Na 32 jaar wilde ik niet meer elke donderdag aan tafel zitten
De telefoon ging op een donderdagmiddag om tien over zes, precies toen ik mijn jas aan de kapstok hing en water opzette voor pasta. Ik wist eigenlijk meteen dat het Marjan was. Ze belt nooit zomaar op dat tijdstip. Dan is het óf iets met haar zus in Zwolle, óf met Kees, óf er is iemand ziek, óf ze heeft het gevoel dat er iets mis is zonder precies te weten wat.
Ik keek naar het scherm en bleef net iets te lang staan. Henk zag het vanuit de keuken.
“Neem nou op,” zei hij. “Misschien is er echt wat.”
Dat zinnetje, misschien is er echt wat, heeft ons volgens mij jarenlang op de been gehouden. Alsof alles wat een ander voelt automatisch dringender is dan wat je zelf gepland had.
Marjan nam op met een stem die ik nauwelijks herkende. Ze huilde. Kees was die middag naar zijn broer gereden, ze hadden woorden gehad over de verkoop van het ouderlijk huis, en nu had hij volgens haar gezegd dat hij die nacht misschien bij zijn broer bleef. Ze had al twee glazen wijn gedronken, zei ze er zelf bij, alsof dat het minder erg maakte.
“Kunnen jullie komen?” vroeg ze. “Gewoon even. Ik trek dit niet alleen.”
Henk keek me aan. Hij had zijn autosleutels al half in zijn hand.
Ik zei: “Marjan, ik vind het vreselijk voor je. Maar ik kom vanavond niet.”
Er viel zo’n stilte waarin je ineens de koelkast hoort brommen. Daarna snikte ze harder.
“Ik vraag bijna nooit iets,” zei ze.
Dat was niet waar. Maar ik zei het niet. Ik zei alleen dat ze Kees moest bellen, of haar dochter Sanne, en dat ik haar morgenochtend zou bellen. Ze hing op zonder gedag te zeggen.
Henk zette zijn sleutels op het aanrecht. Niet hard, maar ook niet zacht.
“Dit meen je niet, Els.”
Ik was 63 en ik voelde me op dat moment ongeveer negen jaar oud. Alsof ik iets had stukgemaakt waarvan iedereen wist dat het breekbaar was, behalve ik.
We kennen Marjan en Kees al sinds 1991. Henk werkte toen bij een installatiebedrijf in Amersfoort en Kees zat op dezelfde afdeling. Marjan en ik kregen verkeringstaal met elkaar omdat we allebei net in een nieuwbouwwijk woonden waar nog nauwelijks bomen stonden. Onze kinderen waren klein, onze hypotheken hoog, en we hadden allemaal het idee dat het echte leven later zou beginnen, als het minder druk werd.
De donderdagavond ontstond heel onschuldig. Eerst aten we een keer macaroni bij hen omdat hun keuken net af was. Toen nodigden wij hen de week erna uit. Daarna werd het iets vasts. Om en om koken. In de zomer in de tuin, met van die plastic tafelkleden die altijd aan je arm bleven plakken. In de winter aan onze eettafel, met kaarsen die Marjan meebracht en die ik eigenlijk te zoet vond ruiken.
We zijn samen naar Frankrijk geweest, naar Drenthe, een keer naar een vakantiepark in Limburg waar het dagenlang regende. We hebben elkaars kinderen zien puberen, elkaars ouders begraven, elkaars verbouwingen aangehoord. Toen Henk een hartinfarct kreeg, stond Kees binnen twintig minuten bij de spoedeisende hulp. Dat vergeet ik niet. Dat wil ik ook helemaal niet vergeten.
Maar de laatste jaren begon die donderdag op woensdag al in mijn hoofd te zitten. Wat eten we? Is het onze beurt? Moet ik nog boodschappen doen? Marjan eet sinds kort geen varkensvlees meer, Kees lust geen couscous en Henk vindt dat ik het ingewikkeld maak. Als we bij hen aten, was het ook geen ontspanning meer. Marjan wilde altijd alles doornemen: haar knie, de buren, Sanne die te weinig langskwam, haar oudste kleinzoon die volgens haar te stil was.
Ik zat dan te knikken met een glas wijn in mijn hand en dacht aan mijn eigen bank thuis. Aan een avond waarop niemand iets van me nodig had. Gewoon een documentaire kijken, een beetje rommelen met mijn fotoalbums, vroeg naar bed. Niets bijzonders. Juist dat.
Toen ik afgelopen voorjaar voorzichtig zei dat ik misschien niet meer elke week wilde afspreken, keek Marjan me aan alsof ik had verteld dat we gingen verhuizen naar Canada.
“Maar waarom dan?” vroeg ze. “Hebben we iets gedaan?”
“Nee,” zei ik. “Ik wil gewoon wat meer ruimte.”
Ze lachte kort. “Ruimte? Jullie wonen vrijstaand, Els.”
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Henk zei later in de auto dat ik het onhandig had gebracht. Volgens hem klonk ‘meer ruimte’ als een verwijt. Misschien had hij gelijk. Ik kan soms iets zeggen wanneer ik al te lang heb gewacht, waardoor het er botter uitkomt dan ik wil.
Mijn voorstel was één donderdag per maand. Daarnaast konden we best eens spontaan koffie drinken of samen wandelen. Ik vond dat nog ruimhartig. Marjan vond het kil. Kees zei weinig, zoals hij vaker doet als Marjan verdrietig is. Henk werd stiller dan normaal. Thuis zei hij: “Je gooit 32 jaar vriendschap weg voor een lege avond.”
Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven.
Een lege avond. Zo noemde hij het. Alsof een avond alleen met mijzelf per definitie leeg was. Alsof ik pas bestond wanneer ik iets regelde, luisterde of aanschoof.
Sinds die avond is het stroef. Niet openlijk ruzieachtig, eerder van die kleine dingen. Marjan stuurt op dinsdag een berichtje: ‘Donderdag gewoon bij ons? Ik maak lasagne.’ Ik zeg dat we al iets hebben, ook als dat iets betekent dat ik mijn administratie doe en daarna in bad ga. Dan krijg ik een duimpje terug, of helemaal niets. Henk vraagt vervolgens of het nou echt nodig was om af te zeggen.
En nu was er dus die avond met Kees en de broer en de wijn.
Henk ging uiteindelijk alleen naar Marjan. Hij zei dat hij niet van plan was iemand in paniek te laten zitten omdat ik ‘een afspraak met mezelf’ had. Die woorden zei hij met van die aanhalingstekens in zijn stem. Ik bleef thuis. Ik at pasta die te zacht was geworden. Daarna heb ik de televisie aangezet zonder te kijken.
Om kwart voor elf kwam Henk terug. Marjan had met Kees gebeld; hij kwam alsnog naar huis. Ze was rustiger. Henk vertelde dat ze meerdere keren had gevraagd waarom ik niet mee was gekomen.
“En wat heb je gezegd?” vroeg ik.
Hij deed zijn jas uit en hing hem netjes op. Dat doet hij altijd als hij boos is, overdreven netjes.
“Ik heb gezegd dat je moe was.”
Daar werd ik pas echt kwaad om. Niet omdat moe zijn gelogen was, ik was ook moe. Maar omdat hij niet kon verdragen dat ik een keuze had gemaakt. Het moest blijkbaar alsnog iets lichamelijks zijn, iets waar niemand iets van kon vinden.
We hebben die nacht nauwelijks gesproken. De volgende ochtend belde Marjan me wel. Ze klonk klein en beschaamd. Ze zei dat ze overdreven had gedaan en dat ze niet had moeten drinken. Ik zei dat ik blij was dat Kees thuis was. Daarna vroeg ze: “Maar ben je nu boos op mij?”
Ik hoorde mezelf zeggen: “Nee, Marjan. Ik ben vooral moe van altijd moeten uitleggen dat ik niet boos ben.”
Ze zei lang niets. Ik had meteen spijt van mijn toon.
Volgende week is het weer donderdag. Henk heeft voorgesteld dat hij en ik naar Marjan en Kees gaan, ‘gewoon om de boel niet groter te maken’. Ik heb gezegd dat hij gerust mag gaan, maar dat ik thuisblijf. Hij antwoordde niet. Hij pakte de krant en sloeg hem open, terwijl hij hem niet las.
Vanmiddag heb ik boodschappen gedaan en toch vier porties gehakt gekocht, zonder erbij na te denken. Thuis heb ik er twee ingevrororen. De andere twee liggen nog in de koelkast. Ik weet niet voor wie ik donderdag kook.