Ik wilde één weekend weg, maar mijn vrouw hoorde alleen dat ik van haar af wilde

Ik heb vorige week de sleutel uit het slot gehaald en weer teruggelegd.

Dat klinkt misschien als niets, maar ik stond daar met mijn weekendtas in de gang, jas al aan, en ik kreeg hem gewoon niet meer omgedraaid. Boven zat Marijke op bed. Ze had haar badjas nog aan, hoewel het bijna elf uur was. Op haar schoot lag een stapel oude foto’s die ze uit een la had getrokken. Ze was ervan overtuigd dat ze die middag naar haar zus in Zwolle moest, terwijl haar zus al zes jaar dood is.

Ik ben 71. Marijke is 69. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van een dorp in Drenthe, waar we ruim dertig jaar geleden naartoe zijn verhuisd omdat ik bij een installatiebedrijf in Assen werkte. De kinderen zijn hier opgegroeid. Er staat nog steeds een trampoline achter in de tuin die allang lek is, omdat niemand hem weggooit. Ik heb altijd gezegd dat ik na mijn pensioen eindelijk minder moest plannen.

We zouden met de camper door Frankrijk gaan. Niet drie weken met een strak schema, maar gewoon rijden en zien waar we terechtkwamen. Marijke wilde een cursus pottenbakken doen in het dorpshuis. Ik wilde weer gaan vissen met Henk en Arie, iets wat ik vroeger ieder voorjaar deed.

In plaats daarvan weet ik tegenwoordig precies hoeveel koffiepads er in een pak zitten, omdat Marijke er soms twaalf op een ochtend gebruikt. Ik zet haar pinpas niet meer in haar gewone portemonnee maar in een ritsvakje in haar tas, omdat ze hem vorig jaar twee keer aan een onbekende mevrouw bij de supermarkt had gegeven. “Die had hem nodig,” zei ze toen.

Ze kan nog van alles. Dat maakt het ook zo verwarrend. Ze kookt soms een prima stamppot. Ze belt onze dochter Iris om te vragen hoe het met de kleinkinderen gaat. Ze weet nog feilloos welke rozenstruik wanneer gesnoeid moet worden. Maar vijf minuten later vraagt ze of mijn moeder al weet dat we langskomen. Mijn moeder is negentig en woont in een verzorgingshuis in Meppel.

De neuroloog noemde het een beginnende vorm van dementie. Vooral haar kortetermijngeheugen en haar remming, zei hij. Ik had dat woord, remming, eerst bijna komisch gevonden. Marijke was altijd al direct. Maar het is geen directheid meer als je bij de bakker tegen een meisje van zestien zegt dat ze er moe uitziet en daarna boos wordt omdat ik haar een tik tegen haar arm geef.

Ze vindt zelf dat iedereen haar behandelt alsof ze achterlijk is geworden.

Misschien doen we dat soms ook. Ik in elk geval wel. Ik hoor mezelf zeggen: “Nee, niet nu nog een tablet nemen, je hebt er net één gehad.” Of: “Laat de oven even met rust, ik doe het wel.” Dan zie ik haar gezicht dichtklappen. Niet verdrietig meteen, eerder hard. Alsof ze zich schrap zet.

Toen de huisarts een casemanager dementie noemde, zei Marijke: “Dus jullie willen zeker alvast gaan verdelen wie mijn spullen mag hebben.” De huisarts keek even naar haar scherm en zei rustig dat het juist bedoeld was om zo lang mogelijk thuis te kunnen blijven wonen. Marijke heeft de rest van dat gesprek vrijwel niets meer gezegd.

Ik heb daarna toch gebeld. De casemanager, Sanne, is een vriendelijke vrouw van ergens in de veertig. Niet zo iemand die binnenkomt alsof ze alles beter weet. Ze dronk thee aan onze eettafel en vroeg Marijke wat voor haar belangrijk was.

“Dat ik niet iedere ochtend hoef uit te leggen wat ik ga doen,” zei Marijke.

Ik vond dat een redelijk antwoord. Ik dacht zelfs: zie je wel, dit kan nog goedkomen.

Sanne stelde voor om eens te beginnen met twee ochtenden begeleiding in de week. Geen ‘zorg’, benadrukte ze, maar iemand die met Marijke kon wandelen, boodschappen doen of naar de markt, zodat ik ook iets voor mezelf kon doen. Misschien later iemand voor de medicatie, als dat nodig was.

Marijke wachtte tot Sanne weg was. Toen zei ze: “Jij hebt dit allemaal al geregeld zonder mij.”

Dat was niet helemaal waar. Ik had alleen dat gesprek geregeld. Maar ik snapte op dat moment ook wat ze bedoelde. Alles wordt voor haar een bewijsstuk. Iedere agenda-afspraak, iedere reminder op haar telefoon, elke keer dat ik vraag waar ze heen gaat.

Onze zoon Bas en Iris vinden dat ik hulp moet aannemen. Dat zeggen ze voorzichtig, maar wel duidelijk. Iris kwam een keer binnen toen ik in de bijkeuken stond te huilen omdat Marijke de waterkoker op het gasfornuis had gezet. Er was niets gebeurd, ik had het op tijd gezien. Juist daarom schaamde ik me zo. Om die paniek om iets kleins.

Iris pakte me toen vast en zei: “Pap, dit houd je niet alleen vol.”

Maar zij gaan daarna weer naar huis. Bas naar Groningen, Iris naar Hoogeveen. Ik blijf hier met Marijke, die ’s nachts soms wakker wordt en vraagt waarom er een vreemde man in de badkamer is. Die vreemde man ben ik.

Het weekend met Henk en Arie was al maanden gepland. We zouden naar een huisje bij Giethoorn gaan. Vroeger deden we dat ook wel, vissen, kaarten, veel te veel bier drinken en de volgende ochtend doen alsof we nergens last van hadden. Ik had er bijna geen zin meer in, juist omdat ik wist wat er thuis zou gebeuren.

Sanne had geregeld dat er iemand kon langskomen, en Iris wilde desnoods een nacht hier slapen. Marijke wilde geen van beide. Ze zei dat ze geen baby was en dat ik haar niet bij een oppas kon achterlaten.

Ik zei dat ik geen oppas zocht, maar dat ik twee nachten weg wilde.

“Je bent de hele tijd al weg,” zei ze. “Je zit alleen nog maar in je hoofd lijstjes te maken.”

Die kwam aan. Want daar had ze gelijk in. Zelfs als ik naast haar op de bank zat, was ik bezig met de volgende dag: boodschappen, medicijnen, de afspraak bij de geheugenpoli, of ze nog geld had, of het fornuis uit was. Ik miste mijn vrouw, maar ik was ook voortdurend bang voor wat er kon gebeuren als ik even niet keek. En die angst maakte mij niet aardig.

Op vrijdagochtend stond mijn tas dus in de gang. Marijke was boven met die foto’s. Iris zou om twaalf uur komen. Er was eten in huis, de medicatie lag per dag klaar. Alles was geregeld, behalve dat Marijke ermee instemde.

Ik ben uiteindelijk niet gegaan.

Niet omdat ik vond dat zij gewonnen had. Zo voelt het ook niet. Ik kon gewoon niet weg terwijl ze zo onrustig was. Henk reageerde eerst met een duimpje in onze groepsapp. Later belde hij en zei hij dat hij het begreep. Dat maakte het eigenlijk erger. Ik wilde helemaal niet dat iedereen het begreep. Ik wilde dat ik een normale reden had om af te zeggen, een lekkende dakgoot of griep.

Zondag hebben Marijke en ik nauwelijks gepraat. Zij heeft uren in de tuin gezeten met een vest aan terwijl het best warm was. Ik heb de schuur opgeruimd, wat nergens voor nodig was. Tegen de avond vroeg ze ineens of ik het leuk had gehad in Giethoorn.

Ik zei: “Ik ben niet geweest.”

Ze keek me aan alsof ik haar een flauwe grap vertelde. Daarna zei ze alleen: “O.”

Morgen komt Sanne weer. Marijke heeft gezegd dat ze erbij wil zijn, maar ook dat ze geen hulp accepteert. Ik weet niet wat dat precies betekent. Misschien wil ze vooral dat er naar haar geluisterd wordt voordat er over haar beslist wordt. Misschien wil ze gewoon dat alles blijft zoals het was, en dat kan niemand haar geven.

Mijn tas staat nog steeds half uitgepakt op de stoel in de slaapkamer. De hengel heb ik niet eens uit de auto gehaald.