Ik weigerde mee te tekenen voor het huis in Frankrijk en nu lijkt onze hele vriendengroep tegen mij

Vorige week stuurde Marijke een foto in onze WhatsAppgroep. Acht glazen rosé op een lange houten tafel, ergens in de Bourgogne. Er stond bij: “Nog even doorbijten allemaal, straks is dit gewoon van ons.”

Ik heb de foto drie keer bekeken en toen mijn telefoon omgedraaid op het aanrecht gelegd. Alsof hij te veel geluid maakte, terwijl er helemaal geen melding kwam.

Kees en ik kennen die mensen al sinds eind jaren tachtig. We woonden toen allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, te weinig geld en van die grenen eettafels waar iedereen toen mee liep. Eerst waren het buurtbarbecues. Daarna verjaardagen, kampeerweekenden, skiën als iemand een meevaller had gehad. De kinderen werden groter, gingen studeren, sommigen gingen scheiden, er kwamen kleinkinderen. Wij bleven over als groep.

Elke eerste zaterdag van de maand doen we iets. Bowlen, eten bij iemand thuis, een museum met daarna bitterballen, soms een wandeling waar uiteindelijk vooral koffie wordt gedronken. Kees regelt dat meestal. Hij maakt schema’s, reserveert, herinnert mensen aan aanbetalingen. Als hij een keer niets in de groepsapp zet, vraagt iemand op donderdag al: “Kees, wat is het plan?”

Vroeger vond ik dat prettig. Hij hield de boel bij elkaar. En eerlijk is eerlijk: toen onze dochter in Canada ging wonen en mijn moeder begon te dementeren, waren zij er ook. Marijke bracht soep toen ik drie dagen achter elkaar in het ziekenhuis zat. Henk heeft Kees geholpen met het leeghalen van mijn moeders flat. Ik wil niet doen alsof het oppervlakkige mensen zijn.

Maar sinds Kees met pensioen is, is die groep groter geworden in ons huis dan ik aankan.

Hij was projectleider bij een installateur, altijd onderweg, altijd bellen. De eerste maanden na zijn pensioen was hij onrustig. Hij ruimde de schuur drie keer op, ging zonder reden naar de bouwmarkt en begon om half negen ’s ochtends al over wat we met het avondeten zouden doen. Ik snapte dat wel. Je valt van een volle agenda ineens in een dag waar niemand iets van je nodig heeft.

Toen kwam het idee van Frankrijk.

Arie had via een collega gehoord over een oude boerderij in de Bourgogne. Niet heel duur, zei hij. Wel veel werk. Maar als we het met vier stellen zouden doen, was het haalbaar. Ieder een eigen kamer, een grote keuken, zwembadje opknappen, misschien later verhuren aan bekenden. “Een plek voor de komende twintig jaar,” zei Kees die avond aan tafel. Hij had al een Funda-achtige Franse site openstaan op zijn iPad.

Ik zei niet meteen nee. Dat verwijt krijg ik nu soms wel: dat ik iedereen eerst warm heb laten lopen. Maar ik wist oprecht niet wat ik voelde. Op de foto’s zag ik lavendel, luiken, een vervallen schuur. Ik zag ook acht mensen die bij toerbeurt bepaalden wie wanneer mocht komen, vergaderingen over een lekkend dak en een groepsapp over de kleur van tuinstoelen.

De zondag erna gingen we met z’n allen kijken. Niet naar Frankrijk, gewoon bij Henk en Marijke in de serre, met koffie en een schaal krentenbollen. Arie had cijfers uitgeprint. Inleg, hypotheek, onderhoud, reservering voor onverwachte kosten. Er werd meteen enthousiast gepraat over wie goed kon klussen en wie er in de zomervakantie met de kleinkinderen heen wilde.

Kees zat rechtop alsof hij weer op zijn werk een project mocht trekken. Hij zei: “We moeten het wel serieus aanpakken, anders krijg je gedoe.” Iedereen knikte.

Toen vroeg Marijke aan mij: “Jij ziet jezelf daar toch ook wel zitten, Lieke? Lekker met een boek onder die boom.”

Ik weet nog dat ik naar haar keek en dacht: jij bedoelt het lief. Maar ik wil helemaal niet bekendstaan als degene met een boek onder de boom terwijl jullie met elkaar bespreken hoe laat we eten.

Ik zei iets vaags. “Het is wel een grote stap.”

Kees keek toen al even mijn kant op.

Thuis hebben we er een paar avonden over gepraat. Of eigenlijk: Kees praatte, ik probeerde woorden te vinden zonder kwetsend te klinken. Ik wil nog een keer alleen met de trein door Italië, zei ik. Niet in een strak programma, maar ergens uitstappen als het me bevalt. Ik wil misschien een cursus keramiek doen in Utrecht. Ik wil ook gewoon weken waarin er niks vastligt.

Hij zei: “Dat kan toch allemaal naast dat huis?”

In theorie wel. Maar ik ken ons. Als je ergens geld in stopt, zeker zoveel geld, dan ga je erheen. Dan moet het rendabel zijn, dan heeft iedereen verwachtingen. En ik ken onze groep ook. We zeggen altijd dat alles vrijblijvend is, totdat iemand afzegt voor de maandelijkse avond en er vervolgens drie mensen vragen of er iets aan de hand is.

“Je doet alsof het een gevangenis wordt,” zei Kees.

“Voor jou is het geen gevangenis,” zei ik. “Jij bloeit hiervan op. Maar ik krijg er benauwd van.”

Hij werd stil. Niet boos op een grote manier. Eerder gekwetst. Dat vind ik soms nog moeilijker bij hem. Hij zei alleen: “Dus wat wij al die jaren hebben opgebouwd, is voor jou iets waar je van weg wilt?”

Dat is niet wat ik bedoelde. Of misschien voor een deel wel, en durfde ik dat niet hardop te zeggen.

De knoop moest vorige maand worden doorgehakt. Er lag een conceptovereenkomst. Onze inleg zou 45.000 euro zijn, plus de maandelijkse kosten. We kunnen het betalen, maar het is wel geld uit ons spaargeld. Geld waarvoor Kees lang heeft gewerkt en ik ook, in de thuiszorg en later bij de apotheek. Het voelde niet als een vakantie-uitgave. Het voelde als vastleggen hoe de rest van ons leven eruit moest zien.

Aan onze keukentafel heb ik gezegd dat ik niet zou tekenen.

Kees zei: “Dan gaat het dus niet door voor ons.”

Ik zei dat hij niet namens ons beiden kon tekenen en dat ik niet wilde dat hij geld uitgaf dat ook mijn zekerheid is. Meteen daarna voelde ik me hard en klein tegelijk. Alsof ik hem iets afpakte waar hij zich aan vastklampte.

De andere stellen gaan waarschijnlijk wel verder, misschien met een vijfde stel erbij. Sindsdien is het vreemd. In de groepsapp wordt over de notaris en een inspectie gesproken. Mensen zijn voorzichtig aardig tegen mij, bijna te aardig. Marijke belde en zei dat ze het jammer vond, “voor Kees vooral, want hij had er zo’n zin in.” Ze bedoelde het niet gemeen, denk ik. Toch heb ik na dat gesprek in de bijkeuken gehuild, met een tas diepvrieserwtjes in mijn hand.

Kees gaat nog steeds mee naar de afspraken. Hij zegt dat hij geen ruzie wil met iedereen en dat snap ik. Maar thuis is hij stiller. Soms hoor ik hem in de avond op zijn telefoon typen en weet ik precies met wie hij praat zonder dat ik het scherm zie.

Ik heb me inmiddels ingeschreven voor een keramiekcursus op donderdagmiddag. De eerste keer zat ik daar tussen vrouwen die ik niet kende en een man die net weduwnaar was. Ik maakte een scheef kommetje dat bij het afdraaien bijna instortte. Het was ontzettend onhandig en ik voelde me tegelijkertijd opgelucht.

Vanavond hebben we onze vaste maandelijkse etentje. Bij Arie en José. Kees vroeg vanochtend of ik mee ga. Ik heb gezegd van wel. Niet omdat alles weer normaal is, want dat is het niet. Maar ook niet omdat ik afscheid wil nemen.

Ik ga een fles wijn meenemen en ik weet nog niet of ik iets zal zeggen als het over Frankrijk gaat. Misschien zeg ik alleen dat ik hoop dat het huis mooi wordt. Dat meen ik zelfs. Alleen hoop ik ook dat er ergens in mijn leven nog een deur openblijft die niet al jaren van tevoren door acht mensen is afgesproken.