Mijn oudste vriend vroeg ons onze vakanties op te geven voor de zorg van zijn vrouw
Vorige week heb ik onze reisgids van Schotland weer in de la gelegd. Niet omdat we niet meer willen gaan, maar omdat ik hem ineens niet meer durfde open te slaan.
Mijn vrouw Els en ik zijn allebei 63. Ik ben in januari gestopt bij de gemeente, na bijna veertig jaar op de afdeling beheer. Els is een paar maanden eerder met pensioen gegaan uit het basisonderwijs. We hebben altijd gezegd: als het eenmaal kan, gaan we weg. Niet drie weken met een propvolle planning, maar rustig. Met de auto, B&B’s, een regenjas mee, ergens koffie drinken omdat het kan.
Samen met Kees en Marjan hadden we dat soort plannen vroeger ook al. We kennen hen sinds 1986, van de straat waar we toen allebei in een huurwoning woonden. Onze kinderen zaten bij elkaar op zwemles. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, oud en nieuw gevierd, elkaar geholpen met verbouwingen en scheidingen van familieleden. Kees was degene die bij mijn vader in het ziekenhuis kwam zitten toen ik zelf even naar huis moest om te slapen. Zo’n vriend is hij.
Of was, moet ik misschien zeggen. Dat klinkt hard. Hij is nog steeds die man, maar hij is ook iemand geworden die voortdurend bang is.
Bij Marjan begon het met kleine dingen. In het begin maakten we er eerlijk gezegd grapjes over. Ze zette de melk in het keukenkastje, wist drie keer in een gesprek niet meer dat Els’ zus naar Zeeland was verhuisd. Iedereen vergeet weleens iets, zeker na je zestigste. Maar vorig voorjaar raakte ze in het centrum de weg kwijt. Een route die ze al dertig jaar fietste. Daarna kwamen de onderzoeken. Geheugenpoli, gesprekken, scans. Uiteindelijk zei de geriater dat het om een beginnende vorm van Alzheimer ging.
Kees belde mij die avond. Hij zei niet veel. Alleen: “Het is dus echt.”
De eerste maanden hielpen we vanzelfsprekend. Els ging met Marjan wandelen. Ik bracht Kees naar een afspraak omdat hij niet wilde parkeren bij het ziekenhuis. We namen eten mee. Niets voelde als een opoffering. Het was gewoon wat je doet.
Maar in de zomer werd Marjan onrustiger. Ze belde Els soms vijf keer op een ochtend omdat ze dacht dat Kees verdwenen was, terwijl hij boven lag te douchen. Een keer liep ze zonder jas naar buiten om ‘de kinderen van school te halen’. Hun kinderen zijn 35 en 38 en wonen allebei niet om de hoek.
Kees werkte nog drie dagen per week bij een installateur. Hij is een jaar jonger dan wij en wil doorwerken, zei hij, ook omdat hun hypotheek nog niet helemaal afgelost is en omdat hij bang is voor wat er allemaal nog komt. Dagbesteding vond Marjan vreselijk. Ze had een proefdag gehad en vertelde thuis dat ze daar “tussen allemaal demente mensen” zat. Kees lachte daar toen wrang om, maar ik zag dat hij ervan schrok.
In september vroeg hij of we eens wilden komen praten. Els en ik dachten dat hij misschien hulp nodig had met het aanvragen van iets. Een casemanager dementie, huishoudelijke hulp, dat soort dingen. We zaten aan hun eettafel met koffie en een pak stroopwafels dat al open op tafel stond. Marjan zat erbij en zei bijna niets. Ze plukte steeds een kruimel van haar vest.
Kees had een velletje papier gemaakt. Maandag, woensdag en vrijdag stond erop. Daarachter tijden.
Hij zei dat Els op die dagen bij Marjan kon zijn, van half negen tot ongeveer vijf. Ik kon dan volgens hem boodschappen doen, een was draaien, misschien koken voor de avond. “Dan kan ik gewoon blijven werken,” zei hij. “En jullie zijn toch vrij nu.”
Ik weet nog dat ik naar dat papier keek en dacht dat ik hem verkeerd begrepen had. Drie volledige dagen. Elke week.
Els vroeg heel voorzichtig of hij al met de casemanager had besproken wat mogelijk was. Kees zuchtte meteen. Hij zei dat daar wachtlijsten voor waren, dat thuiszorg alleen maar binnenkomt en weer weggaat, en dat hij Marjan niet aan vreemden wilde overlaten. Toen keek hij ons aan alsof het antwoord eigenlijk al vaststond.
“Bij jullie is ze veilig. Jullie kennen haar.”
Dat was het moeilijke. Want hij had gelijk. Marjan kent Els al langer dan haar eigen schoonzus. Als Els binnenkomt, ontspant ze vaak zichtbaar. Ze vraagt dan of ze nog naar de camping in de Ardèche gaan, alsof we 1998 schrijven. Els gaat daar altijd in mee. Ik weet niet of dat goed is, maar het maakt Marjan rustig.
We zeiden die middag niet meteen nee. We zeiden dat we erover na moesten denken. Het stomme was dat we daarna thuis vooral praatten over praktische dingen. Of drie dagen wel haalbaar waren. Of we het konden combineren met onze plannen. Of Marjan nog alleen naar de wc kon, wat ze at, of ze haar medicijnen op tijd nam. Alsof de kern niet was dat we geen zorgverleners zijn.
Els huilde die avond. Niet luid, gewoon aan tafel, terwijl ze de vaatwasser inruimde.
“Als ik nee zeg, voelt het alsof ik Marjan laat vallen,” zei ze.
Ik zei dat we haar niet lieten vallen. Maar ik klonk niet overtuigend, ook voor mezelf niet.
We boden uiteindelijk aan om één vaste dag per week te komen en daarnaast af en toe een middag of avond, als Kees een afspraak had. Ik wilde ook helpen uitzoeken of er respijtzorg mogelijk was en of Marjan misschien rustig kon wennen aan dagbesteding. Kees zei eerst alleen: “Eén dag.”
Hij herhaalde het alsof hij proefde of het echt was.
De weken daarna werd het stroef. Niet openlijk ruzie, meer van die kleine dingen. Hij reageerde laat op berichten. Als ik belde, nam hij soms niet op. Els ging op donderdag naar Marjan en kreeg dan te horen dat Kees die ochtend had gezegd dat ‘iedereen het druk heeft tegenwoordig’. Marjan wist vaak niet precies wat daarmee bedoeld werd, maar Els wel.
Afgelopen zondag kwam Kees bij ons langs. Zonder Marjan; zij was bij hun dochter in Amersfoort. We hadden net onze route voor Schotland bekeken. De overtocht hadden we nog niet geboekt, gelukkig.
Hij zag de kaarten op tafel en vroeg wanneer we weg wilden.
“Eind mei, drie weken ongeveer,” zei ik.
Toen zei hij dat we die vakantie misschien beter konden annuleren. Niet als vraag, eigenlijk. Hij zei dat Marjan achteruitging en dat hij niet wist hoe hij die periode moest opvangen. “We moeten gewoon een rooster maken,” zei hij. “Met jullie, de kinderen, misschien mijn broer. Iemand moet er zijn.”
Els werd heel stil. Ik voelde dat ik boos werd, niet eens alleen om wat hij vroeg, maar omdat hij over óns sprak alsof we al hadden toegezegd.
Ik zei dat we niet onze vakantie gingen annuleren. Ik zei ook dat een rooster met familie en vrienden misschien tijdelijk helpt, maar dat dit niet de oplossing kan zijn voor zorg die waarschijnlijk alleen maar zwaarder wordt.
Kees keek me aan alsof ik hem had verraden.
“Dus die reis is belangrijker dan Marjan?”
Daar heb ik geen goed antwoord op gegeven. Ik zei iets als: “Zo moet je het niet stellen.” Wat natuurlijk precies is wat mensen zeggen wanneer ze niet durven zeggen wat ze eigenlijk bedoelen.
Wat ik bedoelde, denk ik, is dat Marjan belangrijk is. Kees ook. Maar Els en ik zijn niet ineens reservepersoneel omdat we pensioen hebben. We hebben onze eigen knieën die zeuren, mijn bloeddruk die niet fantastisch is, een zoon die soms ook nog hulp nodig heeft met de kleinkinderen. En we hebben elkaar. Juist nu we eindelijk tijd hebben.
Tegelijk schaam ik me als ik dat opschrijf. Kees slaapt slecht, werkt door en ziet zijn vrouw langzaam verdwijnen terwijl ze nog naast hem op de bank zit. Dan klinkt Schotland behoorlijk luxe.
Hij ging weg zonder koffie te drinken. Dat heeft hij in al die jaren nog nooit gedaan.
Els is gisteren wel naar Marjan geweest. Ze hebben samen soep gegeten uit de vriezer en naar Heel Holland Bakt gekeken. Marjan vroeg drie keer waar Kees was. Els vertelde drie keer dat hij aan het werk was.
Vanavond ga ik Kees weer bellen. Niet om alsnog drie dagen toe te zeggen, maar om te vragen of hij mee wil naar het gesprek met de casemanager volgende week. Ik weet niet of hij opneemt. De reisgids ligt nog steeds in de la, onder de stapel oude belastingpapieren.