Na dertig jaar alles samen te hebben gedaan, durfde ik eindelijk iets zonder hen te plannen

Vorige week stond ik in de berging met een rolkoffer open op de grond. Er lag nog een oude koelbox naast, van onze vakanties met Henk en Marian. Rob kwam binnen, keek naar die koffer en vroeg niet eens waar ik mee bezig was.

Hij zei alleen: „Dus je gaat echt.”

Dat was het moment waarop ik besefte dat het niet meer over drie weken Portugal ging. Het ging ineens over dertig jaar van ons leven.

Ik ben 63, Rob is 65 en sinds januari zijn we allebei officieel met pensioen. Ik werkte op de administratie van een middelbare school in Amersfoort, Rob zat bij een installateur. Niet spectaculair, maar we hebben hard gewerkt, zuinig geleefd en eindelijk is er tijd. Althans, dat dacht ik.

Henk en Marian wonen zes straten verderop. We leerden elkaar kennen toen onze kinderen klein waren, bij de zwemles. Onze oudste twee zaten bijna in hetzelfde jaar op de basisschool. Eerst dronken we koffie na het brengen, later gingen we kamperen in Frankrijk, vierden we oud en nieuw samen en pasten we over en weer op elkaars kinderen.

In de laatste vijftien jaar was het eigenlijk vaste prik. Elke woensdag koffie bij Marian, vrijdagavond eten bij ons of bij hen, in september een week weg en in het voorjaar altijd wel een paar dagen fietsen in Limburg of op Texel. Als iemand vroeg wat we in het weekend gingen doen, zei ik vaak automatisch: „Even kijken wat Henk en Marian doen.”

Ik vond dat nooit erg. Het voelde veilig. Rob en Henk kunnen uren praten over gereedschap, voetbal en dingen aan hun caravan die volgens mij geen mens ziet. Marian en ik deden tuincentra, rommelmarkten, de kinderen, later de kleinkinderen. Zij weet dingen over mij die mijn eigen zus niet weet.

Maar ik had ook altijd iets voor mezelf willen doen. Niet een cursus mandala tekenen in het wijkcentrum, daar is niks mis mee, maar echt ergens naartoe waar ik nuttig kon zijn. Toen ik nog werkte, zag ik eens een oproep van een Nederlandse organisatie die vrijwilligers zocht voor een kleinschalig project in Portugal: helpen in een buurthuis waar oudere mensen komen, maaltijden uitdelen, taalmaatjeswerk, gewoon aanwezig zijn. Ik heb die pagina toen opgeslagen en er daarna jaren niet meer naar gekeken.

In februari zag ik hem weer. Misschien omdat ik ineens geen excuus meer had.

Ik heb gesolliciteerd zonder veel verwachtingen. In april belden ze dat ik mee kon, zes weken in oktober. Ik was zo blij dat ik er bijna van schrok. Ik heb zelfs staan huilen in de keuken, met mijn telefoon nog in mijn hand. Rob sloeg zijn armen om me heen en zei: „Dat is toch prachtig, Els.”

Twee dagen later vertelde ik het aan Henk en Marian. We zaten bij hen aan tafel, Marian had tomatensoep gemaakt en Henk bleef maar brood bijsnijden alsof hij daar heel druk mee was.

Marian keek eerst blij. „Wat goed van je. Zes weken, zeg.”

Toen kwam het stilvallen. Niet heel opvallend, maar ik ken haar zo goed dat ik het voelde.

Henk zei: „Dat is precies de periode waarin we naar Italië wilden. We hadden toch dat huisje bij het Gardameer besproken?”

Dat hadden we inderdaad. Alleen was het nog niet definitief betaald. We praatten er al maanden over alsof het vaststond, maar ik had eerlijk gezegd gedacht dat oktober nog ver weg was.

Rob zei meteen dat we daar wel uit zouden komen. Ik zei dat ook, maar ik hoorde mezelf al praten alsof mijn project iets was waarvoor ik toestemming moest vragen.

Sindsdien is alles kleiner en stroever geworden. Marian heeft last van haar heup. Ze wacht op een afspraak in het ziekenhuis en loopt soms met een stok. Henk heeft na een controle te horen gekregen dat zijn hart niet helemaal doet wat het moet doen. Hij krijgt medicijnen en moet rustig aan doen. Het is niet zo dat hij op omvallen staat, dat wil ik ook eerlijk zeggen. Maar ze zijn kwetsbaarder geworden, allebei. En ze hebben geen kinderen die dichtbij wonen. Hun dochter woont in Groningen, hun zoon in België.

Dus toen Marian belde omdat Henk duizelig was geweest, ben ik gegaan. Natuurlijk ben ik gegaan. Ik heb met haar bij de huisartsenpost gezeten en later boodschappen gedaan. Rob heeft Henk naar de apotheek gereden. Dat doe je voor vrienden.

Alleen merkte ik daarna dat er iets verschoof. Marian stuurde vaker berichtjes: of ik woensdag mee kon naar het ziekenhuis, of ik even langs de supermarkt wilde omdat zij pijn had, of we zondag niet gewoon thuis bij hen konden eten „want dan hoeft Henk niet ver”. Het waren geen rare vragen op zichzelf. Maar samen begonnen ze als een agenda te voelen die al voor mij gemaakt was.

Rob begreep mijn irritatie niet goed. Hij zei dat ik alles meteen zwaar maakte.

„Ze vragen het niet voor hun lol, Els.”

„Nee, maar ik ben ook niet hun dochter of thuiszorg.”

Dat kwam er harder uit dan ik wilde. Rob werd boos. Niet schreeuwen, zo zijn we niet, maar juist dat korte, dichte gezicht van hem.

„Na alles wat we met elkaar hebben meegemaakt, ga jij nu tellen?” zei hij.

En daar zat natuurlijk iets in. Toen mijn moeder stierf, stonden Henk en Marian bijna dagelijks voor de deur. Marian heeft een week gekookt omdat ik nergens toe in staat was. Toen Rob zijn baan verloor na de reorganisatie, heeft Henk hem bij zijn neef geïntroduceerd. Zonder dat contact was Rob misschien veel langer thuis komen te zitten.

Maar vriendschap is toch niet een soort rekening die je pas aan het eind van je leven moet vereffenen?

De reis naar Italië werd ondertussen steeds groter gemaakt. Niet alleen het huisje: Henk wilde een aangepaste auto huren, Marian zocht restaurants zonder trappen, er kwamen schema’s in de groepsapp. Zij deden alsof ik nog mee zou gaan. Ik reageerde steeds later. Dat was laf, dat weet ik. Ik had meteen duidelijk moeten zijn.

Uiteindelijk stuurde Marian: „Kunnen we vanavond even bellen? Want ik snap niet helemaal wat jouw plan nu is.”

Ik belde haar terwijl Rob boven was. Zij klonk vermoeid, niet kwaad.

Ze zei: „Ik gun het je echt, maar ik had gewoon gedacht dat we dit pensioen samen zouden doen. We hebben daar zo vaak over gepraat.”

Ik zei dat ik ook niet wist dat ik dit zó graag wilde tot het ineens mogelijk was. Dat ik niet wilde verdwijnen, maar ook niet iedere vrije week al ingevuld wilde hebben.

Toen bleef het even stil.

„Dus wij zijn een invulling?” vroeg ze.

Dat had ik niet gezegd. Maar ik snapte wel waarom het zo klonk.

De volgende ochtend heb ik het project niet afgezegd. Ik heb wel de reis naar Italië afgezegd, en Rob gaat waarschijnlijk alleen mee, al zegt hij dat nog niet met zoveel woorden. Het huisje is inmiddels omgezet naar een kleinere accommodatie. Henk stuurde me een duimpje in de groepsapp toen dat geregeld was. Daar keek ik veel te lang naar.

Morgen ga ik met Marian mee naar haar ziekenhuisafspraak. Niet omdat het moet, hoop ik, maar omdat ik wil. Daarna drinken we ergens koffie, als ze daar zin in heeft.

Mijn koffer staat nog steeds open in de berging. Er liggen wandelschoenen in die ik nog moet impregneren. En op woensdagmiddag is het tegenwoordig opvallend stil in huis.