Mijn man wilde met onze vrienden naar een ecodorp verhuizen, en ik werd ineens het symbool van alles wat volgens hen mis was

Ik heb vorige week onze winterjassen naar de stomerij gebracht, en toen ik thuiskwam zat Pieter aan de eettafel met zijn laptop open. Hij keek zo geconcentreerd dat ik eerst dacht dat er iets met zijn pensioenfonds was, of met de belastingaangifte. Dat soort dingen doet hij normaal op een dinsdagmiddag.

Maar hij had een plattegrond van Zuid-Portugal openstaan. Kleine huisjes, veel zandkleur, olijfbomen. Er stond een tabel naast met bedragen.

„We zouden het in elk geval moeten onderzoeken,” zei hij, nog voor ik mijn tas had neergezet.

Ik wist meteen waar het over ging. Kees en Marjan.

We kennen hen al ruim dertig jaar. Onze kinderen zaten vroeger ongeveer tegelijk op de basisschool, we woonden twee straten van elkaar vandaan in Amersfoort en voor je het weet zit je elke zondag bij elkaar aan de koffie. Later werden die zondagen etentjes. Pieter en Kees gingen wielrennen, Marjan en ik naar de markt of een museum. We hebben samen vakanties gedaan in Frankrijk, Toscane, een keer een huisje op Texel waar het drie dagen stormde en waar we nog steeds om lachen.

Het waren niet alleen de leuke dingen. Toen mijn moeder in het verpleeghuis terechtkwam, kwam Marjan zonder te vragen een pan lasagne brengen. Toen Kees na zijn reorganisatie maandenlang somber thuis zat, nam Pieter hem mee naar de voetbal, ook al heeft Pieter zelf niks met voetbal. Zo’n vriendschap was het.

Kees en Marjan hadden altijd een mooi huis gehad. Vrijstaand, aan de rand van de stad, grote keuken, tuin waar ze enorm trots op waren. Niet overdreven protserig, maar ze hielden van kwaliteit. Marjan had drie verschillende serviezen. Kees reed jarenlang in een Volvo waar hij elke zaterdag zelf de binnenkant van stofzuigde.

Twee jaar geleden begon het te schuiven. Eerst aten ze minder vlees. Daarna gingen ze vliegen „eigenlijk niet meer verantwoord” vinden. Vervolgens kwam er een periode waarin Marjan alles in glazen potten kocht en ons heel vriendelijk uitlegde waarom vaatwastabletten een probleem waren. Ik vond het soms vermoeiend, maar ach, iedereen heeft zijn fases. Pieter vond het interessant. Hij las artikelen die Kees doorstuurde en begon bij het koken te zeggen dat onze avocado’s „wel een verhaal hadden”.

Vorige zomer kwamen ze met het nieuws dat ze hun huis gingen verkopen. Ze hadden zich aangesloten bij een kleinschalige gemeenschap in de Alentejo. Geen sekte, benadrukten ze meteen, alsof wij dat zouden denken. Er waren twaalf huishoudens, gezamenlijke grond, zonnepanelen, een moestuin, een gedeelde werkplaats. Iedereen zou een eigen klein huisje krijgen, maar je zou ook bijdragen aan het geheel.

„Minder bezit, meer leven,” zei Marjan die avond.

We zaten in hun tuin met wijn uit een fles die volgens Kees van een biodynamische boer kwam. Ik weet nog dat ik naar hun buitenkeuken keek, die net een half jaar oud was. Die ging dus waarschijnlijk ook weg.

Pieter stelde honderduit vragen. Over wateropvang, over zorg als je ouder wordt, over hoe je geld inlegt. Ik zei niet zoveel. Het klonk best mooi, als vakantie. Maar ik ben 64. Ik heb hier mijn zus, mijn bridgeclub op donderdag, mijn fysiotherapeut omdat mijn knie opspeelt, de kinderen en de kleinkinderen op een uur rijden. Ons rijtjeshuis is afbetaald. We hebben een klein tuintje waar ik net eindelijk weet welke planten het doen. Ik voelde geen behoefte om dat allemaal in te ruilen voor een composttoilet op een heuvel.

Toen Pieter later zei dat hij er „serieus warm voor liep”, lachte ik eerst. Ik dacht dat hij het bedoelde zoals hij ooit warm liep voor een camper. Daar hebben we uiteindelijk ook alleen maar brochures van gehad.

Maar hij bleef erover beginnen.

Hij had het ineens over hoe weinig we eigenlijk nodig hadden. Over de spullen op zolder. Over de vraag of we nog wel echt iets bijdroegen. Hij zei het nooit rechtstreeks verwijtend, maar ik hoorde toch iets van afkeuring. Alsof ik persoonlijk verantwoordelijk was voor onze droger, de vaatwasser en de twee keer per jaar dat we naar een hotel in Duitsland gaan.

Het lastigste was dat Kees en Marjan steeds minder vroegen of wij mee wilden, en steeds meer deden alsof het een ontwikkeling was die wij nog niet helemaal begrepen.

In november waren we bij hen voor hun afscheidsdiner. De meeste meubels waren al verkocht. We aten aan een lange, geleende tafel op klapstoelen. Iedereen moest een eigen bord meenemen, als grapje, maar Marjan meende het volgens mij ook een beetje.

Pieter vertelde enthousiast dat hij en Kees hadden berekend wat ons huis ongeveer zou opleveren en hoeveel daarvan we zouden kunnen inleggen. Ik had hem gezegd dat ik dat niet wilde bespreken waar anderen bij waren. Toch deed hij het.

Een vriendin van Marjan zei: „Jullie zijn eigenlijk precies op tijd. Je bent nog fit genoeg om het roer om te gooien.”

Ik zei dat ik niet wist of ik mijn hele leven wilde opbreken omdat ik nog fit ben.

Er viel een stilte die nét te lang duurde. Kees glimlachte en zei: „Je breekt niet je leven op, Els. Je haalt juist weg wat je tegenhoudt.”

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet omdat ik geen antwoord had, maar omdat iedereen daar zat te knikken alsof ik zei dat ik voorstander was van plastic in de oceaan.

„Misschien houdt niet alles mij tegen,” zei ik. „Misschien is niet alles wat vertrouwd is meteen leeg.”

Pieter zei niets. Dat deed het meeste pijn.

In de auto naar huis kregen we ruzie. Geen schreeuwen, dat doen wij niet echt, maar zo’n ruzie waarbij je allebei heel hard praat en ondertussen ook op de rotondes let.

Hij vond dat ik defensief was. Ik vond dat hij mij voor schut had gezet door over ons geld te praten alsof het al besloten was. Hij zei dat ik bang was voor verandering. Dat kan best deels waar zijn. Ik ben niet iemand die jubelend een onbekend land in stapt met alleen een lijstje duurzame idealen en een online bankrekening.

Maar ik vroeg hem ook waarom verandering alleen waardevol is als Kees en Marjan hem hebben bedacht.

Daar had hij geen echt antwoord op. Hij zei iets als: „Omdat zij tenminste durven.”

Dat woord bleef hangen. Durven.

Alsof blijven ook geen keuze is. Alsof zorgen dat je dichtbij je kinderen bent, of graag een huis wilt waar je niet eerst hout hoeft te hakken voor warm water, laf is. Misschien ben ik comfortabel. Dat ontken ik niet. Ik vind het prettig dat de huisarts om de hoek zit en dat ik na bridge op de fiets naar huis kan. Ik hou van een goed restaurant en van mijn keukenmachine. Blijkbaar moet ik me daar tegenwoordig voor verantwoorden.

Sindsdien is Pieter twee keer bij Kees en Marjan geweest om te helpen inpakken. Hij komt dan thuis met verhalen over de mensen die er al wonen. Mensen die „bewuster” leven. Hij gebruikt dat woord veel. Bewuster.

Vorige zondag heb ik gezegd dat hij best een maand naar Portugal kan gaan als hun huisje klaar is. Niet als proef om mij later over te halen, maar gewoon om te kijken of het echt bij hem past. Ik zei ook dat ik ons huis niet verkoop. Niet nu. Misschien nooit.

Hij werd stil en vroeg of ik hem dan niet serieus nam.

Ik zei dat ik hem juist serieus genoeg neem om niet te doen alsof dit alleen over een vakantie gaat.

Kees en Marjan vertrekken over zes weken. Er is nog een afscheidsborrel, waar ik tegenop zie. Ik weet niet of wij daarna nog vrienden blijven zoals we waren. Misschien worden we mensen die elkaar op verjaardagen een lang bericht sturen en zeggen dat we snel moeten bellen.

Pieter heeft vanmiddag een zak met oude kabels uit de meterkast gesorteerd. Hij zei dat het goed voelde om op te ruimen. Ik zei dat ik vanavond bloemkool met gehaktballen maak en vroeg of hij aardappelen wilde schillen.

Hij deed het zonder iets te zeggen. Daarna zette hij wel de compostbak buiten.