Mijn man wil in onze tuin oud worden, maar ik voel me er steeds kleiner worden
Ik hoor tegenwoordig eerder de grasmaaier dan mijn man.
Dat klinkt gemeen, en dat is het misschien ook wel een beetje. Maar sinds Henk in januari met pensioen is, staat hij bijna elke ochtend, behalve als het echt giet, voor half negen al buiten. Eerst met koffie in zijn hand, dan met zijn snoeischaar, kruiwagen of iets waarvan ik niet eens wist dat je het nodig had in een tuin.
Hij kan een kwartier lang vertellen over slakken. Over de grond bij de hortensia’s. Over dat de beukhaag aan de achterkant niet goed dichtloopt omdat de buren ooit hun coniferen eruit hebben gehaald. Vroeger vond ik dat aandoenlijk. Henk werkte ruim veertig jaar bij een installatiebedrijf. Altijd vroeg weg, vaak moe thuis, telefoon die ook op zaterdag nog ging. Ik gunde hem die rust enorm.
Alleen ben ik er zelf niet rustiger van geworden.
We wonen al zevenentwintig jaar in een vrijstaand huis aan de rand van een dorp in de buurt van Apeldoorn. Toen we het kochten, waren de kinderen nog klein. De straat was overzichtelijk, er was een basisschool om de hoek en iedereen kende iedereen, althans genoeg om elkaar een beetje in de gaten te houden. Het huis voelde toen groot, maar praktisch. Een speelkamer, een zolder vol Lego, een tuin waar een trampoline in paste.
Nu wonen Maud en Jeroen allebei in Utrecht. Ze hebben hun eigen leven, zoals het hoort. Onze kleindochter zie ik meestal via een filmpje op WhatsApp waarin ze iets onverstaanbaars vertelt met een boterham in haar hand.
Ik werk nog twee dagen per week bij de bibliotheek. Daar praat ik met mensen. Soms oppervlakkig, soms heel echt. Ik help iemand met een formulier voor de DigiD, ik zoek een boek op voor een mevrouw die haar man net kwijt is, ik drink na sluitingstijd koffie met collega’s. Als ik thuis ben op mijn vrije dagen, is het stil op een manier die ik vroeger prettig vond.
Nu voelt die stilte vaak alsof ik ergens op moet wachten.
Het begon eigenlijk met iets kleins. Een vriendin uit mijn studietijd, Els, stelde voor om op woensdag naar een matinee in Deventer te gaan. Daarna zouden we ergens lunchen. Henk keek op van zijn bord en zei: “Gezellig toch? Dan ben je weer onder de mensen.”
Ik zei dat het me leuk leek als hij ook meeging. Niet per se iedere keer, maar gewoon eens.
Hij keek alsof ik had gevraagd of hij zijn rozenstruiken moest uitgraven.
“Op woensdag doe ik meestal de vijver,” zei hij.
Die vijver. We hebben drie goudvissen en elk voorjaar een laag draadalg waar Henk zich persoonlijk door beledigd lijkt te voelen.
Ik ben toch met Els gegaan. Het was fijn. Misschien juist daardoor kwam ik die avond zo verdrietig thuis. Niet dramatisch verdrietig. Ik zette mijn tas neer, hing mijn jas op en zag Henk door het raam met een hoofdlampje nog iets bij het tuinhuis doen. Ik dacht alleen maar: hij heeft mij vandaag geen moment gemist.
Een paar weken later zei ik voor het eerst dat ik wel eens naar een appartement in de stad wilde kijken. Niet morgen verhuizen. Gewoon kijken. Deventer, misschien Zutphen. Een lift, een balkon, winkels beneden of op fietsafstand. Een theater waar je niet eerst de auto voor hoeft te pakken. Mensen die spontaan kunnen zeggen: kom je even koffie drinken?
Henk zei eerst niets. Hij bleef zijn aardappels prakken.
Toen zei hij: “Dus al dat harde werken was blijkbaar voor niks.”
Dat kwam hard aan, want zo bedoelde ik het niet. Juist niet. We hebben allebei gewerkt voor dit huis. Ik heb jarenlang extra diensten gedraaid toen hij voor zichzelf begon. We hebben vakanties uitgesteld, tweedehands meubels gekocht, niet moeilijk gedaan als de wasmachine weer kapotging. Dit huis was ons plan.
Maar plannen kunnen toch veranderen?
Hij zei dat ik het wel makkelijk voorstelde. In een appartement zou hij wegkwijnen. Hij had geen zin om elke ochtend naar een balkonnetje van drie bij twee te kijken. Hij zou daar niemand kennen. Bovendien was de tuin volgens hem juist goed voor ons allebei. Frisse lucht, beweging, geen buren die boven je lopen te stampen.
Ik zei dat ik helemaal niet meer wist wie er in onze straat woonde, behalve de mensen van nummer 14 en de overbuurvrouw die altijd vraagt of ik de containers wel op tijd buiten zet.
Daar werd hij boos om. Niet schreeuwen, Henk schreeuwt zelden, maar zijn gezicht gaat dan dicht. Hij zei: “Jij wilt dus je hele leven omgooien omdat je een beetje naar de film wilt.”
Ik heb toen gezegd dat hij ook zijn hele leven heeft omgegooid, alleen noemt niemand dat zo omdat een man met pensioen hoort te gaan tuinieren en klussen.
Daarna hebben we twee dagen bijna niet gepraat. We deden wel normale dingen. Ik maakte soep. Hij haalde brood. We keken ’s avonds naar een quiz zonder dat we echt keken. Het was een rare, koude beleefdheid.
Mijn zus vindt dat ik gewoon moet doorzetten. “Je bent 63, Anja. Je bent niet oud en je hoeft niet de rest van je leven op een terrasstoel naar Henk zijn buxus te kijken.” Ze zegt het grappig, maar ik hoor ook irritatie. Zij woont in Arnhem, gaat naar cursussen keramiek en past op haar kleinkinderen. Soms denk ik dat ze makkelijk praten heeft, omdat haar man overal voor te porren is.
Onze kinderen zijn voorzichtiger. Maud zei aan de telefoon dat ze mij begrijpt, maar ook dat papa eindelijk iets heeft gevonden waar hij ontspannen van wordt. Jeroen zei vooral dat huizen verkopen tegenwoordig ingewikkeld is en dat we niet overhaast moeten doen. Typisch Jeroen. Eerst een Excelbestand, dan pas gevoelens.
Vorige zondag stond ik bij het keukenraam. Henk was bezig met de appelboom. Hij had een oude jas aan met aarde op zijn knieën. Hij keek tevreden, echt tevreden. Ik zag ineens weer de man die vroeger in het donker thuiskwam en dan toch nog een kapotte fietsband plakte omdat een van de kinderen de volgende ochtend naar school moest.
Ik wil hem dat niet afpakken. Dat meen ik.
Maar ik wil ook niet dat mijn wereld nog kleiner wordt omdat zijn wereld eindelijk groot genoeg voelt.
Gisteren heb ik zonder iets te zeggen twee appartementen opgeslagen op Funda. Allebei te duur, als ik eerlijk ben. Eentje had een klein dakterras en uitzicht op een parkeerplaats. Het andere zat boven een winkelstraat en had geen berging voor Henks gereedschap, wat meteen belachelijk veel ruimte in mijn hoofd innam.
Vanavond eten we bij Maud in Utrecht. Henk heeft gezegd dat hij meegaat, hoewel hij morgen vroeg de composthoop wil omzetten. Ik heb er niets van gezegd. Misschien moeten we niet beginnen met de vraag of we dit huis verkopen.
Misschien moeten we eerst uitzoeken of we nog weten hoe we samen ergens naartoe gaan.