Na veertig jaar vriendschap zei ik dat we nog maar één dag per week konden helpen, en sindsdien voelt niets meer hetzelfde

Ik heb de sleutel van hun huis nog steeds aan mijn sleutelbos hangen. Zo’n klein blauw plastic dopje eraan, van een bouwmarkt. Hij zit tussen onze eigen huissleutel en die van het huisje in de Dordogne. Soms haal ik hem er bijna af, maar dan denk ik: stel dat er iets is.

We kennen Kees en Marjan al sinds 1983. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kleine kinderen, een hypotheek waar we ’s nachts wakker van lagen en van die bruine meubels die iedereen toen had. Kees en ik speelden op zaterdag bij dezelfde voetbalclub. Onze vrouwen konden het vanaf het begin ook goed vinden. We gingen kamperen in Frankrijk, vierden oud en nieuw bij elkaar, hielpen verhuizen, waren op elkaars vijftigste verjaardagen.

Het was nooit een vriendschap waarbij je elke dag bij elkaar over de vloer kwam. Juist niet. Maar als er iets was, stond je er. Toen mijn vader stierf, regelde Kees zonder er veel woorden aan vuil te maken de catering na de begrafenis. Toen hun oudste dochter ging scheiden, heeft Ellen wekenlang op de kleinkinderen gepast. Dat soort dingen.

Vorig najaar kreeg Kees de uitslag. Alvleesklierkanker, uitgezaaid. Het is nog steeds raar om dat op te schrijven. Kees was altijd degene die de barbecue aanstak in de regen en om zeven uur ’s ochtends al een grap klaar had. Hij is 68, net een jaar ouder dan ik.

In het begin zeiden we vanzelf: alles wat jullie nodig hebben, laat het weten. Dat zeg je. Je meent het ook. Alleen weet je op dat moment niet wat ‘alles’ kan worden.

De chemo sloeg hem hard neer. Marjan deed ineens alles: naar het ziekenhuis in Utrecht rijden, de medicijnen bijhouden, koken terwijl hij misselijk was, contact met de thuiszorg, de was, boodschappen. Hun dochter woont in Groningen en werkt in de zorg. Hun zoon zit voor zijn werk vaak in Duitsland. Ze kwamen wanneer ze konden, maar het meeste kwam op Marjan neer.

Op een woensdagmiddag zaten we bij hen aan tafel. Kees lag op de bank met een plaid over zijn benen, hoewel het binnen veel te warm was. Marjan had koffie gezet en vergat vervolgens haar eigen kopje. Ze stond maar weer op om iets te pakken dat er niet was.

‘Ik trek dit niet meer alleen,’ zei ze uiteindelijk.

Ze keek ons niet echt aan. Meer naar het aanrecht.

Ze vroeg of wij drie vaste dagen per week konden komen. Niet alleen een uurtje. Gewoon: er zijn. Ellen zou met haar mee kunnen naar afspraken of thuis blijven bij Kees. Ik kon boodschappen doen, mee luisteren bij gesprekken, een beetje rommelen in de tuin. Zodat Marjan kon slapen, wandelen of even niet hoefde op te letten of hij wel genoeg gedronken had.

Ellen zei meteen: ‘Natuurlijk.’

Ik ook, geloof ik. Of ik knikte. Het verschil doet er nu niet zoveel toe.

De eerste weken ging het eigenlijk. Dinsdag, donderdag en zaterdag waren we bij hen. We maakten een rooster in een schriftje dat op hun keukentafel lag. Kees wilde soms praten en soms helemaal niet. Hij kon ineens kwaad worden omdat ik de verkeerde yoghurt had meegenomen. Volle, terwijl hij tijdelijk juist die magere wilde proberen. Een halfuur later bood hij zijn excuses aan en zei hij dat hij zichzelf niet herkende.

‘Geeft niks,’ zei ik dan.

Maar thuis zei ik soms tegen Ellen: ‘Het geeft me wél iets. Ik weet alleen niet wat ik ermee moet.’

Rond diezelfde tijd was ons huisje in Frankrijk eindelijk rond. Daar hadden we twaalf jaar voor gespaard. Geen groot ding, hoor. Een oud huisje aan de rand van een dorp, met luiken die nog geschilderd moeten worden en een lekkende kraan in de bijkeuken. We hadden het plan om elke maand een week of tien dagen te gaan. Niet voor luxe. Juist omdat we ons hele werkende leven hadden gewacht.

Ik heb 41 jaar bij een installatiebedrijf gewerkt. Ellen werkte in de bibliotheek, eerst parttime vanwege de kinderen en later weer meer uren. We zijn geen mensen die makkelijk geld uitgeven. Dat huisje voelde als iets wat eindelijk van ons samen was.

Maar na twee maanden zorgden we vooral dat we niet langer dan een paar dagen weg waren. Als we in Frankrijk zaten, keek Ellen voortdurend op haar telefoon. Een gemiste oproep van Marjan was genoeg om de hele dag te verpesten. Een keer zaten we op een terras in Bergerac, met eindelijk zon na dagen regen, en Marjan belde omdat Kees gevallen was bij het opstaan.

Er was uiteindelijk niets gebroken. De thuiszorg kwam ook. Maar wij boekten diezelfde avond een andere vlucht terug omdat Ellen niet kon slapen.

Ik snap dat. Echt. Ik had waarschijnlijk hetzelfde gedaan als het mijn beste vriend was geweest die daar lag.

Alleen begon ik iets te merken waar ik me voor schaamde. Als Marjan appte, voelde ik niet alleen medelijden. Ik voelde soms irritatie voordat ik het bericht überhaupt had gelezen. Dan stond er: ‘Kunnen jullie morgen misschien al om negen uur?’ En dan dacht ik: daar gaat mijn ochtend weer. Vervolgens haatte ik mezelf om die gedachte.

De aanleiding voor ons gesprek was eigenlijk iets onbenulligs. We zouden op donderdag naar Frankrijk rijden voor negen dagen. De week ervoor had ik Marjan nog gezegd dat we echt weg moesten, omdat de dakgoot daar gerepareerd zou worden en we afspraken hadden met een lokale aannemer. Ze wist dat.

Dinsdagavond belde ze. Kees had een slechte dag gehad en zij was door haar rug gegaan. Of Ellen donderdag toch mee naar het ziekenhuis kon, want de taxi vond ze eng en haar zoon kon niet.

Ellen zei: ‘Natuurlijk, dan gaan we vrijdag.’

Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Nee, El. Dat kan niet elke keer.’

Er viel zo’n stilte waarin iedereen meteen weet dat er iets kapotgaat.

Marjan zei zacht: ‘Dus een dakgoot gaat nu voor?’

Dat was niet eerlijk, maar ik snapte ook dat ze het zo voelde. Ik werd juist boos omdat ik me betrapt voelde op iets dat lelijk klonk.

Ik heb toen gezegd dat we niet kunnen blijven doen alsof wij de oplossing zijn voor alles. Dat we één vaste dag per week konden komen, en daarnaast bij noodgevallen natuurlijk zouden helpen als we thuis waren. Dat Marjan met de huisarts en de wijkverpleging moest bespreken welke extra ondersteuning mogelijk was. Misschien respijtzorg, misschien iemand die meegaat naar afspraken. Ik wist niet precies wat er mogelijk was, ik wist alleen dat dit zo niet door kon.

Kees kwam aan de lijn. Zijn stem was dunner dan vroeger, maar nog steeds herkenbaar.

‘Dus nu zijn we een roosterprobleem geworden?’ zei hij.

Ik zei iets als: ‘Nee, jongen. Je bent mijn vriend.’

Hij antwoordde: ‘Zo voelt het niet.’

Daarna hebben we bijna twee weken niets gehoord. Ellen huilde een keer in de auto, zonder dat er iets gebeurde. Gewoon bij een stoplicht. Ik heb haar hand gepakt en zij trok hem na een paar seconden weer weg, niet kwaad, meer omdat ze nergens ruimte voor had.

We zijn uiteindelijk vier dagen naar Frankrijk gegaan. Vier. De aannemer kwam niet opdagen, de dakgoot is nog steeds niet gemaakt en het regende bijna onafgebroken. Toch zaten we elke ochtend met koffie onder het afdak. Ellen stuurde Marjan berichtjes. Marjan reageerde kort. ‘Gaat wel.’ Of helemaal niet.

Vorige week ben ik alleen op vrijdag naar Kees gegaan. Hij sliep toen ik binnenkwam. Marjan zat aan de keukentafel met stapels post en een half opgegeten boterham. We hebben een tijdje over de energierekening gepraat, heel praktisch. Alsof er niets was gebeurd.

Toen ik wegging, zei ze: ‘Hij is bang dat iedereen langzaam verdwijnt.’

Ik zei dat we niet verdwenen waren.

Ze knikte, maar ze zei niet dat ze me geloofde.

Morgen gaan Ellen en ik weer een week naar Frankrijk. De koffer staat al half ingepakt in de logeerkamer. Ik heb Marjan beloofd dat ik mijn telefoon aanhoud. De blauwe sleutel hangt nog steeds aan mijn bos.