Mijn beste vriend verdween langzaam aan tafel, en zijn vrouw wilde dat wij deden alsof er niets was

Ik heb gisteren de groepsapp met Kees en Marjan gearchiveerd. Niet verwijderd, dat kreeg ik niet over mijn hart. Maar ik kon die naam bovenaan mijn WhatsApp niet meer zien staan, met daaronder alleen mijn eigen bericht van drie weken geleden: “Hoe gaat het met jullie?”

Geen blauwe vinkjes. Geen antwoord.

Vroeger waren zij juist degenen die overal als eerste op reageerden. Als Paul een foto stuurde van een rare paddenstoel tijdens het wandelen, kwam Kees met de Latijnse naam of een flauwe grap. Marjan stuurde dan een duimpje en vroeg meteen waar we de volgende keer koffie gingen drinken.

We kennen elkaar sinds 1988. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar in groep drie in Amersfoort. We woonden toen allebei in van die rijtjeshuizen waar je ’s zomers elkaars barbecue kon ruiken. Zaterdagen naar het voetbalveld, verjaardagen in de achtertuin, vakantiehuisjes in Drenthe omdat niemand veel geld had. Later verhuisden de kinderen het huis uit en bleven wij vieren over. Eigenlijk best bijzonder, als ik er nu over nadenk.

Kees en Marjan waren twee jaar geleden allebei met pensioen gegaan. Zij hadden er echt naartoe geleefd. Een camper gekocht, nog vrij nieuw, zo’n compacte buscamper met een fietsendrager. Ze wilden eerst langs de Franse kust, daarna een paar maanden Spanje. “Nu zijn wij aan de beurt,” zei Marjan steeds. En ik gunde het ze enorm.

De eerste keer dat ik dacht dat er iets niet klopte, was tijdens een lunch in Zwolle. Heel onbenullig eigenlijk. Kees kwam terug van het toilet en ging naast mij zitten in plaats van naast Marjan. Hij pakte mijn hand vast en zei: “Zo, Els, wat neem jij?”

Ik heet Anja.

Hij keek me aan alsof ik degene was die raar deed. Marjan lachte veel te hard. “Hij zit met zijn hoofd al in Frankrijk,” zei ze. Daarna begon ze meteen over een camperplaats bij Argelès-sur-Mer.

Paul keek me even aan. Dat kleine blikje. Niet oordelen, maar wel allebei hetzelfde voelen.

Daarna waren er meer dingen. Kees die tijdens een fietstocht opeens aan de andere kant van een rotonde stond en niet meer wist waar we heen gingen. Kees die drie keer in een kwartier vroeg of onze dochter nog in Groningen woonde, terwijl ze al zes jaar in Rotterdam zit. Kees die tijdens het kerstdiner de naam van zijn eigen kleinzoon kwijt was en toen boos werd op Marjan omdat zij hem “voor schut zette”.

Dat laatste bleef bij me hangen. Niet omdat hij boos werd; Kees kon vroeger ook kortaf zijn als hij moe was. Maar omdat Marjan daarna zo wit werd. Ze zei niets terug. Ze ruimde zijn bord af terwijl hij nog zat te eten, alsof ze hem ergens vandaan moest trekken.

Na die kerst zagen we hen minder. Eerst zei Marjan dat ze druk waren met de camper. Toen was er een keelontsteking, een lek bij de dakkapel, een afspraak met de garage. Allemaal dingen die kunnen gebeuren. Maar het werd een patroon.

Als ik belde, nam zij op en zei ze dat Kees even lag te slapen. Als Paul Kees rechtstreeks belde, werd er meestal niet opgenomen. Een keer belde Kees terug, laat op een zondagavond. Hij vroeg of Paul morgen de brugklas moest ophalen van school.

Paul is 67 en al twaalf jaar met pensioen. We hebben geen kinderen meer op school, uiteraard. Paul probeerde er luchtig overheen te praten, maar Kees hing midden in de zin op.

In april kwamen ze ineens bij ons eten. Marjan had zelf gebeld. Ze klonk opgejaagd, maar ook bijna opgelucht. Kees was die avond heel stil. Hij at zijn stamppot op, zei dat het lekker was en vroeg daarna waar de wc was. Bij ons thuis, waar hij letterlijk tientallen keren is geweest.

Marjan liep met hem mee.

Toen ze terugkwamen, zaten ze zo dicht naast elkaar op de bank dat het leek alsof ze elkaar overeind moesten houden. Paul zette koffie en ik vroeg, zo voorzichtig mogelijk, of ze al eens met de huisarts hadden gesproken. Ik zei niet eens het woord dementie. Ik zei alleen dat het misschien fijn kon zijn als iemand meekeek, ook voor Marjan.

Ze keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven.

“Hij is gewoon moe,” zei ze.

“Marjan…”

“En hij vergeet dingen. Nou en? Jij vergeet ook dingen.”

Dat was niet helemaal eerlijk, maar ik snapte haar reactie ergens ook. Toch zei ik dat moe zijn niet verklaarde waarom hij in zijn eigen jaszak naar zijn portemonnee zocht terwijl die op tafel lag, of waarom hij vorige week bij de supermarkt de auto niet meer kon vinden. Dat had ze ons zelf verteld.

Kees zat erbij en keek naar zijn handen.

Marjan zei: “Jullie hoeven niet alles te weten. Echt niet.”

Daarna vertrokken ze binnen tien minuten. De schaal tiramisu die ik speciaal had gemaakt, bleef onaangeroerd op het aanrecht staan.

De grote reis kwam ter sprake via een bericht van Marjan, alsof dat gesprek nooit had plaatsgevonden. Ze wilde in september met z’n vieren drie weken naar Noord-Italië. Paul is altijd degene geweest die routes uitzoekt en accommodaties boekt. Marjan schreef dat zij “wel wat ondersteuning konden gebruiken”, omdat ze zelf zo veel aan haar hoofd had.

Ik las dat bericht drie keer.

Ondersteuning. Ze bedoelde: wij moesten mee, opletten, rijden als Kees niet kon rijden, doen alsof het een gewone vakantie was en waarschijnlijk op momenten inspringen zonder dat zij hoefde toe te geven dat ze het niet alleen redde.

Paul wilde meteen bellen en zeggen dat we het niet deden. Ik wilde dat eerst ook. Drie weken met een man die de weg kwijt raakt, in een land waar niemand thuis is, en met een vrouw die iedere vraag als aanval ziet: het voelde onverantwoordelijk.

Maar ik dacht ook aan Marjan, die de afgelopen maanden zichtbaar was afgevallen. Aan hoe ze Kees’ zinnen afmaakte voordat hij zelf kon zoeken naar woorden. Aan haar handen, altijd bezig met een servet, haar telefoon, zijn jas. Ze wilde die reis misschien niet eens voor zichzelf. Misschien dacht ze dat, als ze maar vertrokken zoals gepland, er nog iets te redden viel van hun oude leven.

We hebben uiteindelijk gezegd dat we niet drie weken konden, maar wel een paar dagen in het begin bij hen wilden aansluiten. Dat was laf, volgens Paul. Hij zei dat we daarmee het probleem alleen verplaatsten.

Misschien had hij gelijk.

Marjan belde die avond. Ze sprak heel rustig, wat erger was dan wanneer ze had geschreeuwd.

“Dus jullie vinden Kees een risico.”

Ik zei dat ik dat woord niet had gebruikt.

“Maar jullie denken het wel.”

Ik wist niet wat ik moest antwoorden. Want ja. Niet omdat Kees ineens een ander mens was geworden of omdat ik hem niet meer vertrouwde. Juist omdat ik hem kende. Omdat hij vroeger altijd wist waar iedereen was, wie er nog een jas nodig had, welke afslag we moesten nemen. Hij was degene die onze zoon na een feestje om drie uur ’s nachts ging ophalen toen Paul griep had.

Marjan zei toen: “Ik heb geen bemoeienis nodig. Ik heb mijn man nodig.”

Daarna verbrak ze de verbinding.

Een week later hoorde Paul via een gezamenlijke kennis dat de camper bij een paaltje op een parkeerterrein had gezeten. Geen gewonden, alleen schade. Marjan had tegen die kennis gezegd dat ze niet meer wilde dat mensen Kees belden, omdat hij daar onrustig van werd.

Sindsdien heb ik niets meer rechtstreeks van hen gehoord.

Ik heb gisteren toch de huisartspraktijk gebeld. Niet om informatie te vragen, want die krijg je natuurlijk niet. Ik heb alleen gezegd dat ik me zorgen maakte en dat Marjan misschien ook hulp nodig had. De assistente nam mijn naam en nummer op en zei dat ze mijn signaal zou doorgeven. Meer kon ze niet beloven.

Daar voelde ik me daarna rot over. Alsof ik achter Marjans rug om iets had gedaan wat niet van mij was.

Maar ik voel me ook rot als ik niets doe.

Vanmorgen stond Paul in de schuur naar onze fietsen te kijken. Hij zei dat de banden van mijn elektrische fiets zacht stonden. Daarna vroeg hij of ik dacht dat Marjan ooit nog zou bellen.

Ik zei dat ik het niet wist.

Toen pompte hij mijn banden op, veel harder dan nodig was.