Na veertig jaar biljarten wilde Henk onze donderdagavond vervangen door een wandelclub
Vorige donderdag stond ik voor café De Witte Brug met mijn keu in mijn hand en wist ik al dat Henk niet zou komen.
Dat klinkt misschien overdreven, maar veertig jaar lang was donderdagavond gewoon Henk en ik. Eerst bij biljartvereniging Ons Genoegen, in dat oude zaaltje achter een café dat allang weg is. Later bij De Witte Brug, waar ze een fatsoenlijke tafel hebben en waar Karel altijd doet alsof hij ons een dienst bewijst door de ballen op te poetsen. We begonnen ooit toen we begin twintig waren, nog met een veel te groot colbert aan en weinig geld. Nu zijn we 62 en 63, allebei grijs, allebei wat stijver in de rug, en nog steeds overtuigd dat we eigenlijk beter spelen dan we doen.
Donderdag was nooit alleen biljarten. Het was twee partijtjes, een pilsje erbij, misschien een schaal bittergarnituur als iemand jarig was of als Feyenoord had gewonnen, of juist verloren. We hadden een vaste groep: ik, Henk, Karel, Joop en sinds een jaar of tien ook Arie. Geen diepgravende mannenpraat meestal. We hadden het over de kinderen, de belasting, een lekkende schuur, wie er een nieuwe heup nodig had. Juist dat vond ik er prettig aan. Niemand hoefde interessant te doen.
Henk is in januari met vervroegd pensioen gegaan. Hij werkte jarenlang bij de technische dienst van een middelbare school in Amersfoort. Hij heeft het goed geregeld, hoor. Klein pensioen erbij, huis bijna afbetaald, zijn vrouw Els werkt nog drie dagen bij de apotheek. Hij zei de eerste weken dat hij eindelijk tijd zou hebben om rustig aan te doen.
Toen kwam hij op een ochtend met een stappenteller aanzetten.
Eerst vond ik het eigenlijk wel mooi voor hem. Hij was wat zwaarder geworden, net als ik trouwens, en zijn vader is niet oud geworden. Henk had een keer hoge bloeddruk bij de huisarts. Dus hij ging wandelen. Minder bier. Geen koek meer bij de koffie. Hij begon te koken met van die zakjes linzen en at ’s ochtends kwark met zaden waarvan ik de naam steeds vergeet.
Na een maand was hij zichtbaar afgevallen. Hij zag er inderdaad fitter uit. Zijn gezicht was minder opgeblazen en hij zei dat hij beter sliep. Ik gunde hem dat echt.
Alleen veranderde er iets in de manier waarop hij over ons sprak.
Eerst zei hij nog: “Ik neem vanavond gewoon een spa rood.”
Dat was prima. Niemand dwong hem tot bier. Maar later zei hij, toen Joop een portie vlammetjes bestelde: “Jongens, jullie weten toch hoeveel troep hierin zit?”
Joop zei: “Nee Henk, vertel het ons vooral. Dan smaken ze nog beter.”
Iedereen lachte, ook Henk, maar het was zo’n lach waarbij je merkt dat iemand zich niet gehoord voelt. Daarna kwam er elke week wel iets. Over alcohol als sluipmoordenaar. Over zitten als het nieuwe roken. Over dat wij onszelf voor de gek hielden met één avondje per week, terwijl het natuurlijk nooit bij één avondje bleef.
Hij had niet helemaal ongelijk. Ik drink thuis ook best graag een biertje. En mijn buik is de laatste jaren niet kleiner geworden. Mijn dochter Marloes zegt ook weleens dat ik meer moet bewegen. Maar ik heb geen behoefte om op donderdagavond, na heel mijn leven gewerkt te hebben, bij ieder schaaltje kaas het gevoel te krijgen dat ik mijn eigen begrafenis aan het organiseren ben.
De boel liep echt vast toen Henk een appje stuurde in onze groepsapp. Hij had een proefwandeling gedaan bij een wandelsportvereniging, ergens bij Hoevelaken. Iedere donderdagavond liepen ze acht tot tien kilometer, volgens hem in een “gezellig tempo”, en na afloop dronken ze thee in het clubgebouw.
Hij schreef: “Lijkt me veel beter voor ons dan dat gehang. Kunnen we daarna eventueel nog één drankje doen, maar dan hebben we tenminste iets gedaan.”
Karel reageerde met een duimpje omlaag. Arie vroeg of er ook een kortere route was wegens zijn knie. Joop schreef alleen: “Thee.”
Ik heb eerst niks gezegd. Ik zat thuis aan tafel en bleef naar dat bericht kijken. Els stuurde er nog achteraan, vanaf Henks telefoon denk ik niet maar je weet het nooit: “Goed idee, Henk fleurt er echt van op!”
Toen heb ik Henk gebeld.
Ik zei: “Je mag wandelen wat je wilt, maar waarom moet onze avond weg?”
Hij bleef opvallend rustig. “Omdat ik zie dat jullie vastzitten, Gerrit. We doen al veertig jaar hetzelfde.”
“Ja,” zei ik. “Dat heet een traditie.”
“Of een routine waar niemand meer over nadenkt.”
Daar werd ik kwaad van. Niet eens omdat hij wilde wandelen. Maar omdat hij deed alsof alles wat we samen hadden gedaan ineens minderwaardig was. Alsof die avonden alleen maar bestonden uit vet eten en te veel drinken. Hij wist toch ook dat ik na mijn scheiding een paar jaar lang nauwelijks buiten kwam, behalve op donderdag? Dat Henk toen gewoon op de stoep stond en zei dat ik mijn keu moest pakken? Hij weet ook dat mijn zoon soms weken niets laat horen, en dat ik bij De Witte Brug tenminste mensen heb die vragen hoe het met me gaat zonder dat het meteen zwaar wordt.
Ik zei iets in de trant van dat hij niet zo’n gezondheidsgoeroe moest worden. Dat was kinderachtig. Hij zei daarna dat ik het persoonlijk maakte, terwijl hij alleen wilde dat we langer van elkaar konden genieten.
Dat laatste kwam wel binnen. Want zo bedoelde hij het volgens mij echt. Henk is geen slechte vent. Hij is alleen, sinds hij niet meer werkt, ergens heel fanatiek van geworden. Misschien heeft hij die regelmaat nodig. Misschien is hij bang om hetzelfde te krijgen als zijn vader. Maar hij ziet niet dat hij ons niet uitnodigt; hij keurt ons af.
De donderdag daarna kwam hij niet. Hij stuurde rond half negen een foto van een donker fietspad en schreef dat hij 11.400 stappen had gezet. Karel zette er een lachende emoji onder. Joop helemaal niks.
Aan de tafel was het raar stil. Arie bestelde expres geen bitterballen, zei hij. “Anders denkt Henk straks dat ik dood wil.” Maar na een uur bestelde hij toch een portie. Iedereen nam er eentje, zelfs ik, terwijl ik er eigenlijk geen trek in had.
Deze week belde Henk weer. Hij vroeg of ik zondag mee wilde wandelen. Niet met die hele vereniging, gewoon samen, vanaf zijn huis langs de Eem. Hij klonk minder stellig dan aan de telefoon eerder. Ik zei dat ik erover na zou denken.
Ik heb nog niet geantwoord. Mijn wandelschoenen zijn oude werkschoenen, en ik weet niet eens of die nog goed zijn. Donderdag ga ik gewoon weer biljarten. Misschien komt Henk ooit terug, misschien ook niet.
Maar ik merk dat ik nu, als ik mijn eerste pilsje bestel, toch even aan hem denk. Dat vind ik misschien nog wel het vervelendst.