Na veertig jaar vriendschap durfde mijn man niet meer naar de telefoon te kijken

De laatste tijd zet Henk zijn telefoon op stil zodra we aan het eten zijn. Vroeger vond ik dat asociaal. Nu snap ik het soms, al doet het me ook pijn.

Als het scherm oplicht, weet ik meestal al van wie het is. Els. Of Bas zelf, met zijn wat hijgerige stem en de zin die bijna altijd hetzelfde begint: “Ik vind het heel vervelend om te vragen, maar…”

Henk en ik kennen Bas en Els sinds 1984. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, nog met van die kale straten zonder bomen. Onze kinderen zaten min of meer tegelijk op de basisschool. We gingen kamperen in Frankrijk, eerst met te kleine tenten en later met caravans. We hebben samen verjaardagen gevierd, ouders begraven, verbouwingen overleefd. Toen Henk een tijd zonder werk zat in de jaren negentig, kwam Bas op zaterdag gewoon helpen met schilderen. Hij vroeg daar niets voor terug.

Het waren geen vrienden die je eens per jaar zag en dan beleefd bijpraatte. Ze hoorden bij ons leven.

Vier jaar geleden kreeg Bas de diagnose COPD, en daarna ging het sneller dan we allemaal hadden gedacht. Hij heeft goede en slechte weken. Soms loopt hij met een rollator een rondje naar de brievenbus en lijkt hij bijna de oude. Soms is douchen al te veel. Hij heeft ook hartproblemen erbij gekregen. Els zegt vaak dat ze het niet meer bijhoudt met alle afspraken in het ziekenhuis, de apotheek, de thuiszorg die dan weer wel en dan weer niet op tijd komt.

In het begin brachten we hem af en toe naar Meander. Dat stelde weinig voor, vonden we. Henk reed toch. Ik nam een pan soep mee of hielp Els even met een was opvouwen terwijl Bas sliep.

Maar af en toe werd elke week. Elke week werd soms twee of drie keer.

Els belde op maandagochtend omdat de huishoudelijke hulp ziek was en ze zelf door haar rug was gegaan. Bas belde op woensdag omdat zijn scootmobiel een lekke band had, alsof Henk daar iets aan kon doen. Op vrijdag moest hij naar de longverpleegkundige en Els kon niet mee omdat er iemand van de badkamer zou komen kijken. Dan ging ik met hem, want ja, wat moest hij anders?

Het gekke is: op het moment zelf voelde het bijna nooit als een keuze. Je zegt niet tegen een vriend die benauwd is dat je liever naar de markt wilt. Je zegt niet tegen Els, die aan de keukentafel zit met haar haar nog nat en een stapel ongeopende post, dat je eigenlijk een afspraak hebt bij de kapper.

Dus ik zei ja. Henk ook, meestal.

Alleen werd Henk stiller. Niet op een opvallende manier. Hij maakte gewoon minder grapjes. Hij ging vaker in de schuur rommelen. Als Els belde, keek hij eerst naar mij voordat hij opnam.

Een paar maanden geleden hadden we kaarten voor een middagvoorstelling in Utrecht. Een cadeau van onze dochter. We waren al bijna weg toen Bas belde. Hij was die ochtend uit bed gegleden. Niet hard gevallen, zei hij, maar hij kwam niet overeind en Els raakte in paniek.

Henk reed meteen. Natuurlijk reed hij meteen. We hebben de kaarten laten verlopen.

Die avond zei hij: “We zijn geen hulpdienst, Marijke.”

Ik werd boos, veel bozer dan nodig was.

“Dat zeg je toch niet over Bas?”

“Dat zeg ik niet over Bas. Ik zeg iets over ons.”

Ik heb toen gezegd dat hij geen idee had hoe zwaar Els het had. Dat was niet eerlijk, want Henk wist dat juist heel goed. Hij zag het ook. Misschien wilde ik vooral niet horen wat hij bedoelde.

In april wilden we eindelijk iets voor onszelf boeken. Geen weekendje weg in Nederland, maar drie weken Portugal in september. We hadden er jaren over gesproken. Eerst kon het niet vanwege mijn moeder, daarna vanwege zijn knie, daarna corona, daarna was er altijd wel iets met een van de kleinkinderen. Nu waren we allebei met pensioen, redelijk gezond en we konden het betalen als we niet te gek deden.

Ik had al een appartementje gezien in Tavira. Geen luxe, maar wel een balkon en op loopafstand van de zee. Henk zat met zijn laptop aan de eettafel en had voor het eerst in tijden weer die lichte blik in zijn ogen.

“Zullen we gewoon boeken?” vroeg hij.

Ik zei dat ik eerst even met Els wilde overleggen. Niet om toestemming te vragen, zo voelde het niet. Meer om te kijken hoe het zat in die weken.

Henk zuchtte. “Marijke. We gaan toch niet ons leven plannen op basis van of Bas toevallig een slechte week heeft?”

Maar ik belde haar toch.

Els was eerst blij voor ons. Echt wel. Ze zei dat we het verdienden. Daarna viel er een stilte die ik te goed kende.

“Alleen,” zei ze, “september is wel lastig. Bas heeft dan waarschijnlijk weer onderzoeken. En die thuiszorg… je weet hoe dat gaat. Ik red het niet alleen als er iets gebeurt.”

Ik zei dat we nog niet geboekt hadden. Dat was eigenlijk al voldoende. Ze hoefde niets meer te zeggen.

Toen ik ophing, keek Henk me aan.

“Nou?”

Ik vertelde het. Hij klapte de laptop dicht. Niet hard, maar toch schrok ik ervan.

“Dus wij gaan niet, omdat zij geen vangnet geregeld hebben?”

“Dat kun je niet zo zeggen.”

“Waarom niet? Bas krijgt zorg. Els kan met de huisarts of de wijkverpleegkundige bespreken wat er extra nodig is. Misschien is er respijtzorg, of iemand die een paar uur kan komen. Maar alles wat niet geregeld wordt, komt automatisch bij ons terecht.”

Ik wist dat hij gelijk had, maar ik vond het verschrikkelijk klinken. Alsof je een rekening naast veertig jaar vriendschap legt.

De week erna ging ik met Els koffie drinken. Ik nam me voor om rustig te zeggen dat we in september weg wilden. Dat we niet altijd beschikbaar konden blijven. Onderweg had ik allerlei zinnen in mijn hoofd.

Bij haar thuis zat Bas in zijn stoel bij het raam, met een deken over zijn benen hoewel het buiten twintig graden was. Hij was dunner geworden. Op tafel lagen zijn medicijnen, een half glas lauwe limonade en de krant van twee dagen geleden.

Els vertelde dat ze die nacht amper geslapen had omdat Bas zo hoestte. Ze zei ook dat haar zus in Groningen woont en zelf reuma heeft, en dat de kinderen van Bas nauwelijks langskomen. Zijn dochter woont in Lelystad, maar “die heeft het druk, hè.”

Ik heb mijn zinnen niet gebruikt.

Thuis zei Henk niets toen ik vertelde dat ik het niet had kunnen opbrengen. Hij knikte alleen. Dat vond ik erger dan wanneer hij boos was geworden.

Een paar dagen later belde Bas zelf. Hij had gehoord dat we naar Portugal wilden. Els had blijkbaar toch iets gezegd.

“Moet je doen,” zei hij. “Echt. Maar ik zal niet liegen: het maakt me wel onrustig. Jullie zijn de enigen die ik durf te bellen.”

Daar zat ik dan, met mijn hand om de telefoon en Henk aan de andere kant van de kamer. Bas klonk niet dwingend. Juist dat maakte het moeilijk. Hij klonk bang.

Henk nam die avond voor het eerst zelf contact op met de wijkverpleging, nadat Els hem had gevraagd of hij wilde helpen uitzoeken wat er mogelijk was. Hij heeft uren aan de telefoon gezeten. Er bleek meer te kunnen dan zij dachten, al kost sommige hulp geld en moet er van alles worden aangevraagd. Els vond het ingewikkeld en schaamde zich dat ze het niet eerder had gedaan.

We hebben uiteindelijk Portugal geboekt. Ik drukte op ‘bevestigen’, maar ik voelde geen opluchting. Eerder een knoop in mijn maag.

We helpen Bas en Els nog steeds. Afgelopen dinsdag reed Henk hem naar het ziekenhuis, omdat de vervoersregeling pas de week erna rond zou zijn. Ik ben die middag bij Els gebleven. Maar we hebben ook gezegd dat we niet meer standaard elke woensdag en vrijdag kunnen invallen, en dat we tijdens onze vakantie alleen bereikbaar zijn als er echt iets uitzonderlijks is.

Els zei dat ze het begreep. Daarna praatte ze over iets anders.

Sindsdien belt ze minder. Misschien omdat er nu meer hulp is. Misschien omdat ze ons niet meer wil lastigvallen. Misschien is ze gekwetst. Ik weet het niet.

Vanmorgen stuurde ze een foto van Bas in de tuin, met een muts op terwijl de zon scheen. Er stond alleen bij: “Even buiten.”

Ik heb een hartje teruggestuurd. Daarna ben ik de koffers van zolder gaan halen, hoewel we pas over zes weken vertrekken.