Ik wilde mijn vriend niet in de steek laten, maar ik kon niet nog een jaar lang doen alsof ik zijn mantelzorger was

Ik heb de reservering naar Texel pas drie keer gecontroleerd voordat ik op ‘betalen’ drukte. Dat klinkt misschien onbelangrijk, maar ik zat met mijn vinger boven dat scherm alsof ik iets onherroepelijks deed.

Het was onze eerste vakantie zonder Henk en Marijke in, ik denk, zesendertig jaar.

Wij gingen altijd met z’n vieren. Eerst met een vouwwagen naar Frankrijk, toen de kinderen nog klein waren. Later een huisje in Drenthe, een appartement in Spanje buiten het hoogseizoen, een paar dagen aan de Moezel. Niet luxe, maar wel altijd samen. Henk regelde de routes en stond vervolgens toch bij iedere afslag te twijfelen. Marijke nam steevast te veel eten mee. Mijn vrouw Els en ik maakten daar grappen over, jaar in jaar uit.

Sinds anderhalf jaar is Henk niet meer helemaal Henk.

Het begon met kleine dingen. Hij vertelde dezelfde anekdote drie keer op een avond. Hij kon opeens verschrikkelijk boos worden als Marijke hem verbeterde. Een keer stond hij bij ons in de bijkeuken en vroeg hij waar het toilet was. Hij was daar honderden keren geweest. Ik deed alsof het niets was, wees hem de gang in en zei iets over dat wij ook steeds meer kamers in huis kregen.

Maar het werd geen grapje meer.

De diagnose was nog niet eens zo lang rond: een vorm van dementie, vroeg stadium, zeiden ze. Henk kon nog fietsen, boodschappen doen, een normaal gesprek voeren. Juist dat maakte het ingewikkeld. Sommige dagen was hij bijna zichzelf en dacht je: misschien valt het mee. Daarna had hij een middag waarop hij Els ervan beschuldigde dat ze zijn portemonnee had verstopt. Die lag gewoon in zijn jaszak.

Onze vaste donderdagavonden veranderden langzaam. Vroeger kookten we om de beurt. Nu nam Marijke meestal iets makkelijks mee, of ik haalde Chinees. Henk wilde soms na tien minuten alweer naar huis. Soms weigerde hij zijn jas uit te doen. Eén keer liep hij zonder iets te zeggen naar buiten. Ik vond hem aan het eind van de straat, in de regen, boos omdat hij dacht dat Marijke hem expres bij vreemde mensen had afgezet.

Wat je dan doet, weet je niet. Ik praatte rustig op hem in, zoals je dat blijkbaar hoort te doen. Niet tegen hem ingaan. Meebewegen. ‘Kom, Henk, we gaan even terug. Els heeft koffie.’ Het werkte die keer.

Maar thuis zei Els, terwijl ze de natte handdoeken over de verwarming hing: ‘Rob, dit houden we niet vol.’

Ik zei meteen dat ze gelijk had, maar ik voelde me er beroerd over. Alsof ik hem al had opgegeven.

Marijke belde steeds vaker. Eerst om te vragen of ik Henk een keer mee wilde nemen naar de bouwmarkt, omdat ze zelf naar de kapper moest. Daarna of Els een middag bij hem kon zitten terwijl zij naar de huisarts ging. Daarna ging het minder om een concrete vraag. Dan begon ze gewoon te huilen zodra ik opnam.

‘Ik kan nergens meer heen,’ zei ze eens. ‘Zelfs douchen doe ik met de deur open.’

Ik begreep dat. Echt. Marijke is nooit iemand geweest die snel klaagt. Zij heeft Henk door twee ontslagen heen getrokken, door de ziekte van zijn moeder, door een periode waarin hij te veel dronk. Als zij zei dat het niet meer ging, dan ging het ook niet meer.

Dus we hielpen. Natuurlijk hielpen we. Ik ging met Henk wandelen. Els kookte extra porties en bracht die langs. We namen hen soms mee in de auto, gewoon een stukje naar de dijk en een visje eten. Dat ging niet altijd goed, maar Marijke had dan tenminste even het gevoel dat ze niet alleen in dat huis zat.

Alleen merkte ik dat mijn dagen eromheen begonnen te draaien. Ik was net twee jaar met pensioen. Ik had er niet eens heel romantische ideeën bij. Een beetje klussen, op de kleinkinderen passen, doordeweeks ergens koffie drinken met Els. Niet steeds een agenda met wie wanneer bij Henk moest zijn.

En Els trok het nog slechter dan ik. Zij sliep al jaren licht en werd gespannen van Henk als hij onrustig was. Hij kon ineens hard praten, of stil voor zich uit mompelen. Na een bezoek zei ze soms niets in de auto. Dan keek ze alleen naar buiten.

Op een zondagmiddag vroeg Marijke of wij in juli onze vakantie wilden verzetten. Niet omdat Henk acuut iets had, maar omdat ze het huis anders wilde indelen. De logeerkamer moest waarschijnlijk een slaapkamer voor hem worden. Er moesten spullen weg, misschien een bed met hoog-laagfunctie, al wist ze nog niet precies wanneer. Haar dochter woont in Zwolle en werkt fulltime. Ze kon een weekend komen, maar Marijke wilde dat wij er die week ook zouden zijn.

‘Dan kan ik eindelijk even doorpakken,’ zei ze. ‘Met jullie erbij lukt het.’

Ik zei dat we net Texel hadden geboekt.

Ze was even stil. Toen zei ze: ‘Ja, maar Texel loopt niet weg, Rob.’

Dat was het moment waarop er iets in mij dichtklapte. Misschien kinderachtig. Misschien was ik moe. Maar ik hoorde in die zin dat onze tijd blijkbaar vanzelf beschikbaar was geworden.

Ik zei dat wij ook plannen hadden. Dat we best voor en na de vakantie wilden helpen, maar niet die week.

Marijke lachte kort, zonder humor. ‘Jullie hoeven daarna weer nergens van te herstellen. Ík wel.’

Els nam de telefoon van me over. Dat doet ze bijna nooit. Ze zei rustig dat wij van Henk en Marijke hielden, maar dat we niet de zorg rond hem konden dragen. Dat we iedere donderdag wilden blijven komen en bij noodgevallen natuurlijk zouden helpen. Maar dat Marijke ook met de huisarts, de casemanager en misschien thuiszorg moest bespreken wat mogelijk was.

Marijke zei: ‘Dus ik moet het maar met instanties oplossen.’

Els antwoordde niet direct. Dat maakte het alleen maar erger.

‘Ik dacht dat wij vrienden waren,’ zei Marijke uiteindelijk.

Daarna hebben we bijna twee weken niets gehoord.

De donderdag erna stonden Els en ik toch met een bos bloemen voor hun deur. Henk deed open. Hij keek naar de bloemen en vroeg of we iets kwamen verkopen. Marijke kwam achter hem staan. Ze zag er klein uit, vind ik nog steeds. Alsof haar kleren te groot waren geworden.

Ze liet ons binnen, maar het was stroef. Henk was die avond opvallend vriendelijk. Hij vertelde over een vakantie in Bretagne die volgens mij minstens twintig jaar geleden was. Marijke corrigeerde hem niet. Ze keek vooral naar haar bord.

Toen we weggingen, zei ze bij de deur: ‘Jullie gaan dus gewoon?’

Ik zei: ‘Ja. Vier dagen. We zijn bereikbaar.’

Ze knikte, maar keek me niet aan.

We zijn uiteindelijk naar Texel gegaan. Het weer was wisselvallig. Els wilde fietsen, ik had nergens zin in. De tweede avond zaten we bij een eetcafé in Den Burg en kreeg ik een appje van Marijke: Henk had alle laden uit de keuken getrokken omdat hij zijn autosleutels zocht. Ze had hem niet meer rustig gekregen.

Ik belde haar meteen. Haar dochter was onderweg vanuit Zwolle. Ik vroeg of ze de huisartsenpost nodig had. Nee, zei ze, ze redde het wel. Maar haar stem zei iets anders.

Ik heb die nacht bijna niet geslapen. De volgende ochtend wilde ik naar huis. Els zei dat ik dat moest doen als ik het echt wilde, maar niet omdat ik mezelf wilde straffen. Daar had ze gelijk in, en juist daarom bleef ik nog twee dagen.

Sindsdien gaan we nog steeds op donderdag. Soms drinkt Henk rustig koffie en vraagt hij hoe het met mijn broer gaat. Soms weet hij niet meer dat Els zijn vrouw kent. Marijke is beleefd, maar de vanzelfsprekendheid is weg. Zij heeft via de casemanager dagbesteding geregeld en er komt nu af en toe iemand langs. Ik ben opgelucht om haar, en ik voel me schuldig om die opluchting.

Volgende maand gaan Els en ik met onze camper een week naar Limburg. Ik heb het nog niet tegen Marijke gezegd. Misschien stel ik het uit tot vlak ervoor. Dat is laf, dat weet ik.

Maar ik weet ook dat ik niet meer kan beloven wat ik vroeger zonder nadenken beloofde.