Na dertig zomers in Frankrijk weet ik niet meer of we onze vriend in de steek laten, of eindelijk eerlijk zijn
Vorige week vond ik in de bijkeuken een opgevouwen kaart van de Ardèche, met een koffievlek precies over het dorp waar we al drie keer een huis hebben gehuurd. Hij lag tussen de batterijen en de gebruiksaanwijzing van de nieuwe stofzuiger. Ik had hem daar kennelijk neergelegd toen we in september thuiskwamen en daarna niet meer naar omgekeken.
Normaal begint het plannen voor de volgende zomer al in oktober. Dan stuurt Henk, niet mijn man Henk maar de andere Henk uit de groep, een linkje naar een huis. Vervolgens gaat het dagenlang over bedden, zwembaden, wel of geen airco en of er in de buurt een goede Intermarché zit. Dit jaar is het stil in onze WhatsAppgroep. Zelfs Marijke, die overal drie uitroeptekens achter zet, reageert alleen nog met duimpjes.
We gaan al dertig jaar met z’n achten naar Frankrijk. Eerst waren onze kinderen klein en propte je strandlakens, opblaasbanden en een campingbedje tussen de boodschappentassen. Nu zijn we allemaal ergens tussen de 62 en 68 en hebben we het vooral over matrassen, schaduw en of de trap naar de slaapkamers niet te steil is.
Het zijn nooit luxe vakanties geweest. We huren een groot huis, delen alles ongeveer eerlijk en maken een huishoudpot. De ene avond kookt het ene stel, de andere avond het andere. Wie vroeg wakker is haalt stokbrood. Wie naar de markt rijdt, vraagt even of er nog wijn of wc-papier mee moet. Juist dat gewone maakte het altijd fijn. Niemand hoefde gastheer of gast te zijn.
Paul en Irene horen er vanaf het begin bij. Paul was degene die vroeger zonder morren de lekke band van mijn dochter plakte en daarna met natte knieën voor de tent bleef zitten omdat hij het verhaal over haar eerste verkering wilde afluisteren. Hij kan ook ontzettend droog zijn. Of was. De laatste jaren werd hij stiller, maar daar let je niet meteen op als je elkaar vooral met verjaardagen en in de zomer uitgebreid ziet.
Afgelopen winter vertelde Irene dat Paul al maanden thuiszat. Burn-out, zei ze eerst. Later kwam er van alles bij: gedoe met zijn voormalige zakenpartner, een belastingaanslag waar hij het niet mee eens was, slecht slapen, paniekaanvallen. Hij had een klein adviesbureau en was altijd degene die zei dat hij ‘nog wel even door kon’. Blijkbaar kon dat niet meer.
Toen het huis voor afgelopen zomer geboekt moest worden, stuurde Paul zelf een bericht. Hij schreef dat hij zich schaamde om het te vragen, maar dat hij en Irene niet mee konden als ze hun aandeel helemaal zelf moesten betalen. Of wij wilden kijken of er iets mogelijk was. Hij zei ook dat Frankrijk hem misschien goed zou doen, dat hij er even uit moest.
Mijn man Kees zei meteen: natuurlijk gaan ze mee. Ik ook. Niemand zei iets anders. We hebben zijn aandeel verdeeld over de drie andere stellen. Dat kwam neer op iets meer dan tweehonderd euro per stel, geloof ik. Niet niks, maar ook niet iets waar wij van wakker lagen. We hebben het tegen Paul gebracht alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hij werd er stil van aan de telefoon. Ik hoorde hem slikken.
De eerste dagen in Frankrijk waren ook helemaal niet vreselijk. Paul was dunner geworden, dat zag je meteen. Hij omhelsde iedereen iets te lang. Bij de eerste gezamenlijke maaltijd dronk hij drie glazen rosé en zei hij: “Jullie hebben geen idee wat dit voor mij betekent.” We zeiden dat hij zich daar vooral niet druk om moest maken.
Maar daarna leek hij niet meer te kunnen stoppen met vertellen.
Bij het ontbijt ging het over de accountant. Aan het zwembad over zijn ex-zakenpartner. Tijdens een wandeling naar het dorp over hoe niemand begrijpt wat een burn-out echt met je doet. Als iemand iets over zichzelf vertelde, kwam het gesprek binnen twee minuten toch weer bij Paul uit. Irene zei bijna niets. Zij zat vaak met haar telefoon in de schaduw, of ze ruimde af voordat iemand erom vroeg.
Ik vond mezelf daar lelijk in worden. Ik betrapte me erop dat ik niet naast hem wilde zitten. Dat ik een omweg nam via de bijkeuken als hij op het terras stond te roken. Kees en ik hadden al jaren geen echte vakantie meer met alleen ons tweeën, en ik had me juist verheugd op die avonden waarop iedereen een beetje aanrommelt en je nergens over na hoeft te denken.
Er was ook het praktische. Paul kookte een keer, maar haakte halverwege af omdat hij zich beroerd voelde. Begrijpelijk. Alleen stond Irene toen alleen voor twaalf man pasta te maken, terwijl hij binnen op bed lag. Hij ging niet mee boodschappen doen, droeg geen kratten, ruimde nauwelijks iets op. Als het ter sprake kwam, zei hij dat zijn hoofd vol zat en dat hij echt zijn best deed.
Dat geloofde ik ook. Alleen veranderde er niets.
Op een avond, het was bloedheet en de vaatwasser deed het niet goed, barstte Marijke. Niet eens tegen Paul rechtstreeks. Ze zei tegen Irene: “Het kan toch niet zo zijn dat wij hier allemaal op onze tenen lopen omdat hij vandaag misschien een slechte dag heeft?”
Irene werd wit. Paul zat aan de andere kant van de tafel en hoorde het natuurlijk gewoon. Hij zei: “Sorry dat ik zo’n last ben.” Op zo’n toon dat niemand nog wist wat te zeggen.
Daarna was de avond kapot. We zaten nog lang buiten, ieder met een glas dat steeds opnieuw werd bijgevuld. Paul liep uiteindelijk naar binnen. Irene ging achter hem aan zonder iets te zeggen. Ik vond Marijke hard, maar ik wist ook dat ik precies hetzelfde had gedacht, alleen dan netter in mijn hoofd.
Thuis hebben we het met de groep nog één keer geprobeerd te bespreken, bij ons aan de keukentafel. Niet iedereen was er blij mee. Henk vond dat we de vakantie niet moesten analyseren alsof het een bestuursvergadering was. Maar de vraag kwam toch op: wat doen we volgend jaar?
Kees stelde voor om vooraf duidelijk te zijn. Als iemand financieel niet mee kan, kunnen we best kijken wat mogelijk is, maar niet vanzelfsprekend elk jaar en niet zonder gesprek. En als iemand mentaal zo slecht zit dat een groepsvakantie vooral druk geeft, moet diegene misschien kiezen voor een paar dagen mee, of een ander soort vakantie. Geen straf, zei hij. Gewoon voorkomen dat iedereen er ongelukkig van wordt.
Ik heb daar nog aan toegevoegd dat we ook moeten afspreken wie wat doet in het huis. Niet omdat iedereen evenveel energie heeft, maar omdat onuitgesproken verwachtingen altijd gedoe geven.
Irene vertelde dit later aan Paul. Zij had gevraagd of hij bij het gesprek wilde zijn, maar hij wilde niet. Twee dagen daarna kreeg ik een lang bericht van hem. Dat hij zich vernederd voelde. Dat wij eerst deden alsof hij erbij hoorde en nu voorwaarden aan zijn vriendschap stelden. Hij schreef letterlijk: “Blijkbaar mag je alleen vriend zijn zolang je gezellig, financieel zelfstandig en nuttig bent.”
Ik heb dat bericht zeker twintig keer gelezen. Sommige zinnen maakten me boos. Andere deden pijn omdat ik niet kon ontkennen dat er iets in zat. We hadden hem geholpen, ja, maar misschien hadden we stilletjes verwacht dat hij daarna weer de oude Paul zou zijn. De man die de barbecue aansteekt en iedereen aan het lachen maakt. Alsof je voor twee weken geld kunt geven en daarmee ook iemands ellende buiten de poort van een vakantiehuis houdt.
Tegelijk denk ik aan Irene, die elke ochtend eerder opstond om alles recht te trekken. Aan Marijke die na tien dagen huilend tegen mij zei dat ze zich schuldig voelde omdat ze naar huis wilde. Aan Kees, die normaal nooit klaagt, maar in de auto terug zei: “Ik heb Paul gemist, terwijl hij er de hele tijd was.”
Paul heeft de WhatsAppgroep inmiddels verlaten. Irene zit er nog in, maar zegt niets. Het huis voor volgend jaar is niet geboekt. Misschien gaan we met z’n zessen. Misschien helemaal niet naar Frankrijk. Dat laatste zou ik oprecht verdrietig vinden, hoe kinderachtig dat misschien klinkt op onze leeftijd.
Vanmorgen heb ik Paul een kort bericht gestuurd. Niet over afspraken en niet over geld. Alleen dat ik zie dat hij gekwetst is en dat ik daar niet makkelijk overheen wil stappen. Hij heeft het gelezen. Meer niet.
De kaart van de Ardèche ligt nog steeds op de keukentafel. Kees vroeg vanmiddag of hij weg kon. Ik zei dat hij hem maar moest laten liggen.