Toen onze beste vriend bij ons wilde intrekken, merkte ik hoe dun de grens is tussen trouw zijn en jezelf kwijtraken

De eerste keer dat Kees zei dat hij wel bij ons zou kunnen wonen, stond hij met zijn handen in zijn jaszakken naar onze nieuwe kas te kijken. Hij had net geholpen met het verplaatsen van een paar bakken, al was ‘helpen’ misschien een groot woord. Na tien minuten was hij buiten adem en moest hij op het bankje bij de schuur zitten.

‘Jullie hebben ruimte zat,’ zei hij. Niet op een grappige toon, zoals Kees vroeger alles zei. Hij keek nog steeds naar die kas. ‘En ik zit daar maar, op drie hoog, tussen mensen die ik niet ken.’

Ik zei iets vaags. Dat hij vaker moest komen. Dat we binnenkort een tuinhuisje wilden laten zetten. Ineke zei meteen: ‘Dat zou toch gezellig zijn?’

Dat was vorig voorjaar. Nu, bijna een jaar later, ligt er een tekening op onze eettafel van een aanbouw aan de zijkant van ons huis.

Een slaapkamer, een kleine zitkamer, een aangepaste badkamer. Eigen voordeur zelfs, aan de kant van de oprit. Kees had het laten maken door een aannemer uit zijn wijk, kennelijk zonder dat wij daar om hadden gevraagd. Bovenaan stond met blauwe pen een bedrag waar ik die ochtend nog steeds van schrok, ook al had ik het inmiddels vier keer gezien.

Wij zijn tweeënzestig. Ineke is een jaar jonger. We hebben allebei net geen twee jaar geleden afscheid genomen van ons werk. Zij werkte op een middelbare school, ik zat mijn hele leven in de installatietechniek. Niet arm geworden, maar ook niet van het soort dat zomaar zegt: doe maar een aanbouw.

We hebben ons rijtjeshuis in Amersfoort verkocht, een stuk overwaarde meegenomen en hier, buiten Lochem, een oud huis laten verbouwen. Warmtepomp, zonnepanelen, goede isolatie. Ik heb er eindeloos over gelezen en gerekend. Iedereen vond me overdreven, maar ik wilde niet na mijn pensioen alsnog elke maand zenuwachtig worden van de energierekening.

Het huis is ruim geworden, dat klopt. Groter dan we nodig hebben, zeggen onze kinderen soms. Maar die ruimte was juist het plan. Een kamer voor als dochter Marit met haar gezin komt. Een werkkamer voor Ineke, die nog steeds schildert en online Nederlandse les geeft aan nieuwkomers. Een schuur waar ik zonder haast aan fietsen en hout kan rommelen. En vooral: stilte.

Geen buren die om half twaalf nog op hun balkon zitten. Geen scooters onder het raam. Geen agenda die volloopt omdat je anders tekortschiet op je werk.

Kees kent ons al sinds 1986. We leerden elkaar kennen bij een bedrijfsvoetbaltoernooi waar we allebei eigenlijk geen zin in hadden. Hij was toen al degene die overal met iedereen kon praten. Hij en zijn vrouw Lidy werden onze vaste mensen. Vakanties in Frankrijk met te kleine tenten, zondagen waarop de kinderen door het huis renden, ziekenhuizen, verjaardagen, begrafenissen van ouders. Alles een beetje door elkaar.

Toen Lidy vijf jaar geleden overleed aan alvleesklierkanker, zaten wij zowat vaker bij Kees dan bij onze eigen kinderen. Hij redde zich aanvankelijk goed. Of deed alsof. Hij ging vrijwilligerswerk doen bij de kringloop, kocht een elektrische fiets, kwam hier eten. Maar sinds hij vorig najaar een paar keer bijna is gevallen, is hij voorzichtiger geworden. Hij loopt met een stok als hij een slechte dag heeft. Zijn heup is niet goed, al stelt hij een operatie steeds uit.

Hij vraagt niet om verzorging. Dat benadrukt hij telkens.

‘Ik wil geen last zijn,’ zegt hij dan. ‘Juist samen een beetje opletten. Als jij ziek bent, Ineke, kook ik. Als ik een lamp moet ophangen, doet Henk dat. Normaal menselijk gedoe.’

En precies daar zit het venijn, merk ik. Want het klinkt normaal. Zelfs mooi. Als ik hem in zijn appartement zie, met dat smalle balkon en die gang die naar gekookte kool ruikt, denk ik: natuurlijk laten we hem niet alleen wegkwijnen. Hij heeft niemand die elke dag even vraagt hoe het gaat. Zijn dochter woont in Canada en belt trouw op zondag, maar dat is iets anders. Zijn zoon in Zwolle heeft het druk, zegt Kees altijd. Ik weet niet of dat waar is of dat Kees hem niet wil belasten.

Ineke vindt dat ik te veel uitga van rampscenario’s.

‘Hij vraagt niet of hij morgen met een koffer op de stoep mag staan,’ zei ze vorige week. ‘Hij probeert een oplossing te bedenken voordat het echt misgaat.’

‘Een oplossing voor wie?’ vroeg ik.

Dat kwam harder eruit dan ik wilde. Ineke keek me aan alsof ik iets lelijks over Kees had gezegd.

‘Voor hem. Maar ook voor ons. We worden zelf ook ouder, Henk.’

Ik zei dat ik dat heus wel wist. Vervolgens zei ik iets doms over dat we dan straks een woongroep waren. Daar moest zij niet om lachen.

De waarheid is dat ik bang ben voor dingen die ik nauwelijks hardop durf te zeggen. Dat Kees overal bij zal zijn. Bij ons ontbijt, bij elke zondagmiddag, als Marit met de kleinkinderen komt. Dat ik me schuldig zal voelen wanneer ik een dag geen zin heb in gezelschap. Dat Ineke en hij samen besluiten dat de keuken anders moet, omdat zij al sinds vroeger een soort bondje hebben als het over eten gaat.

Ik ben ook bang dat hij zieker wordt. Dat is niet eens een verwijt aan hem. Het is gewoon waarschijnlijker dan toen we veertig waren en met z’n vieren nachtenlang kaarten speelden. En als hij eenmaal zijn appartement heeft verkocht en geld in óns huis heeft gestoken, wat dan? Dan kun je niet meer zeggen: dit werkt toch niet, Kees. Dan wordt het een verhaal met notarissen, kinderen, verwachtingen. Misschien wel ruzie over een badkamer die nog niet eens bestaat.

Afgelopen zondag kwam hij lunchen met een map onder zijn arm. Ineke had erwtensoep gemaakt, veel te veel zoals altijd. Kees legde de tekening tussen het brood en de mosterd neer.

‘Ik heb ook nagedacht over de financiering,’ zei hij. ‘Mijn appartement gaat volgens de makelaar waarschijnlijk goed weg. Ik hoef niet alles erin te steken, maar ik wil wel bijdragen. Het is ook waardevermeerdering voor jullie huis.’

Ik voelde mijn nek warm worden. Niet door die waardevermeerdering, maar door het woord ‘jullie’. Alsof het al besloten was en hij alleen nog wilde laten zien dat hij netjes zou betalen.

Ineke pakte de tekening op. Ze vroeg of die douche drempelloos moest zijn. Kees knikte. Ze hadden het over een schuifdeur naar de tuin.

Ik zei vrijwel niets. Laf, achteraf. Ik stond op om koffie te zetten terwijl het apparaat nog vol water zat. Vanuit de keuken hoorde ik Kees zeggen dat hij helemaal niet in de weg wilde lopen.

Toen hij weg was, bleef de map op tafel liggen. Ineke had hem niet eens meegenomen naar boven of opgeborgen. Hij lag daar naast een krant en een schaal met drie mandarijnen, alsof het gewoon huiswerk was dat nog gedaan moest worden.

‘Je had iets kunnen zeggen,’ zei Ineke.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen zonder hem pijn te doen.’

‘Misschien omdat je hem eigenlijk gewoon niet wilt.’

Dat was gemeen, maar niet helemaal onwaar. Ik wil hem wel. Alleen niet altijd. Niet in elke kamer van mijn leven. En ik begrijp ineens hoe vreselijk dat moet klinken voor iemand die al zijn hele leven lang onze vriend is.

We hebben nu afgesproken dat we zaterdag naar Kees gaan. Niet om de tekening te bespreken, zegt Ineke, maar om eerlijk te praten. Ik geloof niet dat je die twee dingen kunt scheiden.

Ik heb vanmiddag al gekeken naar mogelijkheden voor een mantelzorgwoning, terwijl Kees juist zegt dat hij geen zorg nodig heeft. Ook heb ik gedacht aan een appartement in het dorp, dichterbij dan de stad, zodat we elkaar dagelijks kunnen zien zonder samen onder één dak te wonen. Maar dat voelt weer alsof ik een nette omweg verzin om nee te zeggen.

Vanavond zit Ineke in haar kamer te schilderen. Ik hoor haar af en toe een lade opendoen. Normaal zou ik daar niet eens op letten. Nu klinkt het alsof ze al bezig is ruimte te maken.

De map ligt nog steeds op tafel. Ik heb hem dichtgedaan, maar ik krijg hem niet uit mijn hoofd.