Mijn vrouw wil dat mijn beste vriend een jaar bij ons komt wonen, maar ik ben bang dat we daar zelf aan onderdoor gaan

Vorige week stond er ineens een plastic vergiet in mijn vaatwasser dat niet van ons was. Groen, met een scheurtje in de rand. Het stelde eigenlijk niets voor, maar ik werd er disproportioneel chagrijnig van.

Henk had die middag pasta gemaakt. Of nou ja, hij had water op het vuur gezet, was gebeld door zijn zoon en was vervolgens vergeten dat hij überhaupt aan het koken was. Toen ik thuiskwam van mijn vrijwilligerswerk bij de voetbalclub, stond de pan droog te koken. Marjan had hem net op tijd uitgezet.

Henk zei tien keer sorry. Hij zei ook dat hij “nog helemaal niet geland” was. En ik knikte, want wat moet je anders? Maar later, toen hij boven lag te slapen in onze logeerkamer, zei ik tegen Marjan dat dit precies was waar ik bang voor was geweest.

“Eén pan,” zei zij. “Je doet alsof hij het huis heeft afgebrand.”

Dat is nu drie weken geleden. Hij zou oorspronkelijk een jaar bij ons komen wonen.

Henk en ik kennen elkaar al sinds 1984. We werkten toen allebei bij de technische dienst van de gemeente, nog in zo’n grijs gebouw waar iedereen rookte in de kantine. Onze vrouwen leerden elkaar kennen op een barbecue van het werk. Daarna ging het vanzelf. Vakanties in Frankrijk met twee tenten naast elkaar, verjaardagen, de kinderen die samen opgroeiden en elkaar later juist weer minder zagen. De gebruikelijke dingen.

Henk en Els waren voor ons nooit zomaar kennissen. Als mijn vader in het ziekenhuis lag, zat Henk zonder aankondiging bij mijn moeder aan de keukentafel. Toen Marjan een operatie aan haar knie moest ondergaan, reed Els haar wekenlang naar fysiotherapie. We waren met z’n vieren, zo voelde dat altijd. Ook als we elkaar soms een maand niet zagen.

De scheiding van Henk en Els kwam niet helemaal uit de lucht vallen, maar toch ook weer wel. Ze maakten al jaren van die kleine steken naar elkaar waar je als vriend ongemakkelijk van wordt. Els zei dat Henk alles liet slingeren en nergens verantwoordelijkheid voor nam. Henk zei dan lachend dat Els een agenda voor zijn ademhaling wilde bijhouden. Wij zeiden er meestal niets van.

Vorig najaar belde Henk mij op een dinsdagavond. Hij sprak zacht, wat hij normaal nooit doet. Els had gezegd dat ze echt wilde scheiden. Niet tijdelijk uit elkaar, niet relatietherapie erbij. Klaar.

Daarna ging het snel en tegelijk eindeloos traag. Het huis moest verkocht worden. Henk had minder opgebouwd dan hij zelf altijd dacht. Hij is twee jaar geleden gestopt met werken, na gedoe met zijn rug, en leeft nu van AOW en een klein pensioen. Els had meer pensioen, omdat zij later nog een paar dagen per week was blijven werken in de zorg. Het is allemaal niet mijn zaak, maar je hoort dingen natuurlijk.

Hij kreeg uiteindelijk een kleine sociale huurwoning in een dorp verderop. Eén slaapkamer, een woonkamer waar net een bank en tafel in passen, en een berging waar zijn fiets nauwelijks in kan. Hij noemde het zelf ‘een doos met een voordeur’. Ik ben er één keer geweest om een kastje te helpen tillen. Het rook er naar nieuw laminaat en vochtige jassen. Op het aanrecht stonden twee koffiemokken, terwijl Henk nooit koffie drinkt uit een mok maar altijd uit een glas. Dat vond ik erger dan ik had verwacht.

Een maand geleden kwam hij bij ons eten. Marjan had hutspot gemaakt, omdat Henk daar vroeger altijd om vroeg als hij hier kwam. Na het toetje bleef hij met zijn lepel in zijn hand zitten kijken.

Hij zei: “Mag ik iets heel geks vragen?”

Ik dacht eerlijk gezegd dat hij geld wilde lenen.

Hij vroeg of hij een jaar bij ons mocht wonen. Niet gratis, zei hij meteen. Hij zou bijdragen aan de boodschappen, aan energie, aan alles wat redelijk was. Zijn flat wilde hij niet opzeggen; die kon hij niet kwijt. Maar hij wilde er tijdelijk niet alleen zitten. Hij wilde weer ritme krijgen, gezonder eten, gaan wandelen, misschien een paar uur per week iets doen bij de kringloop. Hij zei dat hij zichzelf kwijt was en bang was dat hij in dat huis alleen maar kleiner zou worden.

Marjan had haar hand al op zijn arm gelegd voordat ik iets kon zeggen.

“Tuurlijk,” zei ze. “Daar gaan we gewoon naar kijken.”

Ik voelde meteen dat ik de enige aan tafel was die niet ontroerd mocht zijn.

We wonen ruim. Niet enorm, maar ruim genoeg voor twee mensen. Rijtjeshuis in Amersfoort, hypotheek bijna afgelost, kleine tuin waar Marjan haar planten serieus neemt. De zolder is rommelig, maar de logeerkamer is netjes. Juist omdat we sinds mijn pensioen eindelijk tijd en stilte hebben. We ontbijten langzaam. Soms zeg ik tot drie uur ’s middags bijna niets. Marjan schildert in de serre. Ik rommel aan fietsen en ga op woensdag vissen met mijn broer.

Dat klinkt misschien zelfzuchtig, maar we hebben allebei lang gewerkt. Marjan in het onderwijs, ik bij de gemeente. De kinderen zijn het huis uit. We waren net een beetje aan het uitzoeken wie we samen zijn zonder dat er altijd iemand iets van ons nodig heeft.

Die avond zei ik tegen Marjan dat ik Henk wilde helpen, maar niet op deze manier. Ik stelde voor dat we hem elke zondag zouden ophalen, dat hij mee kon eten, dat ik hem kon helpen met zijn administratie of met die flat wat gezelliger maken.

Marjan keek me aan alsof ik een vreemde was.

“Hij vraagt niet om een zondagmiddag, Kees. Hij vraagt omdat hij het niet redt in zijn eentje.”

“Hij redt het wel. Hij heeft een woning. Hij heeft inkomen. Hij is niet op straat gezet.”

“Je weet toch wat hij bedoelt.”

Ja, dat wist ik. Misschien maakte het dat juist zo lastig.

De dagen erna hadden we er steeds kleine ruzies over. Niet schreeuwen, maar van die gesprekken die beginnen over de vaatwasser en eindigen bij dingen van twintig jaar geleden. Marjan zei dat Henk er altijd voor ons was geweest. Ik zei dat dat niet betekende dat wij ons huis een jaar moesten openstellen. Zij zei dat we later misschien zelf hulp nodig zouden hebben en dat je niet alleen vriendschap kunt willen als het gezellig is.

Daar had ze een punt. Ik zei alleen dat hulp ook grenzen mocht hebben. Dat Henk chaotisch is, somber, snel gekwetst. Dat hij in zijn huwelijk vaak verwachtte dat Els zijn zaken opving. Ik ben bang dat Marjan straks zijn was doet, zijn afspraken onthoudt en zich schuldig voelt als ze een middag alleen wil zijn. En ik ben bang dat ik dan de boze man word die hem niet welkom laat voelen.

Uiteindelijk hebben we gezegd: eerst een maand proberen. Henk kwam met twee tassen, een doos met papieren en veel te veel schoenen. Hij is niet vervelend. Dat maakt het ingewikkelder. Hij ruimt soms zelfs de tafel af voordat wij opstaan. Maar hij is overal. Zijn telefoon gaat vroeg. Hij kijkt spelprogramma’s die ik niet kan verdragen. Hij vertelt elke avond iets nieuws dat Els fout heeft gedaan, en als ik voorzichtig zeg dat zij vast ook haar kant heeft, wordt hij stil.

Gisteren wilde Marjan naar haar zus in Zwolle. Normaal zou ik mee zijn gegaan, maar ik zei dat ik thuisbleef. Ik had geen zin om Henk alleen te laten in een huis dat niet van hem is, en ik had al helemaal geen zin in een middag uitleggen waarom ik liever in de schuur stond.

Toen Marjan thuiskwam, lag er een briefje op tafel. Henk was naar zijn eigen flat gegaan. Hij schreef dat hij voelde dat het niet goed ging en dat hij ons niet tussen zichzelf wilde krijgen. Hij bedankte ons voor de eerste weken en zei dat hij morgen zijn spullen zou ophalen.

Marjan heeft het briefje drie keer gelezen en daarna boven de deur dichtgedaan. Ik heb niet geprobeerd haar tegen te houden. Misschien had ik dat moeten doen.

Vanmorgen appte Henk dat hij veilig thuis was, dat hij even rust nodig had. Marjan heeft nog niet geantwoord. Ik zit nu aan de keukentafel, met dat groene vergiet schoon en droog in de kast. Ik weet niet eens waarom ik het niet gewoon weggooi.