Na veertig jaar vriendschap voelde ik me ineens te klein voor de droom van mijn beste vriend

De laatste keer dat we met z’n vieren uit eten gingen, bestelde Henk een cappuccino na het dessert en zei hij dat we ‘eigenlijk eens eerlijk moesten zijn over wat er aan de hand was’. Het was half tien, de bediening stond al een beetje om ons heen te vegen en ik had mijn jas al over de stoel hangen.

Ik wist meteen wat hij bedoelde. Niet omdat hij het eerder zo duidelijk had gezegd, maar omdat alles de afgelopen maanden over dat ene onderwerp was gaan draaien.

Henk en ik kennen elkaar sinds 1981. We werkten toen allebei bij dezelfde technische groothandel in Amersfoort. Hij op de buitendienst, ik op de administratie. Onze vrouwen leerden elkaar kennen op een barbecue van het bedrijf, en daarna ging het vanzelf. Eerst etentjes, later kamperen in Frankrijk met twee kleine tentjes en kinderen die om zes uur al door de rits naar buiten wilden. We hebben samen sneeuwkettingen omgelegd in Oostenrijk, de scheiding van mijn broer uitgezeten aan onze keukentafel, en bij de ziekte van Henks moeder heb ik wekenlang zijn hond uitgelaten.

Je denkt dan niet in termen van vriendschap onderhouden. Het is gewoon verweven geraakt met je leven.

Henk is altijd degene geweest met plannen. Toen iedereen nog een TomTom kocht, had hij al routes uitgeprint met tussenstops. Toen wij zeiden dat een weekendje weg wel genoeg was, boekte hij een huisje voor tien dagen. Dat was soms vermoeiend, maar ook leuk. Hij trok ons uit onze gewone ritme. Marjan, zijn vrouw, kon daar meestal goed om lachen. ‘Henk heeft een motor in zijn achterwerk,’ zei ze dan.

Maar sinds zijn pensioen, afgelopen voorjaar, lijkt die motor nergens meer af te slaan.

Hij had via een oud-collega contact gekregen met een stichting die in het westen van Kenia helpt met vakonderwijs voor jongeren. Niet zo’n vaag verhaal, dacht ik eerst. Er was een lokaal dat opgeknapt moest worden, er waren naaimachines nodig en gereedschap voor een kleine werkplaats. Henk had filmpjes gekregen, begrotingen gemaakt, gebeld met mensen van de stichting. Hij wilde er drie maanden per jaar heen om te helpen met de organisatie en fondsenwerving hier.

Ik vond het eerlijk gezegd bewonderenswaardig. Ik had net mijn laatste werkdag bij de gemeente gehad en moest nog wennen aan het feit dat mijn agenda ineens leeg was. Henk wist blijkbaar meteen waarvoor hij opstond.

Alleen bleef het niet bij vertellen.

Hij vroeg of ik de financiën wilde doen, ‘want jij bent daar toch goed in’. Hij vroeg mijn vrouw Els of zij de nieuwsbrief wilde schrijven. Marjan zou contacten met basisscholen regelen, en Henk zou het gezicht van het project worden. We konden als viertal iets blijvends neerzetten, zei hij. Onze gezamenlijke nalatenschap.

Dat woord viel verkeerd bij me. Niet omdat ik niets wil betekenen, maar omdat het klonk alsof wat ik al deed niet telde. Ik pas sinds kort elke dinsdag op onze kleinzoon Mees. Els helpt haar zus, die na een operatie nog niet goed loopt. We hadden eindelijk het plan om in september met de caravan rustig naar Drenthe te gaan, zonder programma. Gewoon fietsen, een terrasje, op tijd naar bed. Daar had ik me bijna schuldig over gevoeld, terwijl het toch een heel normaal verlangen is.

Ik zei tegen Henk dat ik best een keer naar zijn begroting wilde kijken, maar dat ik geen vaste taak erbij wilde. Hij knikte toen nog. ‘Denk er maar over na.’

Daarna kwamen er appjes. Eerst artikelen over zingeving na je pensioen. Toen een link naar een crowdfundingpagina die nog niet eens online stond. Daarna een bericht in onze groepsapp: “Mensen, als we dit goed aanpakken kunnen we vóór de zomer al 25.000 euro ophalen.”

Els reageerde met een duimpje, vooral omdat ze niet wist wat ze anders moest doen. Ik reageerde helemaal niet. Dat was laf, dat weet ik ook.

Een paar weken later zaten we bij hen in de tuin. Het was zo’n eerste warme avond in mei. Henk had de barbecue al aan terwijl niemand trek had. Marjan was stiller dan anders. Zij zei een keer, bijna tussen neus en lippen door, dat ze eigenlijk niet wist of ze wel drie maanden per jaar zonder hem wilde zitten. Henk hoorde het wel, maar ging verder over een sponsorloop.

Ik zei toen dat ik het mooi vond wat hij wilde doen, maar dat hij er vanuit leek te gaan dat wij hetzelfde moesten willen.

Hij keek me aan alsof ik iets raars zei.

‘Niet móéten, Rob. Maar we hebben straks eindelijk tijd. Willen we die dan echt vullen met oppassen en een beetje aanmodderen?’

Els werd rood. Dat zag ik naast me, ook al zei ze niets.

Ik zei: ‘Dat oppassen is geen aanmodderen. Dat is onze kleinzoon.’

Henk zuchtte en schoof met zijn tang een worstje dat al zwart was geworden naar de rand van het rooster. ‘Jullie zijn bang geworden. Dat bedoel ik niet lelijk. Maar jullie wereld wordt steeds kleiner.’

Ik weet nog dat ik vooral naar dat worstje keek. Zo kinderachtig misschien, maar ik kon niet meteen reageren. Ik voelde me ineens zestig-plus op een manier die ik daarvoor niet had gevoeld. Alsof ik door hem bekeken werd als iemand die al langzaam aan het verdwijnen was.

Marjan zei zacht: ‘Henk, doe normaal.’

Hij zei niets meer. De rest van de avond ging over voetbal en de prijs van boodschappen, maar het was klaar. Iedereen voelde dat.

Ik heb hem daarna een paar dagen niet gesproken. Hij ook mij niet. Dat was ongekend. Normaal stuurden we elkaar zelfs foto’s van een lekke band of een vreemde vogel in de tuin. Uiteindelijk belde hij op. Hij klonk moe, niet boos.

Hij zei dat hij zich had verheugd op iets van ons samen. Dat hij bang was geweest dat hij na zijn werk nergens meer echt nodig zou zijn. Zijn kinderen hebben hun eigen gezinnen, zei hij, en hij wilde niet de man worden die alleen nog maar het gras maait en wacht tot iemand langskomt.

Dat begreep ik. Misschien juist omdat ik die angst zelf ook wel ken, al probeer ik hem kleiner te maken met praktische dingen. Een plank ophangen. Mees van de opvang halen. Met Els koffie drinken bij de Intratuin zonder iets te kopen.

Maar ik zei ook dat hij van zijn angst niet óns project kon maken.

Hij bleef lang stil. Toen zei hij: ‘Dus je doet niet mee.’

‘Niet op de manier die jij voor je ziet.’

Hij zei dat hij daar over na moest denken. Dat was drie weken geleden.

Vorige week kreeg ik via via een uitnodiging voor een informatieavond van zijn stichting in het buurthuis. Niet persoonlijk van Henk. Els wilde niet gaan. Ik ben wel gegaan, alleen. Hij stond voor een beamer met een overhemd aan dat hij normaal alleen bij bruiloften draagt. Hij deed het goed, echt. Mensen luisterden. Er waren vragen, er werd geld toegezegd.

Na afloop zag hij me pas toen bijna iedereen weg was. We gaven elkaar een ongemakkelijke omhelzing. Hij vroeg hoe het met Mees ging. Ik zei dat hij waterpokken had gehad, maar weer vrolijk was. Henk knikte en vertelde dat er al genoeg aanmeldingen waren voor een werkgroep.

Toen ik naar huis reed, voelde ik opluchting omdat hij mensen had gevonden. En verdriet, omdat ik blijkbaar niet meer vanzelf bij zijn plannen hoorde.

Morgen passen we weer op Mees. Els heeft rozijnenbollen gehaald en ik moet nog even een kapotte la van zijn speelgoedkast vastzetten. Henk heeft nog niet gebeld. Ik ook niet. Maar zijn nummer staat nog steeds bovenaan in mijn favorieten.