Na veertig jaar vriendschap werd mijn man ineens ‘te idealistisch’ gevonden

Ik merkte het eerst aan de groepsapp, nog vóór iemand echt iets had gezegd.

Vroeger stuurden we daar foto’s in van Hans die zijn barbecue weer te zwart had gezet, of een linkje naar een huisje in Zeeland. Vier mensen, al bijna veertig jaar. Hans en Anja, mijn man Erik en ik. We leerden elkaar kennen toen onze kinderen nog op de basisschool zaten en we allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Capelle woonden. Het soort vriendschap waarbij je niet eens meer hoeft uit te leggen waarom je te laat bent. Je komt gewoon binnen, zet de waterkoker aan en iemand zegt: “Koffie staat daar.”

Sinds Erik in januari met pensioen is, is het anders.

Hij werkte ruim veertig jaar bij de gemeente, op de technische dienst. Niet iemand die makkelijk stilzit. De eerste maand thuis ging hij de schuur opruimen, de fiets van onze dochter nakijken terwijl zij allang in Utrecht woont, en drie keer per dag vragen wat we zouden eten. Ik werd daar eerlijk gezegd ook niet altijd gezellig van.

Toen zag hij een oproep voor vrijwilligers bij een buurtinitiatief in Rotterdam-Zuid. Een oude winkelruimte die was omgebouwd tot een plek waar mensen konden binnenlopen voor hulp met formulieren, huiswerkbegeleiding, een goedkope maaltijd, dat soort dingen. Erik begon op dinsdagmiddag. Hij zou vooral helpen met kleine reparaties en met jongeren die wilden klussen aan fietsen.

Ik dacht: prima. Lekker naar buiten. Mensen onder de mensen.

Maar Erik ging steeds vaker. Eerst dinsdag, toen ook donderdag. Daarna werd hij gevraagd om mee te denken over de opslagruimte, omdat er gereedschap verdween en niemand wist wat nou van wie was. Hij kwam thuis met verhalen over een jongen van zestien die nooit had geleerd een band te plakken, over een alleenstaande moeder die brieven van de Belastingdienst ongeopend in een tas bewaarde, over lekkage in een portiek waar de verhuurder volgens hem veel te traag op reageerde.

Soms vond ik dat hij er wel erg in opging. Hij lag ’s avonds op zijn telefoon appjes te beantwoorden van mensen die hij amper kende. Dan zei ik: “Erik, het is half elf.”

En hij zei dan: “Ja, maar Farid moet morgen naar school en zijn fiets is kapot.”

Alsof ik daar dan tegen moest zijn. Zo voelde het soms.

Hans en Anja vonden het vanaf het begin niks. Niet dat ze dat meteen hardop zeiden. Hans maakte grapjes.

“Nou, meneer de wijkwethouder, ben je weer een wereldprobleem gaan oplossen?”

Erik lachte de eerste paar keer mee. Hij kan best tegen een grapje. Maar Hans bleef ermee doorgaan.

We hadden altijd op donderdagavond onze vaste avond. Soms kaartten we, soms keken we voetbal, soms zaten we gewoon met een glas wijn aan tafel en hadden we het drie uur over niks. Sinds Erik op donderdag naar Rotterdam ging, stelde Anja voor om de avond naar woensdag te verplaatsen.

Erik kon dan meestal wel, maar niet altijd. Hij had een keer een overleg over een buurtfeest, een andere keer kwam hij pas laat terug omdat een jongen van het project naar huis moest worden gebracht. Daar ontstond irritatie over.

“Het is alsof wij steeds moeten schuiven om jouw nieuwe leven mogelijk te maken,” zei Anja op een avond.

Ze zei het niet boos. Juist bijna zakelijk. Dat maakte het vervelender.

Ik snapte haar ergens ook wel. Zij en Hans zijn allebei al een paar jaar met pensioen. Ze golfen, gaan met de caravan weg, doen veel met een vaste groep mensen. Voor hen was die donderdagavond niet zomaar een avond. Het was iets van ons vieren. Een gewoonte, een anker misschien.

Erik keek haar aan en zei: “Ik vraag toch niet of jullie ergens mee stoppen?”

Daarna werd het stil. Hans schonk wijn bij terwijl de glazen nog niet leeg waren.

De echte botsing kwam vorige maand, bij ons thuis. Ik had nasi gemaakt, veel te veel zoals altijd als er mensen komen. Hans had een fles rode wijn meegenomen die hij zelf “een buitenkansje” noemde. Het begon nog normaal. Anja vertelde over haar kleindochter die naar de middelbare ging. Erik zei dat hij die zaterdag naar een bijeenkomst moest van bewoners en de woningcorporatie.

Hans zuchtte hoorbaar.

“Daar ga je weer.”

Erik zei: “Wat bedoel je daarmee?”

Hans keek eerst naar mij, toen naar Anja. “Kom op, Erik. Je bent er helemaal in gezogen. Je steekt er tijd in, je rijdt mensen rond, je koopt af en toe spullen voor die werkplaats. En waarvoor? Omdat zo’n organisatie het allemaal niet op orde heeft.”

“Dat is niet waarvoor,” zei Erik.

“Maar je laat je wel gebruiken.”

Ik weet nog dat ik met mijn vork in mijn hand zat en naar de schaal komkommer keek. Ik had er te veel dille door gedaan. Zoiets onbelangrijks zie je dan ineens heel scherp.

Erik bleef opvallend rustig. Hij zei dat hij geen geld gaf dat we niet konden missen, dat hij het zelf wilde en dat hij zich eindelijk weer nuttig voelde buiten ons eigen kringetje.

Dat laatste had hij niet moeten zeggen. Dat weet ik nu. Misschien voelde Hans zich aangevallen, misschien Anja ook. Alsof hun golfclub, onze vakanties, de etentjes en alle jaren samen ineens oppervlakkig waren.

Anja werd rood in haar gezicht.

“Dus wij zijn jouw kringetje?” zei ze.

Erik zei meteen dat hij dat niet zo bedoelde, maar het was al gebeurd.

Hans zei dat idealisme mooi was zolang je niet blind werd voor de realiteit. Dat soort initiatieven, volgens hem, kwamen en gingen. Er waren professionals voor hulp met schulden en jongerenwerk. Erik moest niet doen alsof hij persoonlijk een wijk kon redden.

Daar had hij op een bepaalde manier gelijk in. Erik kan soms iets krijgen van: als ik maar hard genoeg werk, komt het goed. Dat had hij vroeger thuis ook. Hij nam te veel op zich, vergat afspraken, was daarna moe en prikkelbaar. Ik zie dat heus wel.

Maar Hans zei ook dat Erik onze donderdagavond en de geplande fietsvakantie in Frankrijk “ondergeschikt maakte aan mensen die hij nauwelijks kende”. Daar schoot ik van binnen toch van vol.

Want wat betekent dat eigenlijk, nauwelijks kennen? Hoe lang moet je iemand kennen voordat diens problemen mogen meetellen?

Ik heb toen iets gezegd waar ik niet trots op ben. Ik zei: “Misschien is het voor jullie gewoon lastig dat Erik iets doet waar jullie niet bij horen.”

Anja keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven. Ze zei: “Ik dacht juist dat jij eerlijker zou zijn.”

Daarna vertrokken ze vrij snel. Hans liet zijn wijn halfvol staan. Anja zei bij de deur nog: “We hoeven dit niet elke week te doen, hoor. Misschien is wat afstand voorlopig beter.”

Sindsdien is die donderdagavond verdwenen. Niet officieel, maar hij gebeurt gewoon niet meer. In de groepsapp staat bijna niets. Hans stuurt soms een foto van de caravan, Anja feliciteerde onze dochter nog met haar verjaardag. Verder blijft het stil.

Erik doet nog steeds zijn vrijwilligerswerk. Vorige week repareerde hij samen met drie jongens twaalf fietsen voor een gezin dat naar een andere flat moest verhuizen. Hij kwam thuis met vieze handen, een gescheurde jas en een gezicht alsof hij twintig jaar jonger was.

Ik was blij voor hem. Echt. Maar later, toen hij onder de douche stond, heb ik naar de oude foto’s op mijn telefoon gekeken. Texel, 2008. Een natte camping in de Ardennen. Hans met een kinderwagen vol boodschappen. Anja en ik op een terras in Spanje, allebei veel donkerder haar.

Ik mis hen. En ik ben ook boos dat ik hen mis, alsof ik moet kiezen wie ik loyaal ben.

Erik zegt dat echte vriendschap ruimte moet hebben voor verandering. Daar geloof ik ook in. Alleen denk ik niet dat ruimte vanzelf ontstaat als je veertig jaar gewend bent geweest alles samen te doen.

Aanstaande zondag heeft Anja voorgesteld om koffie te drinken, alleen met mij. Geen Erik, geen Hans. Ik heb ja gezegd.

Ik weet nog niet of ik haar ga vertellen dat ik Erik soms ook te ver vind gaan. Misschien wil ik vooral horen of zij ons nog mist. Of alleen de versie van ons vieren die vroeger zo vanzelfsprekend was.