Na veertig jaar vriendschap zei hij dat echte vrienden geen rooster nodig hebben
Het begon met een vergeten portemonnee op de parkeerplaats van de Jumbo in Dieren. Marijke stond naast haar auto, met haar tas open, haar autosleutels in haar hand en een blik alsof ze net uit een droom wakker was geworden.
„Ik weet niet meer waar ik heen moest,” zei ze toen ik haar aansprak.
Ik ben toen met haar naar huis gereden. Niet omdat het meteen alarmerend voelde, eerder omdat je dat doet voor iemand die je al veertig jaar kent. Henk zat thuis achter zijn laptop, midden in een Teams-overleg. Hij stak even zijn hand op toen we binnenkwamen, alsof Marijke en ik bezorgmaaltijden waren die op tijd waren afgeleverd.
Wij waren altijd met z’n vieren. Henk en Marijke, mijn vrouw Els en ik. Vroeger kampeerden we met de kinderen in Frankrijk, later gingen we fietsen in de Achterhoek en de laatste jaren liepen we elke donderdagavond een rondje door de uiterwaarden, gevolgd door een biertje of een glas wijn. Niet van die overdreven vriendschap waarbij je elke dag belt. Juist prettig gelijkwaardig. We wisten veel van elkaar, maar niemand hoefde op zijn tenen te lopen.
Toen Marijke vaker dingen vergat, vonden we dat eerst allemaal lastig, maar ook een beetje te overzien. Ze vertelde hetzelfde verhaal twee keer. Ze zette koffie zonder water in het apparaat. Een keer was ze tijdens een wandeling ineens voor ons uit gelopen en wist ze bij een kruising niet meer welke kant het huis van Henk en Marijke op was. Henk maakte er grapjes over, soms wat te nadrukkelijk.
„Ze heeft gewoon een hoofd als een vergiet tegenwoordig,” zei hij dan, en Marijke lachte meestal mee. Maar niet altijd.
De diagnose kwam vorig voorjaar: een beginnende vorm van dementie. Geen enorme schok, eerlijk gezegd. Eerder iets wat ineens officieel werd. Marijke zelf leek het het ene moment goed te begrijpen en het volgende moment helemaal niet. Ze zei tegen Els dat ze „niet gek wilde worden gemaakt van alles”. Daarna vroeg ze vijf minuten later of de huisarts nog gebeld had.
Wij hielpen waar we konden. Els ging een paar keer mee naar het ziekenhuis, omdat Henk niet weg kon van zijn werk. Ik bracht Marijke naar de kapper toen haar rijbewijs was ingenomen en zij daar verschrikkelijk boos over was. We namen haar mee als we boodschappen deden. Dat voelde niet als zorg. Dat voelde als een vriendin meenemen.
Henk werkte nog drie dagen per week bij een technisch bedrijf in Arnhem. Hij is 68, maar hij had zijn pensioen deels uitgesteld. Hij zei dat hij het nodig had om onder de mensen te blijven en dat het financieel ook scheelde. Daar had ik begrip voor. Ik dacht: als ik in zijn schoenen stond, zou ik misschien ook niet de hele dag thuis willen zitten met iemand die steeds minder van zichzelf lijkt te herkennen.
Els en ik waren net allebei gestopt met werken. Ik had veertig jaar bij de gemeente gezeten, Els in het onderwijs. We hadden geen gouden pensioen, maar genoeg om eindelijk eens dingen te doen waar we steeds geen tijd voor hadden gehad. In september zouden we zes weken met de camper naar Italië gaan. Niet luxe, gewoon rustig rijden, kleine campings, niet alles plannen. Els had er al kaartjes en lijstjes voor gemaakt.
Op een zondagmiddag kwam Henk bij ons koffie drinken. Marijke lag thuis op de bank, zei hij, moe van de ochtend. Hij had een kladblok meegenomen. Dat vond ik toen al vreemd.
Hij had een schema gemaakt. Maandag zou een vrijwilliger van de dagbesteding iets regelen, dinsdag werkte hij thuis, woensdag en donderdag werkte hij op kantoor. Vrijdag wilde hij „voor zichzelf vrijhouden”, zo zei hij letterlijk, omdat hij anders omviel.
Of wij woensdag konden doen.
„Wat bedoel je precies met doen?” vroeg Els.
Henk zuchtte, alsof zij moeilijk deed. „Gewoon bij haar zijn. Zorgen dat ze eet. Even naar buiten. Misschien haar medicijnen in de gaten houden. Geen hogere wiskunde. En als er iets is, bel je mij.”
Els keek naar dat blaadje en vroeg hoe lang van ons verwacht werd dat we daar zouden zijn.
„Van een uur of negen tot vijf, denk ik. Anders zit ze alleen.”
Ik weet nog dat ik naar onze fruitschaal keek. Er lagen drie mandarijnen die al weken niemand wilde eten. Zo’n detail blijft dan hangen, terwijl je eigenlijk iets veel groters hoort.
Ik zei dat we best af en toe konden helpen, maar dat elke woensdag voor ons niet haalbaar voelde. Zeker niet als het om een hele dag ging. Henk keek mij aan alsof ik een afspraak afzegde die we allang hadden gemaakt.
„Jullie zijn met pensioen,” zei hij.
Ik zei dat dat klopte.
„Nou ja, dan hebben jullie toch tijd?”
Dat was het moment waarop ik voelde dat ik boos werd. Niet eens vooral door de vraag. Het was de vanzelfsprekendheid. Alsof wij na ons werkende leven automatisch beschikbaar waren gekomen voor zijn leven.
Els bleef rustiger dan ik. Ze zei dat Marijke professionele begeleiding nodig had en dat wij niet de juiste mensen waren om verantwoordelijk voor haar te zijn. Ze wilde best een keer per week met haar koffie drinken of samen naar de markt, maar geen vaste zorgdag.
Henk werd rood in zijn gezicht. Hij zei eerst niets. Daarna: „Dus als het echt moeilijk wordt, trekken jullie je terug.”
„Nee,” zei Els. „We trekken een grens.”
„Dat klinkt mooi, maar echte vrienden laten elkaar niet zitten als het tegenzit.”
Ik heb toen iets gezegd waar ik niet trots op ben. Ik zei: „Echte vrienden schuiven hun vrouw ook niet één dag per week naar anderen door zodat ze zelf kunnen werken én vrijdag vrij kunnen houden.”
Het werd stil. Henk pakte zijn jas. Hij zei dat ik niet wist waar ik het over had, en daar had hij natuurlijk gelijk in. Ik wist niet hoe het was om elke ochtend wakker te worden naast iemand die langzaam verandert. Maar hij wist ook niet hoe het was om je pensioen tegemoet te zien en ineens het gevoel te krijgen dat je eerst toestemming moet vragen om weg te mogen.
De donderdag erna liep er niemand door de uiterwaarden. Henk appte alleen dat hij het „even niet trok”. Marijke stuurde Els die avond een berichtje met alleen: ‘Kom je morgen nog koffie?’ Ze wist blijkbaar niet dat er iets was gebeurd. Els heeft haar gebeld en ze hebben drie kwartier gepraat over een televisieprogramma dat Marijke niet keek.
Later hoorde ik via Henk dat hij contact had opgenomen met de casemanager dementie. Er is nu dagbesteding geregeld voor twee dagen en er komt iemand van thuiszorg langs om mee te kijken wat haalbaar is. Hij zei het kort aan de telefoon, zakelijk bijna. Daarna vroeg hij of wij zondag op verjaardag kwamen.
We zijn gegaan. Marijke was blij ons te zien en vroeg drie keer wanneer we naar Italië gingen. Henk was beleefd, maar afstandelijk. Aan het eind van de middag hielp Els met de afwas, terwijl ik met Henk in de schuur stond omdat hij zogenaamd iets wilde laten zien aan zijn fiets.
Hij zei: „Ik snap nog steeds niet dat jullie dit niet gewoon konden doen.”
Ik zei niet veel terug. Alleen dat we Marijke niet kwijt wilden, maar onszelf ook niet als vaste opvang konden aanbieden.
Hij knikte niet. Hij zei ook niet dat hij het begreep.
Volgende week gaan Els en ik een paar dagen proefkamperen in Limburg. De camper staat sinds gisteren voor de deur. Ik kijk er blij naar, en soms ook met een naar gevoel in mijn buik. Woensdag heb ik Marijke aangeboden om samen koffie te drinken in het dorp. Niet omdat het moet van Henk. Gewoon omdat ik haar mis.