Na veertig jaar vriendschap vroeg mijn vriendin of ik drie dagen per week bij haar kwam wonen

Ik had nooit gedacht dat ik op mijn zevenenzestigste nog bang zou zijn om mijn telefoon op te nemen.

Niet voor slecht nieuws van mijn kinderen of de huisarts. Maar voor Theo.

Als zijn naam op mijn scherm verschijnt, kijk ik soms eerst naar de tijd. Is het voor tien uur ’s ochtends, dan is er meestal iets met Marijke gebeurd. Ze heeft de waterkoker op het gasfornuis gezet, haar pinpas in de diepvries gelegd, of ze is boos omdat Theo volgens haar een vreemde man in haar huis is. Na tienen belt hij meestal om te vragen of wij zondag nog komen.

‘Wij’, dat zijn mijn man Hans en ik. En Marijke en Theo kennen we al veertig jaar.

We leerden elkaar kennen op de camping in Zuid-Frankrijk, in 1984. Onze kinderen waren klein, we hadden allemaal weinig geld en veel geduld nodig. Theo hielp Hans ooit de koppakking van onze oude Opel repareren op een parkeerplaats in Lyon. Marijke paste een hele middag op onze twee jongens terwijl ik met voedselvergiftiging in een stacaravan lag. Daarna gingen we elk jaar wel een keer samen weg. Eerst met de tenten, later met caravans, nog later appartementen waar altijd wel iets aan mankeerde.

We hebben elkaars ouders begraven. Theo kwam schilderen toen Hans na zijn hernia nauwelijks een trap op kon. Marijke zat drie avonden per week bij mijn moeder toen zij in haar laatste maanden niet meer alleen durfde te zijn. Dat soort dingen tel je niet op. Tenminste, dat dacht ik altijd.

Marijke kreeg ruim een jaar geleden de diagnose Alzheimer, nog in een beginfase. Ze wist zelf niet goed wat ze daarvan moest vinden. De ene keer deed ze er luchtig over. Dan zei ze: ‘Nou, dan hoef ik tenminste niet meer te onthouden waar Theo zijn sokken laat.’ De andere keer raakte ze in paniek omdat ze een woord niet kon vinden. Dan kneep ze zo hard in mijn hand dat ik de afdruk nog uren voelde.

In het begin gingen we gewoon vaker koffie drinken. Ik nam haar mee naar de markt in Leiden, omdat ze daar altijd graag kwam. Hans deed af en toe een boodschap voor Theo. Dat voelde vanzelfsprekend. Zij zouden dat voor ons ook gedaan hebben.

Maar de afgelopen maanden werd Theo stiller en tegelijk veeleisender. Niet gemeen, dat wil ik niet zeggen. Hij ziet er vooral uitgeput uit. Zijn overhemd zit soms half in zijn broek, hij vergeet koffie te zetten als wij komen. Theo heeft altijd alles geregeld. De belastingaangifte, de lekkende dakgoot, de route naar Italië zonder TomTom. Nu zegt hij soms midden in een zin: ‘Ik weet ook niet meer hoe lang ik dit volhoud.’

Drie weken geleden vroeg hij of we op een dinsdagavond wilden komen eten. Marijke zat aan tafel met een slabbetje om, hoewel ze daar helemaal geen reden voor had. Ze had zelf geknoeid met tomatensaus en Theo had haar blijkbaar snel iets omgedaan. Ze keek er niet eens van op.

Na het eten ging zij op de bank zitten met een dekentje. Theo nam Hans en mij mee naar de keuken. Hij had de vaatwasser al ingeruimd, maar de besteklade stond nog open.

‘Ik heb erover nagedacht,’ zei hij. ‘Jullie zijn met pensioen, bijna allebei. Hans werkt nog twee dagen, maar dat loopt ook af. Misschien kunnen jullie hier drie dagen per week zijn. Niet alleen een uurtje. Gewoon echt hier. Dan kan ik die dagen naar kantoor en even normaal functioneren.’

Ik dacht eerst dat hij bedoelde: overdag oppassen. Ook veel, maar nog bespreekbaar. Toen zei hij dat de logeerkamer boven vrijgemaakt kon worden. We konden spullen meenemen. Maandag tot en met woensdag bijvoorbeeld. Hij noemde het bijna alsof we een rooster voor een vakantiehuisje maakten.

Hans zei meteen: ‘Theo, we zijn geen zorgverleners.’

Ik vond dat hard klinken. Ik zag Theo’s gezicht dichtgaan.

‘Dat weet ik ook wel,’ zei hij. ‘Maar jullie kennen haar. Ze vertrouwt jullie. En ik vraag dit niet voor de lol.’

Hij keek mij aan, niet Hans. ‘Jij weet hoeveel Marijke voor jullie moeder heeft gedaan.’

Daar zat ik dan, met mijn handen om een theeglas dat al koud was. Want het was waar. Zonder Marijke had ik die laatste maanden met mijn moeder misschien niet gered. Mijn broer woont in Groningen, mijn zus had zelf kanker gehad. Marijke kwam gewoon. Ze zette soep neer, waste een kopje af, praatte tegen mijn moeder alsof ze niet langzaam verdween.

Hans zei onderweg naar huis bijna niets. Pas bij het stoplicht bij de Europaweg zei hij: ‘Hij gebruikt jouw schuldgevoel.’

Ik werd daar zo boos om dat ik naar buiten keek en niks terugzei. Alsof ik een schuldbekentenis nodig had om Marijke te willen helpen.

Maar thuis, toen Hans zijn pyjama al aanhad, zei ik toch: ‘Misschien heeft hij wel gelijk. Misschien kunnen we niet doen alsof dit ons niet aangaat.’

Hans zuchtte. ‘Het gaat ons wel aan. Alleen niet op de manier die hij wil. Drie dagen daar wonen, Els. En wat als het vier dagen worden? Of elke nacht bellen? Jij slaapt nu al slecht als Marijke in de war is.’

Dat laatste was ook waar. Ik was twee weken eerder met haar naar het toilet geweest omdat ze niet meer wist welke deur de badkamer was. Daarna had ze me ineens aangekeken en gefluisterd: ‘Els, je moet niet tegen Theo zeggen dat ik dom word.’

Ik heb toen gezegd dat niemand dat vond. Het voelde als liegen en troosten tegelijk.

Sinds dat etentje is er iets veranderd. Theo belt vaker, maar niet altijd om iets concreets. Hij zegt dan: ‘Marijke vraagt naar je.’ Soms hoor ik haar op de achtergrond lachen. Soms hoor ik niks.

Afgelopen zondag waren we er voor koffie. Marijke had mijn jas al drie keer bewonderd en vroeg daarna waarom ik niet vaker bleef slapen. Theo keek meteen op.

‘Dat bedoel ik nou,’ zei hij. ‘Ze is rustiger als Els er is.’

Hans legde zijn kopje neer. ‘Dat betekent niet dat Els hier moet komen wonen.’

Het werd akelig stil. Marijke keek van hem naar mij, alsof ze voelde dat er iets mis was maar niet wist wat.

Theo zei: ‘Toen Hans zijn baan kwijt was in 1996, wie heeft hem toen aan werk geholpen? Ik. Ik heb één telefoontje gepleegd en hij kon bij Van Vliet beginnen. Dat zijn jullie zeker vergeten.’

Hans werd rood. Hij zei dat hij dat nooit vergeten was, maar dat een baan aanraden iets anders was dan jarenlang zorg dragen voor iemand met dementie. Theo zei dat hij niet om een verpleegkundige vroeg, alleen om vrienden.

Daar heeft hij natuurlijk ook gelijk in. Alleen weet ik niet meer waar het ene ophoudt en het andere begint.

We zijn nu overeengekomen dat ik op dinsdag bij Marijke ben en Hans op vrijdagmiddag met Theo de administratie en boodschappen doorneemt. Ik heb ook de casemanager dementie gebeld, met Theo erbij, en er komt iemand langs om te kijken welke ondersteuning mogelijk is. Theo klonk opgelucht, maar ook teleurgesteld. Hij had iets anders gehoopt, denk ik. Misschien had ik dat zelf ook.

Volgende maand zouden Hans en ik voor het eerst sinds jaren twee weken naar Vlieland gaan, buiten het seizoen. Het huisje is al betaald. Theo vroeg gisteren of we dat misschien konden verplaatsen.

Ik heb gezegd dat ik erover na moest denken.

Hans heeft vanavond de folder van de boot op tafel gelegd, naast de agenda. Ik heb hem nog niet weggehaald.