Na 34 jaar vriendschap zei mijn beste vriend dat wij blijkbaar niet genoeg van hen hielden om mee te verhuizen
De eerste keer dat Pieter het erover had, zaten we gewoon bij hen aan de eettafel in Amersfoort. Marjan had witlof met ham en kaas gemaakt, zoals ze altijd doet als er bezoek komt, en Anja stond af te wassen terwijl ik nog een glas wijn inschonk. Pieter zei dat hij iets op Funda had gezien, maar dan niet echt een huis.
Een oude boerderij in Drenthe, met een schuur, twee vakantiewoningen en genoeg grond voor moestuinen. Hij zei het op een manier alsof hij al wist dat wij meteen zouden begrijpen wat hij bedoelde.
“Met z’n vieren iets opzetten,” zei hij. “Niet van dat zweverige, hoor. Gewoon zelfstandig wonen, maar wel bij elkaar. Misschien later nog één of twee stellen erbij. Elkaar een beetje helpen als we ouder worden. Samen eten wanneer het uitkomt. Niet allemaal opgesloten raken in je eigen rijtjeshuis.”
Ik weet nog dat ik eerst moest lachen. Niet omdat ik het belachelijk vond. Eerder omdat ik Pieter al dertig jaar kende als iemand die na een weekend kamperen in de regen zei dat hij toch liever zijn eigen douche en zijn eigen krant aan de ontbijttafel had.
Maar hij meende het echt.
Wij kennen Pieter en Marjan sinds 1990. Onze kinderen zaten bij elkaar op zwemles. Daarna kwamen de zaterdagavondjes, de vakanties in Frankrijk en later de jaarlijkse week op Texel, toen de kinderen allang niet meer mee wilden. We zijn door veel heen gegaan. Toen Anja borstkanker kreeg, stonden zij met pannen eten voor de deur zonder eerst te vragen of dat nodig was. Toen hun oudste zoon Jeroen ging scheiden, hebben wij wekenlang naar Pieter geluisterd aan onze keukentafel. Zo’n vriendschap was het.
Iedere donderdag eten we om en om bij elkaar. Zelfs in coronatijd hadden we buiten, met dekens over onze benen, koffie gedronken in de tuin. Niet omdat we geen andere mensen hebben, maar omdat dit vertrouwd is. Alsof je niet steeds hoeft uit te leggen wie je bent geweest.
De weken daarna kwam die boerderij steeds vaker ter sprake. Pieter had berekeningen gemaakt. Marjan stuurde links naar projecten in Brabant en Overijssel. Het woord ‘gemeenschap’ begon ineens in bijna elk gesprek te vallen. Ze wilden niet wachten tot ze tachtig waren en afhankelijk werden van hun kinderen of van thuiszorg die steeds wisselt. Daar had ik begrip voor. Echt.
Alleen hadden Anja en ik net een appartement gekocht in Alkmaar.
Geen groot penthouse of zo. Gewoon een nieuwbouwappartement op de tweede verdieping, met lift, een balkon waar je net met vier man kunt zitten en een berging die nu al te klein is. We hadden ons huis verkocht omdat de trap ons op termijn niet handig leek. Anja heeft last van haar knie, ik heb al jaren gedoe met mijn heup. Het was een hele onderneming geweest, die verkoop. Bezichtigingen, tijdelijke opslag, discussies over de keuken. Maar toen we er eenmaal woonden, voelde het als een opluchting.
En onze dochter woont tien minuten fietsen verderop, met haar twee meisjes.
Ik haal Noor op woensdag van school. Ze is zes en praat zonder adem te halen over paarden, juffrouw Ellen en wie er niet mee mocht doen met tikkertje. Fien is drie en wil alleen op mijn schoot als ze moe is. Dat zijn geen dingen die ik zomaar inruil voor een mooi idee met moestuinbakken in Drenthe.
We hebben Pieter en Marjan niet meteen afgewezen. Misschien was dat onze fout. We zeiden dat we erover na wilden denken. We reden zelfs een zaterdag met ze mee om de boerderij te bekijken. Het was prachtig, dat moet ik eerlijk zeggen. Lage bomen, stilte, een groot erf. Pieter liep rond alsof hij er al woonde. Hij wees aan waar onze woning zou kunnen komen. Niet als vraag, maar bijna als mededeling.
“Hier heb je ochtendzon,” zei hij tegen Anja. “Dat vind jij toch fijn?”
Anja keek naar mij. Ze glimlachte, maar ik kende die glimlach. Die betekent: zeg jij het maar, want als ik nu iets zeg wordt het vervelend.
De maandag daarna hebben we gebeld. Ik zei dat we niet mee zouden gaan. Dat we blij waren in Alkmaar, dat de kleinkinderen zwaar meewegen, dat we het hun van harte gunden maar zelf geen zin hadden om opnieuw alles om te gooien.
Het bleef lang stil aan de andere kant.
Toen zei Pieter: “Dus wij zijn leuk voor donderdagavond, maar niet belangrijk genoeg om echt een toekomst mee te bouwen?”
Ik wist oprecht niet wat ik daarop moest zeggen. Ik zei iets als dat het niet zo werkte. Dat liefde voor vrienden toch niet betekende dat je je huis verkoopt en naar een andere provincie verhuist.
Marjan nam de telefoon over. Ze klonk niet boos, eerder gekwetst. “We dachten dat jullie juist zouden snappen wat we bedoelen. Wij willen niet eindigen zoals onze ouders. Iedereen apart, kinderen die te druk zijn, af en toe een kaartje met kerst.”
Dat raakte me, omdat ik ook bang ben voor ouder worden. Maar ik werd er tegelijk kwaad van. Alsof wij voor een leven van eenzaamheid kozen omdat we op woensdag onze kleindochter van school halen.
Sindsdien is niets meer vanzelfsprekend. De donderdagavonden zijn gestopt, aanvankelijk omdat Marjan ‘even ruimte nodig had’. Op WhatsApp sturen we nog wel berichten. Pieter reageerde met een duimpje toen ik een foto stuurde van Noor op haar fiets zonder zijwieltjes. Met een duimpje. Vroeger had hij haar gebeld om haar te feliciteren.
Vorige maand gingen we toch koffie drinken, op neutraal terrein, bij een zaakje bij station Amersfoort. Pieter zei dat hij zich bedrogen voelde, en ik zei dat ik het onredelijk vond dat hij onze vriendschap aan een verhuizing koppelde. Hij keek heel moe toen ik dat zei.
“Misschien heb ik het te groot gemaakt,” zei hij uiteindelijk. “Maar ik dacht gewoon: als wij dit niet samen doen, wat blijft er dan over van al die plannen die we altijd hadden?”
Daar had ik geen goed antwoord op. We hadden inderdaad vaak geroepen dat we later naast elkaar zouden wonen. Aan zee, in een boerderij, in Spanje zelfs een keer. Het waren van die dingen die je zegt met een glas wijn in je hand. Ik had nooit gedacht dat één van ons het als een belofte had opgeslagen.
De boerderij is inmiddels verkocht aan iemand anders. Pieter en Marjan kijken nu naar een kleiner project bij Assen. Ze gaan waarschijnlijk wel verhuizen, alleen niet meteen. Anja zegt dat we ze moeten laten gaan zonder elke keer te proberen uit te leggen waarom wij blijven. Ze heeft gelijk, denk ik.
Maar vanmiddag zag ik dat Pieter online was en heb ik twintig minuten naar ons lege WhatsApp-gesprek gekeken. Uiteindelijk stuurde ik alleen: ‘Hoe gaat het met jullie?’
Hij heeft het gelezen. Er staat nog geen antwoord.