Na mijn pensioen wilde ik eindelijk samen leven, maar Marijke kreeg ineens een nieuw leven zonder mij
De verhuisdozen stonden nog niet eens allemaal leeg toen Marijke voor het eerst te laat thuiskwam.
Niet echt laat misschien, kwart voor acht, maar we hadden om zes uur willen eten. Ik had aardappels in de oven gedaan en slavinkjes gehaald bij de slager in het winkelcentrum. In onze oude straat in Amersfoort aten we vaak ieder op een ander moment. Ik kwam laat thuis van de bouwmarkt waar ik magazijnchef was, zij had jarenlang van alles met de kinderen en haar moeder. Juist daarom wilde ik nu anders.
We waren allebei 63, net met pensioen, en naar een nieuwbouwwoning in Deventer verhuisd. Een gelijkvloerse woning, warmtepomp, klein tuintje op het zuiden. Onze dochter woont hier twintig minuten fietsen vandaan met haar gezin. Onze zoon zit in Zutphen. Het was geen goedkoop geintje, maar het voelde verstandig. Minder traplopen, minder onderhoud, dichter bij de kleinkinderen.
Ik had al een schema in mijn hoofd, al noemde ik dat natuurlijk geen schema. Op dinsdag naar de markt. In het voorjaar een moestuinbak maken. Eindelijk weer samen fietsen, niet alleen op vakantie twee weken in Frankrijk. Marijke schilderde vroeger aquarellen. Ik had zelfs een oude doos met haar kwasten apart gehouden tijdens het inpakken.
Toen ze binnenkwam, had ze rode wangen en een tas vol papieren onder haar arm.
“Sorry, ik ben helemaal de tijd vergeten,” zei ze. “Ze hebben me gevraagd of ik voorzitter wil worden.”
Ik dacht eerst aan de bewonersvereniging. Dat bleek het niet te zijn. Het ging om Buurtkracht Deventer, een stichting die maatjes koppelt aan ouderen, mensen helpt met formulieren en samenwerkt met de voedselbank en het sociaal wijkteam. Marijke had zich een paar weken eerder aangemeld om eens mee te kijken. Ze had vroeger, naast alles thuis, jarenlang in de ouderraad gezeten en later bij de kerk kleding ingezameld. Ik wist dat ze goed was in organiseren. Maar voorzitter klonk groot.
“Is dat niet veel gedoe?” vroeg ik terwijl ik haar bord in de magnetron zette.
Ze keek me aan alsof ik had gevraagd of ze misschien beter weer kon stoppen met ademhalen.
“Ja,” zei ze. “Maar ook nodig. Die stichting draait nu met drie mensen die bijna omvallen.”
De volgende ochtend zei ze dat ze eerst nog met de rest van het bestuur moest praten. Een week later had ze een agenda, een Teams-link op haar telefoon en twee avonden per week die al vastlagen. Daarna kwamen er gesprekken met de gemeente, een subsidiedossier dat voor de zomer af moest en een vrijwilliger die dreigde weg te gaan omdat er ruzie was over de roosters.
Ik moet eerlijk zijn: ik vond het in het begin ook mooi om te zien. Marijke zat aan de keukentafel met haar leesbril op het puntje van haar neus, bellen naast zich, en zei dingen als: “Nee, we moeten niet alleen kijken naar wat haalbaar is, we moeten ook kijken wie er buiten de boot valt.” Dan dacht ik: daar heb je haar weer. Die vrouw die vroeger voor iedereen een extra bord opschepte en de kinderen van de buren meenam als hun moeder nachtdienst had.
Maar na een maand at ik op dinsdag en donderdag alleen. Op vrijdag was ze vaak moe van afspraken. Zaterdag kwam onze dochter met de kleinkinderen en dan was Marijke bezig met appjes beantwoorden tussen het limonade inschenken door.
Ik ging wel in de tuin werken. Er groeide verrassend veel in die paar bakken: courgettes, sla, veel te veel munt. Alleen is tuinieren iets anders. Dan zet je koffie, kijk je naar binnen en denk je automatisch: straks roept ze me wel. Maar zij zat boven in de kleine werkkamer die eigenlijk voor haar schilderspullen bedoeld was.
Op een zondagmiddag zei ik dat ik het moeilijk vond.
Niet handig, want ze was net terug van een bijeenkomst en haar jas hing nog half van haar schouders. Ik zei: “Ik heb soms het gevoel dat je weer aan het werk bent, maar dan zonder salaris.”
Ze keek meteen dicht.
“Dus omdat er geen salaris tegenover staat, telt het minder?”
“Dat zeg ik niet.”
“Zo klinkt het wel.”
Ik werd boos, vooral omdat ik niet wist hoe ik het goed moest uitleggen. Ik had veertig jaar gewerkt. Vroeg op, storingen, inventarisaties, personeel dat ziek was, altijd dat gezeur over leveringen. Ik had nooit gedacht dat ik na mijn laatste werkdag nog zou moeten onderhandelen om tijd met mijn eigen vrouw te krijgen.
“Wij zijn hiervoor verhuisd,” zei ik. “Om samen iets op te bouwen. Niet zodat jij meteen weer overal verantwoordelijk voor bent.”
Marijke ging op de rand van de bank zitten. Heel stil. Dat is bij haar erger dan wanneer ze hard praat.
“Jij bent hiervoor verhuisd,” zei ze uiteindelijk. “Jij had al plannen. Ik dacht dat ik die vanzelf ook wel zou krijgen.”
Dat raakte me, want misschien had ik inderdaad aangenomen dat zij blij zou worden van mijn plannen. Fietsen, tuin, oppassen, een keer naar Texel. Alsof dat genoeg was omdat het voor mij genoeg was.
Maar ik vond ook dat ze onredelijk deed. Ik zei dat we samen best vrijwilligerswerk konden doen. Eén ochtend per week in de buurttuin, of koken bij het wijkcentrum. Iets waar we allebei iets aan hadden.
Ze schudde haar hoofd.
“Jij wilt dat ik meega in iets kleins omdat jij bang bent dat ik ergens goed in ben waar jij niet bij nodig bent.”
Die zin bleef hangen. Misschien omdat er iets in zat. Ik voelde me gekwetst, maar ook betrapt.
Een paar dagen later hoorde ik haar in de slaapkamer bellen met onze dochter. Niet stiekem, de deur stond gewoon open. Ze zei dat ze bang was dat ze zonder dit werk weg zou zakken. Dat ze zichzelf de laatste jaren steeds minder had herkend. Eerst waren er de kinderen, toen mijn werk, toen haar moeder die ziek werd. En ineens was iedereen zelfstandig of dood of met zijn eigen leven bezig.
Ik heb daar die avond niets over gezegd. Ik wist niet hoe. Ik wilde haar niet klein maken, maar ik wilde ook niet weer de man worden die wacht tot zij thuiskomt.
Vorige week zijn we naar een relatietherapeut geweest via de praktijkondersteuner van de huisarts. Ik vond het vreselijk. Ik zat daar met mijn handen tussen mijn knieën alsof ik ontslagen ging worden. Marijke huilde pas toen de vrouw vroeg wat zij zelf wilde, los van mij. Niet eens heel hard, gewoon tranen die bleven komen terwijl ze zei dat ze dat eigenlijk niet wist.
We hebben nu iets afgesproken dat nog niet echt een oplossing is. De woensdagavond blijft van ons. Geen vergaderingen, geen telefoon op tafel. Marijke heeft bij de stichting gezegd dat ze na negen uur niet meer reageert, behalve als er echt iets is. En ik ga op maandagochtend helpen bij een fietsenwerkplaats voor mensen met een kleine beurs. Alleen. Dat was mijn eigen idee, al voelde het eerst alsof ik haar iets terug wilde doen.
Gisteren kwam ze thuis met modder aan haar schoenen omdat ze met een vrijwilliger bij iemand op bezoek was geweest. Ze vertelde veel te snel en door elkaar. Over een man die al drie maanden geen post openmaakte, over een aanvraag die toch gelukt was, over een vrouw die eindelijk weer naar buiten wilde.
Ik stond aardappels te schillen en luisterde. Op een gegeven moment zei ik: “Je bent hier wel echt goed in, hè.”
Ze stopte midden in haar verhaal. Daarna knikte ze alleen.
Vanavond eten we om zes uur. Dat staat in haar agenda, zag ik toevallig. Ik weet niet of ik daar opgelucht of verdrietig van word. Misschien allebei.