Ik kon de koopakte van ons huis in Frankrijk niet tekenen, en daarmee zette ik veertig jaar vriendschap op scherp

De map van de notaris ligt nog steeds in de la onder de telefoon. Ik heb hem daar zelf neergelegd, met de blauwe tabjes die Els erin had geplakt: hier tekenen, hier paraferen, hier paspoortnummer invullen. Alsof het een vrolijk klusje was dat we na de koffie nog even zouden doen.

Het huis staat in de Dordogne, een oud stenen huis met blauwe luiken en een scheve schuur. Niet enorm groot, maar groot genoeg voor twee gezinnen, kinderen die af en toe langskomen en later misschien kleinkinderen. Er zit een zwembad bij dat opnieuw gevoegd moet worden, een lap grond met walnotenbomen en een keuken waar volgens de makelaar „alleen wat liefde” in hoeft.

Wij kenden die woorden inmiddels. Alleen wat liefde. Alleen wat onderhoud. Alleen even een aannemer bellen.

Met Els en Rob zijn we al bevriend sinds 1983. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, nog met jonge kinderen en veel te weinig geld. Rob leende ooit zijn aanhanger uit toen wij verhuisden. Mijn man Henk hielp hem vervolgens drie weekenden met een dakkapel. Zo is het begonnen, zonder dat iemand besloot: vanaf nu zijn we beste vrienden.

We vierden verjaardagen samen, gingen met de vouwwagen naar Frankrijk, vingen elkaars kinderen op als er iets was. Toen mijn moeder overleed, stond Els de volgende ochtend met een tas broodjes voor de deur. Toen Rob na een reorganisatie zijn baan kwijt was, heeft Henk hem maandenlang geholpen met sollicitaties, al deed Henk daarna alsof hij alleen maar wat cv’s had nagekeken.

Frankrijk was altijd ons gezamenlijke toekomstplaatje. Als we met z’n vieren na het eten nog een glaasje dronken, zei Rob: „Later kopen we gewoon iets daar. Dan zijn we eindelijk eens niet afhankelijk van verhuurders.” Iedereen lachte dan, maar we meenden het wel.

Toen we allebei met pensioen gingen, werd het ineens concreet. Rob had via via een Nederlandse makelaar gevonden. Els maakte spreadsheets. Henk en ik reden mee voor bezichtigingen. Henk liep in die eerste maanden nog overal voorop met zijn rolmaat en zaklamp. Hij keek naar dakgoten, kruipruimtes, leidingen. Hij had er zichtbaar plezier in.

Zijn benen begonnen ongeveer twee jaar geleden moeilijker te doen. Eerst dacht hij dat het zijn heup was. Toen zijn rug. Hij liep wat stijver, nam vaker de auto voor een klein stukje en liet de boodschappenkratjes door mij uit de auto halen. Daarna kwamen de onderzoeken. Slijtage, zenuwproblemen, ze konden er geen helder etiket op plakken dat alles verklaarde. Hij heeft dagen waarop het redelijk gaat en dagen waarop hij na twintig minuten lopen wit wegtrekt.

Henk wil daar niet te veel over praten. Hij zegt: „Ik ben geen kasplant.” En dat is hij ook niet. Hij kookt nog, hij rijdt auto, hij maakt grapjes. Maar een trapladder op, een lekkage zoeken of acht uur naar Zuid-Frankrijk rijden: dat zijn geen kleine dingen meer.

Bij elke bezichtiging nam ik ongemerkt meer over. Ik mailde met de makelaar. Ik regelde de Franse rekening die uiteindelijk niet nodig bleek. Ik zocht uit hoe het zat met de taxe foncière, verzekeringen en een lokale klusjesman. Thuis hielp ik Henk met zijn oefeningen, en ik hield ondertussen onze eigen tuin bij, want daar was ook altijd wat.

Niemand dwong me. Dat is misschien juist waarom ik zo lang niks zei.

Els zei regelmatig: „We doen natuurlijk alles eerlijk, hè. Iedereen draagt zijn steentje bij.” Dat bedoelde ze lief. Rob ook. Hij heeft echt aangeboden om het dak van de schuur te doen en hij is handig genoeg. Maar hij werkt nog twee dagen per week in zijn oude advieswerk en Els past iedere woensdag op hun kleindochter. Bovendien wonen ze in Zwolle. Wij in Amersfoort. Als er bij dat huis iets gebeurt, zijn we allemaal ver weg, maar ik wist precies wie er uiteindelijk de lijstjes zou bijhouden.

Ik dus.

Tijdens onze laatste trip naar Frankrijk gebeurde er niets spectaculairs. Misschien was dat het ergste. Henk verstapte zich op het ongelijke terras. Hij viel niet hard, maar hij zat daarna op een plastic tuinstoel met zijn gezicht strak van de pijn. Rob was binnen met de makelaar. Els maakte foto’s van de lavendel langs de oprit.

Ik stond daar met een zak diepvrieserwten uit de koelkast tegen Henks knie gedrukt en dacht alleen maar: als we dit kopen, zit ik hier over drie jaar misschien alleen met een kapotte pomp, een man die nauwelijks kan lopen en drie mensen die zeggen dat het vast wel goedkomt.

Die avond hebben we gegeten in een klein restaurantje in het dorp. Rob had wijn besteld en zei dat we de vraagprijs nog wat omlaag konden krijgen. Els keek me stralend aan.

„Kun je je voorstellen dat we hier volgend voorjaar al met Pasen zitten?”

Ik kon het me voorstellen. Veel te goed zelfs.

Ik zei: „Ik weet niet of we dit op deze manier moeten doen.”

Het werd zo stil dat ik achteraf nog weet dat er ergens een espressoapparaat stoom afblies.

Henk keek naar zijn bord. Els vroeg meteen wat ik bedoelde. Ik zei dat ik niet wilde doen alsof onze situatie hetzelfde was als vijf jaar geleden. Dat ik niet de beheerder wilde worden van een huis waar we allemaal van droomden. Dat als we doorgingen, ik wilde dat de financiële verdeling én de verantwoordelijkheden anders werden. Bijvoorbeeld dat Rob en Els een groter aandeel namen, of dat we een professioneel beheerbedrijf inschakelden en daar ook echt geld voor reserveerden.

Rob zette zijn glas neer. Niet boos, eerder gekwetst.

„Dus omdat Henk minder kan, moeten wij ineens meer betalen?”

Dat had ik niet letterlijk gezegd, maar ik snapte wel dat het zo klonk.

Henk zei toen, veel te fel: „Laat maar, Marianne. Ik red me prima.”

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik had hem willen beschermen, maar ik had hem aan tafel juist neergezet als degene die het probleem was. Daar schaam ik me nog steeds voor.

De weken erna werd alles stroef. In onze groepsapp gingen vooral praktische berichten rond. De notaris. De wisselkoers. De datum waarop de ontbindende voorwaarden afliepen. Els stuurde een foto van een tafel die perfect in de keuken zou passen. Ik reageerde met een duimpje en legde daarna mijn telefoon weg.

Bij de notaris, vorige donderdag, lag de koopakte al klaar. Henk had zijn pen in zijn hand. Rob maakte nog een grap over dat we nu officieel internationale vastgoedmagnaten waren.

Ik kreeg mijn pen niet van tafel.

Ik zei dat ik niet tekende zolang we geen nieuwe afspraken hadden. Niet omdat ik hen wilde straffen. Niet omdat ik Frankrijk niet meer wilde. Maar omdat ik bang was dat ik steeds stiller en bozer zou worden, totdat ik misschien niet alleen dat huis, maar ook onze vriendschap niet meer trok.

Rob zei: „Na al die jaren laat je ons op het laatste moment vallen.”

Els huilde. Henk zei niets. Dat vond ik bijna moeilijker dan alles wat er gezegd werd.

De koop is nu voorlopig afgeblazen. De verkopers willen nog een week wachten, meer niet. Rob heeft gisteren gebeld dat hij en Els eventueel zonder ons door willen, maar dat ze dat eigenlijk niet kunnen betalen tenzij ze kleiner gaan kopen. Ik heb gezegd dat ik dat begrijp.

Henk praat nog weinig met me. Vanmorgen vroeg hij wel of ik een afspraak bij de fysio in zijn agenda wilde zetten. Daarna zette hij zelf koffie voor ons allebei, zoals altijd, met te veel melk in die van mij.

Van Els heb ik een berichtje gekregen: „Ik mis je. Maar ik weet echt niet hoe ik hiernaar moet kijken.”

Ik ook niet helemaal. Ik weet alleen dat ik die pen niet kon oppakken. De map ligt nog in de la, en vanavond ga ik waarschijnlijk weer kijken of Henk zijn knie minder dik is.