Ik weet niet of ik mijn beste vriend help door in te grijpen, of hem juist alles afpak

Toen we hier kwamen wonen, maakten we grappen dat we een bejaardensoos voor mensen met een te hoge hypotheek hadden opgericht.

We zijn met z’n vieren: mijn vrouw Els en ik, en Henk en Marjan. We kennen elkaar al sinds 1987, toen onze kinderen nog op de basisschool zaten in Amersfoort. Kamperen in Frankrijk, kerst bij elkaar, ouders begraven, scheidingen van broers en zussen, banen die wegvielen. Niet alles deden we samen, natuurlijk, maar als er iets was, belde je elkaar. Zonder nadenken.

Twee jaar geleden hebben we onze grote huizen verkocht. De kinderen waren al lang de deur uit en we wilden niet wachten tot één van ons ziek werd en de ander in een huis met drie verdiepingen vast zou zitten. Via een kennis van Henk kwamen we bij een nieuwbouwproject aan de rand van Soest terecht: vier ruime woningen rond een gezamenlijke binnentuin, met een grote keuken en een logeerkamer die we konden reserveren. Wel ieder een eigen voordeur, eigen geld, eigen leven. Dat vonden we belangrijk.

Henk zei destijds: „Samen oud worden, maar niet bij elkaar op schoot.”

Dat was precies de bedoeling.

De eerste maanden waren bijna gênant gezellig. Op woensdag koffiedrinken in de gezamenlijke ruimte, soms een pan soep voor wie toevallig thuis was, gereedschap dat van schuur naar schuur verdween. Els en Marjan gingen op vrijdag wandelen. Henk en ik fietsten, al moest ik na een jaar toegeven dat hij mij op een e-bike nog steeds moeiteloos lostrok.

Vorig voorjaar begon hij dingen kwijt te raken. Eerst heel gewone dingen. Zijn leesbril in de koelkast, de afspraak bij de mondhygiënist vergeten. Toen belde hij mij op een dinsdagavond om te vragen of we die zaterdag naar de verjaardag van onze oudste zoon gingen. Die verjaardag was in januari geweest.

Ik lachte er nog om. Dat doe je als vriend soms ook, omdat je niet meteen van elk vergeten woord een ziekte wilt maken.

Marjan lachte niet mee. Zij werd stiller.

In november vertelde ze ons, aan onze keukentafel, dat ze bij de geheugenpoli waren geweest. Henk had een diagnose gekregen die nog niet helemaal scherp omlijnd was, zei ze. Waarschijnlijk Alzheimer, in een vroeg stadium. Ze gebruikte veel van die woorden: waarschijnlijk, voorlopig, afwachten. Henk zat ernaast en zei dat hij heus niet seniel was.

„Ik wil niet dat iedereen me gaat behandelen alsof ik al weg ben,” zei hij.

Marjan vroeg ons toen iets heel nadrukkelijk. We mochten opletten, en we mochten haar bellen als er iets geks was. Maar we moesten niet steeds corrigeren, niet over hem praten waar hij bij zat en vooral geen gedoe maken met instanties.

„Hij heeft nog zoveel zelf,” zei ze. „Als we alles meteen van hem overnemen, is dat ook weg.”

Ik begreep dat. Echt. Henk was altijd degene die voor iedereen dingen regelde. De route, de belastingaangifte van zijn moeder, de kapotte vaatwasser bij onze dochter toen wij op vakantie waren. Het was pijnlijk om te zien hoe hij nu soms bij de voordeur bleef staan, met zijn jas al aan, alsof hij niet meer wist waarvoor.

Maar het werd sneller zwaarder dan ik dacht.

Marjan begon overal mee te lopen. Naar de supermarkt, naar de fysio, zelfs als Henk alleen maar een krantje wilde halen. Ze legde briefjes neer, verwijderde de gaspitknoppen als ze boven ging douchen en sliep steeds slechter. Als we haar vroegen hoe het ging, zei ze: „Prima hoor, we vinden onze weg wel.”

Alleen zag je aan alles dat het niet prima was. Ze droeg vaak dezelfde trui, vergat haar eigen afspraken en stond geregeld ’s ochtends al met rode ogen in de gezamenlijke keuken. Dan zette ze koffie voor Henk, sneed zijn boterhammen en ruimde ondertussen spullen op die hij overal had neergelegd.

Els wilde al eerder de huisarts bellen. Ik hield dat tegen. Niet omdat ik het geen goed idee vond, maar omdat ik dacht: Marjan heeft ons toch duidelijk gezegd dat ze zelf aan de bel trekt. Je gaat niet achter de rug van je beste vriendin om haar leven organiseren.

Toen kwam die zaterdag in februari.

Ik was vroeg wakker en zag vanuit de slaapkamer een vreemde gloed op de binnentuin. Niet fel, meer flakkerend. Ik dacht eerst dat iemand buiten een lamp had laten branden. Beneden rook ik het meteen: aangebakken olie.

Henk stond in de gezamenlijke keuken in zijn pyjama. Een pan was zwart vanbinnen. Hij had olie op het vuur gezet, vertelde hij, omdat hij eieren wilde bakken. Daarna was hij naar de schuur gegaan om iets te zoeken. Wat precies wist hij niet meer.

Er was geen brand. De afzuigkap stond aan en ik was er op tijd bij. Maar toen Marjan kwam, zag ik haar gezicht veranderen. Niet schrikken alleen. Alsof ze van binnen ergens opgaf.

Henk werd boos omdat ik de pan in de gootsteen zette.

„Ik kan toch wel een ei bakken?”

„Natuurlijk,” zei ik, en ik zei het te snel, te voorzichtig. Dat hoorde hij ook.

Marjan nam hem mee naar hun huis. Later die middag kwam ze bij ons langs. Ze had haar jas nog aan en bleef in de hal staan, alsof ze niet de energie had om te gaan zitten.

Els zei dat dit niet meer alleen kon. Niet op deze manier. Dat er thuiszorg of begeleiding mogelijk was, dat je via de huisarts een casemanager dementie kon krijgen, dat we desnoods samen naar een gesprek konden.

Marjan keek Els aan alsof zij iets heel grofs had gezegd.

„Jullie snappen niet wat je vraagt. Als er straks elke ochtend iemand binnenkomt, weet Henk dat het voorbij is. Dan is hij patiënt. Hij wil hier gewoon wonen.”

„Hij kan hier ook gewoon wonen mét hulp,” zei Els.

Dat was geen handige zin. Misschien had Els gelijk, maar het klonk alsof Marjan degene was die dat tegenhield.

Marjan begon te huilen, heel stil. Daarna zei ze dat wij niet mochten bepalen wat normaal was in hun huis. Dat ze al genoeg mensen had die een mening hadden: de neuroloog, haar zus, onze kinderen die zich ermee bemoeiden omdat ze bezorgd waren. „Ik heb hem beloofd dat ik niet van hem afpak wat hij nog kan.”

Daar kon ik weinig tegenin brengen.

Een week later belde onze buurvrouw van nummer 18. Zij woont niet in ons project, maar kijkt uit op de parkeerplaats. Henk was volgens haar om half vier ’s nachts buiten geweest in zijn badjas. Hij had bij haar aangebeld en gevraagd waar Marjan was. Marjan lag op dat moment naast hem te slapen, vermoed ik. De buurvrouw had hem teruggebracht.

Ik heb Marjan niet meteen gebeld. Dat is misschien het lafste aan dit hele verhaal. Ik wist dat ze woedend zou zijn. Ik wist ook dat ze die nacht waarschijnlijk weer geen oog dicht zou doen.

De volgende ochtend heb ik de praktijkondersteuner van onze huisarts gebeld. Niet om Henk aan te melden alsof hij een pakketje was, maar om advies te vragen. Ik heb verteld dat er een diagnose was, dat Marjan overbelast leek en dat er twee incidenten waren geweest. Zij zei alleen dat ze zonder toestemming weinig kon bespreken, maar dat ze Marjan wel kon uitnodigen voor een gesprek over mantelzorg.

Die uitnodiging lag twee dagen later bij hen op de mat.

Marjan wist meteen dat het van mij kwam. Henk waarschijnlijk niet; die vroeg alleen waarom de huisarts ineens wilde praten over zijn bloeddruk.

Ze heeft sindsdien nauwelijks tegen me gesproken. Els krijgt nog wel appjes over praktische dingen, over wie de container aan de straat zet en of de logeerkamer vrij is voor haar nicht. Maar als ik in de binnentuin kom, gaat Marjan vaak naar binnen. Henk is juist hartelijker dan ooit. Soms té hartelijk. Vorige week vroeg hij of ik zijn vader nog vaak zag. Mijn vader is achttien jaar dood.

Er is nu een kookplaatbeveiliging geplaatst in de gezamenlijke keuken. Officieel omdat we allemaal ouder worden en omdat het makkelijk is, wat natuurlijk onzin is. Marjan heeft alsnog een gesprek gehad met de praktijkondersteuner, maar ze heeft mij daar niets over verteld.

Ik weet niet of ze thuiszorg heeft aangevraagd. Ik weet ook niet of ik nog het recht heb om daarnaar te vragen.

Vanmorgen zag ik haar door het raam met Henk naar de auto lopen. Zij hield zijn arm vast, niet opvallend, maar zo stevig dat haar knokkels wit waren. Henk vertelde iets en zij knikte op de goede momenten. Toen ze instapte, bleef ze een paar seconden met haar voorhoofd tegen het stuur zitten.

Ik stond met een vuilniszak in mijn hand en heb niets gedaan. Alleen gewacht tot de auto de straat uit was, en toen de zak in de verkeerde container gegooid.