Na veertig jaar diners voelt het alsof we moeten kiezen tussen onze vriendengroep en één van onze oudste vrienden

Ik heb afgelopen zaterdag voor het eerst in veertig jaar een groepsapp op stil gezet.

Niet omdat er ruzie was met hoofdletters en weglopende mensen. Juist dat maakt het zo naar. Er stonden berichten in als: “Laten we even afkoelen” en “Dit is toch zonde na al die jaren.” Van mensen die ik ken sinds onze kinderen nog met hun laarzen in de gang stonden en we elkaar op zaterdagavond hielpen verhuizen, verven of een kapotte wasmachine naar drie hoog sjouwen.

Wij zijn met vier stellen. Of waren, zo voelt het nu soms. Iedere maand eten we bij iemand thuis. Geen chique gedoe. De een maakt stoofvlees, de ander een grote pan pasta. Vroeger was het krap, toen deden we ook gewoon aardappels uit de oven en een toetje van de aanbieding. Maar het ging nooit echt om de rekening. We verdeelden een beetje wat er overbleef, of iemand zei: laat maar zitten, volgende keer bij ons.

Sinds we met pensioen zijn, is dat vaste etentje eigenlijk nog belangrijker geworden. Je spreekt elkaar natuurlijk tussendoor wel, maar een hele avond aan tafel, met een glas wijn en veel te veel verhalen die iedereen al kent, daar leefde ik soms echt naartoe.

Kees en Marjan horen daar vanaf het begin bij. Kees werkte bij de gemeente, Marjan in de thuiszorg. Hij kon altijd heerlijk mopperen op van alles, maar op een leuke manier. Over formulieren, over de NS, over hoe een tomaat tegenwoordig nergens meer naar smaakt. Marjan was degene die dan net iets te hard lachte en zei: “Ja hoor Kees, jij zou het allemaal beter doen.”

Een jaar of twee geleden begon het te veranderen. Eerst klein. Kees wilde geen wijn meer “omdat een fles van negen euro eigenlijk belachelijk is”. Prima, dacht ik. Hij nam zijn eigen alcoholvrije bier mee. Daarna begon hij bonnetjes te vragen.

Niet eens onredelijk op zichzelf. We waren nooit heel precies geweest, en misschien hadden wij daar makkelijk over gepraat omdat Henk en ik het ruim genoeg hebben. Geen groot pensioen, maar we kunnen boodschappen doen zonder alles op de cent uit te rekenen. Kees en Marjan hebben het ook niet slecht, voor zover ik weet. Hun huis is afbetaald. Ze gaan al jaren niet op verre vakantie. Maar Kees was ervan overtuigd geraakt dat er een financiële ramp aankwam. Inflatie, energieprijzen, pensioenfondsen, de overheid die volgens hem “op een dag gewoon aan je spaargeld zit”.

Hij stuurde een Excelbestand in de app. Echt waar. Met kolommen voor boodschappen, drank, ‘overige kosten’ en een voorstel voor een maandelijkse pot van twaalf euro per persoon.

Ria reageerde nog met een lachende emoji en schreef: “Kees, we gaan toch niet de boekhouding van een voetbalclub doen?”

Daar kwam een lang bericht op terug. Dat wij blijkbaar allemaal vonden dat geld aan bomen groeide. Dat mensen van onze generatie te makkelijk leefden. Dat hij niet langer wilde opdraaien voor ‘culinaire uitspattingen’ van anderen.

Ik heb toen geprobeerd luchtig te blijven. Ik schreef dat twaalf euro voor een driegangenmaaltijd inclusief drinken gewoon niet realistisch was, tenzij we allemaal een boterham meenamen. Dat was misschien niet handig van me. Kees vatte het op als een aanval.

Marjan belde mij die avond. Ze praatte zacht, alsof Kees in de kamer ernaast zat, terwijl dat waarschijnlijk ook zo was.

“Hij is gewoon bang, Els,” zei ze. “Hij ligt ’s nachts te rekenen. Als ik zeg dat het wel meevalt, wordt hij boos omdat ik hem niet serieus neem.”

Ik zei dat ik hem best serieus wilde nemen. Dat meedoen niet hetzelfde was als alles goedvinden. Maar ik hoorde mezelf praten en vond het slap klinken.

Daarna gingen we een paar maanden mee in zijn systeem. Wie kookte, moest vooraf het menu en een geschatte begroting in de app zetten. Geen dure kazen, geen vis, geen speciaalbier. Als er iets in de aanbieding was bij de Lidl of Dirk, moest dat worden meegenomen in het plan.

Het klinkt misschien kinderachtig dat ik daar moeite mee had. Het gaat niet om die kaas. Maar ineens was er bij elke uitnodiging een soort spanning. Alsof je toestemming moest vragen om een extra bakje olijven op tafel te zetten.

Bij ons thuis had Henk voor zijn verjaardag een grote pan mosselen gemaakt. Kees zei al bij binnenkomst: “Dat is wel een prijzig grapje voor acht man.” Hij zei het niet eens gemeen. Eerder alsof hij ons wilde waarschuwen voor een fout die wij zelf niet zagen.

Marjan werd rood. Ze hielp in de keuken en ik zag dat ze op haar telefoon zat te tikken. Later ontdekte ik waarom. Ze had ons die avond, zonder dat Kees het wist, veertig euro overgemaakt met als omschrijving: ‘Voor de extra kosten, niet bespreken svp.’

Ik heb het teruggestort. Niet uit boosheid, maar omdat ik er misselijk van werd. Zij zat kennelijk tussen ons en haar eigen man in te schuiven, alsof wij schuldeisers waren.

Afgelopen vrijdag was het diner bij Paul en Ria. Ria had een Indonesische rijsttafel gemaakt, niet overdreven luxe, maar wel met veel schaaltjes en aandacht. Kees kwam binnen, keek naar de tafel en zei: “Nou, daar gaat de pot weer.”

Niemand reageerde meteen. Je kent dat wel, dat er dan bestek wordt neergelegd en iemand ineens heel geïnteresseerd is in het broodmandje.

Tijdens het eten vertelde Paul dat hij en Ria in het najaar een week naar Texel wilden. Kees begon toen over vakanties, consumptiedrang en dat wij allemaal deden alsof we twintig jaar jonger waren dan we zijn. Hij zei dat hij het beschamend vond hoe makkelijk er geld werd uitgegeven terwijl zoveel mensen niet rondkomen.

Henk zei: “Kees, we zitten gewoon te eten met vrienden. Dit hoeft toch niet iedere keer?”

Kees keek hem aan en zei: “Nee, want voor jullie is het makkelijk. Jullie willen vooral niet horen dat jullie verkwistend leven.”

Daar ging iets mis. Ria begon te huilen, heel stil eerst. Paul werd kwaad, wat hij normaal nooit wordt. Hij zei dat Kees altijd welkom was geweest, maar niet als hij iedere avond kwam vertellen wat er moreel mis was met de rest.

Marjan zei meteen: “Hij bedoelt het niet zo.”

En toen zei ik iets waar ik nog steeds niet trots op ben. Ik zei: “Maar hij zegt het wel zo, Marjan.”

Ze keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven. Misschien deed ik dat ook, op een andere manier. Niet omdat het niet waar was, maar omdat ik wist dat zij al maanden probeerde te voorkomen dat iemand het hardop zou zeggen.

Kees en Marjan gingen weg voordat er koffie was. Hij zonder jas aan, alsof hij ieder moment terug kon komen. Zij met haar tas halfopen en haar sjaal achterstevoren. Ik ben nog naar buiten gegaan, maar Marjan zei alleen dat ze nu even niet kon praten.

Sindsdien gaat het in de app over een ‘pauze’ in de diners. Paul wil Kees voorlopig niet meer uitnodigen. Ria zegt dat ze Marjan wel wil blijven zien, maar niet meer op eieren wil lopen in haar eigen huis. Henk vindt dat we te lang hebben toegegeven en dat Kees juist daardoor denkt dat hij alles kan bepalen.

Ik snap dat. Echt. En toch zie ik steeds Marjan voor me, met die telefoon in haar hand in mijn keuken. Niet omdat ze arm is, maar omdat ze haar man probeert te beschermen tegen iets waar hij blijkbaar zelf niet meer uitkomt.

Vanmiddag heb ik haar een bericht gestuurd. Alleen: “Ik denk aan je. Als je koffie wilt drinken, ik ben thuis.”

Ze heeft het gezien. Ze heeft nog niet geantwoord.

Over twee weken zouden we bij ons eten. De datum staat nog steeds in mijn agenda, met daarachter: acht personen. Ik heb hem nog niet weggehaald.