Mijn vader wilde mijn moeder thuis houden, tot hij zelf niet meer overeind kon
De eerste keer dat mijn moeder tegen mij zei dat ze misschien liever weg wilde uit haar eigen huis, zaten we in de keuken terwijl mijn vader boven lag te slapen.
Hij sliep de laatste tijd overal. In zijn stoel, met de televisie nog aan. Op de rand van hun bed, met één schoen uit en de andere nog aan. Hij zei dan dat hij gewoon even zijn ogen dichtdeed, maar ik zag aan hem dat het geen gewone vermoeidheid meer was.
Mijn moeder, Els, had haar handen om een mok lauwe koffie gevouwen. Door haar ziekte werden haar handen stijver en trager. Soms kon ze een beker nog vasthouden, soms niet. Die ochtend wel, al trilde de koffie over de rand.
„Ik zou best naar zo’n appartement willen,” zei ze heel zacht. „Niet omdat ik hier weg wil. Ik wil gewoon dat je vader weer eens normaal slaapt.”
Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Mijn vader, Henk, had het woord zorgappartement inmiddels veranderd in iets negatiefs. Alsof ik ze naar een instelling wilde sturen waar mijn moeder de hele dag in een gang zou zitten wachten op een kopje thee.
Ik woon in Amersfoort, mijn ouders in een dorp vlak bij Deventer. Niet aan de andere kant van de wereld, maar ver genoeg om niet even langs te gaan als er iets gebeurt. Ik werk vier dagen per week op een middelbare school en heb zelf twee pubers. Ik belde bijna dagelijks, kwam meestal om de week een zaterdag, soms vaker. Toch voelde het altijd alsof ik tekortschiet.
Mijn moeder kreeg ruim een jaar geleden de diagnose Parkinson plus. Eerst waren het kleine dingen. Haar voet die bleef haken achter een drempel. Een jas dichtdoen die ineens veel te lang duurde. Toen kwamen de valpartijen, de duizeligheid, het moeilijk praten. Mijn vader ging meteen in de stand van aanpakken.
Hij maakte schema’s. Hij regelde een douchestoel, beugels bij het toilet en een bed in de woonkamer, al wilde mijn moeder daar eerst niets van weten. Hij kookte zoutarm omdat hij ergens had gelezen dat dat beter was, hoewel mijn moeder haar hele leven graag een zakje chips op zaterdagavond at. Hij deed de was, de medicijnen, de administratie en hielp haar met wassen en aankleden.
Niemand deed het volgens hem goed genoeg.
De thuiszorg kwam een tijdje twee ochtenden per week. Mijn vader liep er dan omheen alsof hij in zijn eigen huis te gast was. Hij corrigeerde hoe ze de handdoeken neerlegden, vroeg waarom het zo lang duurde en zei achteraf dat mijn moeder onrustiger was door vreemde mensen.
Misschien was dat ook zo. Mijn moeder hield niet van gedoe. Maar ze zei ook nooit waar haar grens lag. Ze keek vooral naar mijn vader voordat ze antwoord gaf.
Na drie weken zegde hij de thuiszorg af.
„Je moeder heeft recht op haar privacy,” zei hij tegen mij aan de telefoon. „Ze heeft al genoeg ingeleverd. Ik ga niet elke ochtend een vreemde haar wassen.”
Ik zei dat ik dat begreep, maar dat privacy niet betekende dat hij alles alleen moest dragen.
Toen werd hij stil. Niet boos, nog niet. Alleen die stille, harde manier waarop hij kon zwijgen als hij vond dat je hem onrecht aandeed.
Later zei hij: „Dus jij vindt dat ik haar in de steek laat?”
Dat had ik niet gezegd. Maar vanaf dat moment leek elk voorstel van mij daarop neer te komen.
Het zorgappartement waar ik over begon, was niet eens goedkoop of makkelijk. Mijn ouders zouden hun huis moeten verkopen. Dat huis was hun hele volwassen leven: de serre die mijn vader zelf had aangebouwd, de perenboom die nooit echt goede peren gaf, mijn moeders rozen die zij al twee zomers niet meer zelf had kunnen snoeien. Het appartement lag in Deventer, in een nieuw complex met een eigen keuken, een balkon en oproepzorg op elk moment van de dag. Er zaten meer oudere mensen, maar ook een fysiopraktijk en een gezamenlijke ruimte waar ze op woensdag samen aten als ze wilden.
Mijn vader noemde het een hotel voor mensen die niet meer voor zichzelf wilden zorgen.
„Jij hebt makkelijk praten,” zei hij toen ik de folder op tafel legde. „Jij gaat daarna weer naar huis.”
Dat was gemeen, maar ook niet helemaal onwaar. Ik reed die dag huilend terug naar Amersfoort en schaamde me daar onderweg nog voor. Ik zat in een warme auto, met een volle boodschappentas op de achterbank en een man thuis die vroeg hoe het was geweest. Mijn vader stond waarschijnlijk weer mijn moeder uit haar stoel te hijsen.
De val gebeurde op een dinsdagmiddag. Mijn vader belde niet zelf. De buurvrouw, mevrouw Van Loon, belde mij vanaf zijn telefoon.
Hij had mijn moeder van het toilet naar haar rolstoel geholpen. Ze zakte door haar benen, hij probeerde haar op te vangen en ging met zijn schouder tegen de wastafel en daarna op de grond. Mijn moeder lag half tegen hem aan en kon niet opstaan. Ze hadden een tijdje geroepen voordat de buurvrouw hen hoorde.
In het ziekenhuis bleek mijn vader een gebroken sleutelbeen en twee gekneusde ribben te hebben. Niet levensbedreigend, zei de arts, maar hij mocht zeker niet tillen. Ook niet een beetje. Ook niet „alleen als het echt moet”.
Mijn moeder lag ondertussen in een bed op een andere kamer, bleek en boos op zichzelf. Toen ik bij haar kwam, zei ze meteen: „Hij mocht me niet tillen. Ik zei nog dat ik wel even kon wachten.”
Maar ik kende dat wachten. Dan moest ze op het toilet blijven zitten, bang om weer weg te glijden, terwijl mijn vader zijn rug rechtte en deed alsof er niks was.
Mijn vader wilde de volgende ochtend naar huis. Hij zat met één arm in een mitella en vroeg aan de verpleegkundige of ze niet gewoon een paar dagen extra pijnstilling konden geven.
„En Els dan?” vroeg ik.
„Die gaat mee naar huis.”
Ik hoorde mezelf harder praten dan ik wilde. Ik zei dat dat niet kon. Dat hij haar niet kon wassen, niet kon helpen bij transfers, niet kon rijden. Dat ik geen zorgverlof voor maanden kon opnemen, ook al wilde ik alles doen. Ik zei ook dat hij al een jaar lang deed alsof liefde hetzelfde was als alles alleen doen.
Zijn gezicht veranderde meteen. Niet woedend eerst, maar gekwetst. Alsof ik iets kapotmaakte dat hij met moeite overeind had gehouden.
„Jij begrijpt niet wat wij elkaar beloofd hebben,” zei hij.
Mijn moeder draaide haar hoofd naar het raam. Buiten stond een man een fiets tegen een rek te zetten. Het was zo’n normaal beeld dat ik er bijna misselijk van werd.
Die avond, toen mijn vader eindelijk sliep, zei mijn moeder dat ze het appartement wilde bekijken. Niet beslissen, alleen kijken. Ze zei het zonder mij aan te kijken.
„Je moet niet denken dat ik van hem af wil,” voegde ze eraan toe.
„Dat denk ik niet.”
„Hij is bang dat hij me kwijtraakt als iemand anders voor me zorgt.”
Ik wist niet of dat waar was, maar het klonk wel als mijn vader. Hij was altijd degene geweest die dingen repareerde. De kraan, mijn oude fiets, de belastingaangifte van mijn oma. Nu viel er niets te repareren en hij kon daar blijkbaar niet tegen.
Er is voorlopig thuiszorg geregeld, drie keer per dag. Mijn vader mopperde de eerste ochtend dat ze twintig minuten later waren dan afgesproken. De verzorgende, een rustige vrouw die Fatima heet, zei alleen dat de route uitliep en vroeg vervolgens aan mijn moeder hoe zij gewassen wilde worden. Niet aan mijn vader. Aan haar.
Mijn moeder keek eerst naar hem. Toen zei ze: „Ik wil graag mijn eigen zeep gebruiken. Die staat in het kastje.”
Het was een klein zinnetje, maar ik zag mijn vader even slikken.
Volgende week ga ik met mijn moeder kijken bij het appartement in Deventer. Mijn vader gaat mee, zegt hij, alleen om te bewijzen dat het niks voor hen is. Misschien heeft hij gelijk en voelt het kil. Misschien is het te duur. Misschien verandert mijn moeder van gedachten zodra we er binnen zijn.
Maar voor het eerst in lange tijd is er iets geregeld waar mijn vader niet in zijn eentje de schouders onder kan zetten. En hoe pijnlijk dat ook is, ik denk dat we daar alle drie aan moeten wennen.