Hij zei dat de belastingaangifte eraan kwam, dat de energierekening veranderd was en dat hij bang was fouten te maken. Ik zei dat ik best een middag kon meekijken, of dat we iemand konden zoeken die hem ermee hielp. Een financieel maatje misschien, via de ouderenbond of de gemeente, ik wist het ook niet precies.
Hij keek me aan alsof ik hem iets afpakte.
„Els zou dit voor mij doen,” zei hij.
Ik zei: „Ja, maar ik ben Els niet, Kees.”
Meteen had ik spijt van hoe scherp het klonk. Hij werd helemaal stil. Daarna zei hij: „Nee. Dat merk ik.”
Thuis heb ik daar twee dagen om gehuild. Henk vond dat ik mezelf gek maakte. Hij zei dat Kees rouwde en dat rouw mensen soms onaardig maakt zonder dat ze het doorhebben. Dat geloof ik ook. Maar ik rouw zelf ook. Alleen lijkt niemand dat te zien, omdat ik niet degene ben die haar bed deelde.
Vorige week ging ik weer langs. Ik had me voorgenomen hooguit een uur te blijven. Kees had een lijst gemaakt. Niet zomaar een lijstje boodschappen, maar alles: bellen met de verzekeraar, uitzoeken wat er met Els haar pensioen moest, de koelkast schoonmaken, een afspraak bij de kapper maken, de tuin winterklaar maken. Onderaan stond: ‘Elke vrijdag samen eten zoals vroeger.’
Ik las het en voelde geen medelijden meer, maar paniek. Daar schaam ik me voor. Hij zat tegenover me met zijn handen om een mok heen en zag er ouder uit dan een halfjaar geleden. Tegelijk dacht ik alleen maar: als ik nu ja zeg, kom ik hier nooit meer los van.
Ik heb gezegd dat ik hem niet kan helpen met alles. Dat ik best af en toe boodschappen meeneem en met hem mee kan denken, maar niet zijn administratie, huishouden en planning ga overnemen. Ik heb ook gezegd dat hij Sanne moet betrekken en hulp moet regelen voor dingen die hij zelf niet redt.
Hij werd boos. Echt boos. Hij zei dat wij vroeger altijd zeiden dat we er voor elkaar zouden zijn. Dat ik Els tijdens haar ziekte had beloofd dat ik op hem zou letten.
Dat laatste had ik inderdaad gezegd. Of iets wat daarop leek. Ik weet niet meer letterlijk hoe het ging. Maar ik bedoelde nooit dat ik zijn vrouw zou worden in alles behalve naam.
Sindsdien belt hij niet. Sanne stuurde gisteren een kort berichtje dat haar vader erg gekwetst is en dat ze hoopt dat ik hem niet laat vallen. Ik heb het drie keer gelezen en toen mijn telefoon in een la gelegd.
Vanavond eten Henk en ik voor het eerst in maanden gewoon met z’n tweeën aan tafel. Hij heeft een zak stamppotboerenkool gehaald en ik ga de rookworst opzetten. Er staat nog steeds een pan klaar die ik eigenlijk voor Kees had willen maken.
Misschien breng ik die morgen. Misschien ook niet. Ik weet het eerlijk gezegd nog niet.