Na veertig jaar vriendschap voelde onze geplande vakantie ineens als verraad

Vorige week heb ik voor het eerst in veertig jaar een telefoontje van mijn beste vriend laten overgaan.

Het was half negen ’s avonds. Ik zat met mijn jas nog aan op de rand van het bed, omdat ik net bij hem vandaan kwam. Mijn vrouw Els stond beneden de vaatwasser uit te ruimen, veel te hard met de borden in haar handen. Zijn naam stond op mijn scherm: Henk.

Ik wist wat er zou komen. Of ik morgenochtend even langs kon om de vuilnis buiten te zetten. Of Els zijn vrouw Marijke kon helpen met douchen, omdat de thuiszorg pas laat kwam. Of we in de middag boodschappen konden doen, want Henk had ineens trek in iets wat er niet was. Het waren nooit grote dingen op zichzelf. Maar inmiddels bestond bijna elke dag uit van die dingen.

Henk en Marijke kennen we sinds 1984. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Woerden, met jonge kinderen, een te hoge hypotheek en van die bruine ribfluwelen banken waar iedereen toen blijkbaar tevreden mee was. Henk werkte bij de gemeente, ik in de buitendienst bij een installatiebedrijf. Els en Marijke zaten vaak met koffie aan onze keukentafel terwijl de kinderen door het huis renden.

We zijn samen op vakantie geweest naar Frankrijk, Oostenrijk, een keer naar Drenthe toen we weinig geld hadden. Elke zaterdagavond aten we om beurten bij elkaar. De laatste vijftien jaar was het meestal donderdag, omdat de kinderen het huis uit waren en we allemaal wat ouder werden. Stamppot, pasta, soms afhaalchinees. Henk maakte altijd te veel wijn open en vertelde dan voor de honderdste keer over die keer dat ik op de camping een aanhanger achteruit tegen een paaltje had gezet.

Als iemand mij drie jaar geleden had gevraagd wie er op mijn begrafenis zouden staan, had ik zonder nadenken gezegd: Henk en Marijke vooraan.

Toen kreeg Henk de diagnose. Alvleesklierkanker, uitgezaaid. Ik hoef niet uit te leggen wat dat woord met een kamer doet. Hij werd eerst heel stil. Daarna ging hij juist overal grappen over maken. Marijke regelde meteen mappen, afspraken, wachtwoorden en lijstjes. Els stortte zich er ook op. Dat was eigenlijk vanaf het begin zo.

In het begin hielpen we graag, vanzelfsprekend bijna. Naar het ziekenhuis rijden in Utrecht. Een maaltijd meenemen. Een keer een nacht bij hun kat blijven omdat ze onverwacht moesten blijven. Ik vond het niet zwaar. Ik wilde iets doen, omdat je je anders zo nutteloos voelt.

Maar Henk ging sneller achteruit dan we hadden gedacht. Hij kan nog kleine stukjes lopen, maar niet betrouwbaar. Soms haalt hij het toilet niet. Marijke slaapt slecht en is zelf ook niet meer de jongste. Ze is 66, heeft last van haar schouders en sinds kort hartkloppingen waar ze weinig over zegt.

De thuiszorg komt, maar volgens Marijke is het nooit genoeg. Dan komt er iemand die Henk niet kent. Dan verschuift een tijdstip. Dan is er weer een formulier voor de wijkverpleging of moet er gebeld worden met de apotheek. Dat snap ik allemaal. Het systeem is ook niet gemaakt voor mensen die ineens de hele dag bang zijn.

Alleen zijn wij langzaam in dat gat gevallen.

Els gaat er op maandag en woensdag in de ochtend heen. Ik doe dinsdag en vrijdag de boodschappen en breng Henk vaak naar controles. In het weekend gaan we meestal ook, ‘even’. Die twee uur worden dan vijf uur, omdat er gekookt moet worden of een wasmachine vastloopt of Henk niet alleen wil zijn als Marijke naar bed moet.

Ik ben 68. Sinds mijn pensioen had ik eindelijk tijd om te fietsen, een beetje te klussen, op woensdagmiddag met twee oud-collega’s koffie te drinken. Niet omdat ik zo’n druk sociaal leven heb, integendeel. Maar ik had een ritme. Nu zeg ik bijna alles af. Mijn racefiets hangt al weken ongebruikt in de schuur. Als ik een middag thuis ben, zit ik niet eens rustig. Dan kijk ik steeds op mijn telefoon.

Els ziet dat ook wel, maar zij zegt dan: “Ja, maar stel je voor dat wij dit hadden. Dan zou je toch ook hopen dat zij er waren?”

Daar kan ik weinig tegenin brengen. Want natuurlijk zou ik dat hopen.

Tegelijkertijd weet ik niet of ik zou willen dat Henk zijn hele leven voor mij zou opgeven. Misschien zeg ik dat nu makkelijk omdat ik niet ziek ben. Misschien is dat juist het punt: je weet pas wie je bent als je afhankelijk wordt.

Drie weken geleden zei ik tegen Marijke dat we misschien eens met de huisarts of de wijkverpleegkundige moesten bespreken wat er extra mogelijk was. Niet als verwijt. Echt niet. Ik zei dat we het met z’n vieren niet meer helemaal trokken.

Ze keek me aan alsof ik had voorgesteld Henk ergens achter te laten.

“Met z’n vieren?” zei ze. “Henk en ik zijn degene die het niet trekken, Kees.”

Daar had ze gelijk in. En toch voelde ik iets dichtklappen. Alsof mijn vermoeidheid alleen maar bewijs was dat ik tekortschiet.

Henk hoorde het later blijkbaar van haar. Hij belde mij die avond op. Hij klonk niet boos, eerder gekwetst. Dat maakte het erger.

“Dus jij vindt dat we vreemden moeten laten komen terwijl jullie gewoon tijd hebben?” vroeg hij.

Ik zei dat professionele hulp geen vreemde luxe was en dat Els en ik ook ouder werden. Dat we vrienden waren, geen zorgteam. Meteen toen ik het zei, had ik spijt van dat laatste woord. Zorgteam. Zo zakelijk. Zo kil.

Henk bleef even stil.

“Veertig jaar,” zei hij toen. “Veertig jaar waren we er voor elkaar. Blijkbaar bedoelde ik daar iets anders mee dan jij.”

Sindsdien is er iets veranderd. Niet openlijk. We komen nog steeds. We zetten nog steeds koffie bij hen, vouwen handdoeken op, praten over de kleinkinderen. Maar Henk kijkt soms langs me heen. En Marijke bedankt Els overdreven vaak, alsof ze alvast bijhoudt wie er wel loyaal is.

De echte ruzie kwam door de vakantie. Els en ik hadden voor volgend voorjaar een huisje geboekt op Texel, twee weken. Niets bijzonders, maar wel iets waar we al maanden naar uitkeken. Henk en Marijke wisten daarvan. Vroeger gingen we juist vaak met hen naar Texel.

Henk vroeg zondag aan tafel of we die boeking konden annuleren. Niet omdat hij die week een specifieke behandeling heeft, maar omdat het hem geruststelt als we in de buurt zijn. Hij zei dat letterlijk: “Dan weten we tenminste dat jullie er zijn als er iets gebeurt.”

Els begon meteen over omboeken, misschien later in het jaar, misschien maar een week. Ik hoorde mezelf zeggen dat we daar nog niet over besloten hadden.

Henk schoof zijn bord weg. Hij had amper gegeten.

“Het is maar Texel, Kees.”

Ik zei: “Dat weet ik.”

En dat was het. Geen geschreeuw. Marijke ging afwassen terwijl Els haar hielp. Henk keek naar de televisie zonder geluid. Ik heb later de vuilnis buitengezet, zoals altijd.

Thuis kregen Els en ik ruzie. Niet eens heel hard, maar wel lelijk. Zij zei dat ik nu al bezig was met wat ik allemaal niet meer wilde doen, terwijl haar vriendin misschien haar man verliest. Ik zei dat zij de laatste maanden vooral voor Marijke leefde en niet meer naast mij zat, maar steeds tegenover mij met haar telefoon in haar hand.

Daarna hebben we allebei niets meer gezegd. De volgende ochtend ging Els gewoon weer naar Marijke. Ik ging fietsen, voor het eerst in lange tijd. Na twintig minuten draaide ik om omdat het begon te regenen, maar eerlijk gezegd voelde het ook gewoon verkeerd om daar alleen op die dijk te rijden.

De boeking voor Texel is nog niet geannuleerd. De gratis annuleertermijn is voorbij, wat eigenlijk een stom detail is, maar ik kijk er elke dag naar. Het gaat me niet eens om dat geld. Het gaat erom dat ik bang ben dat, als we nu niet gaan, er daarna altijd wel een volgende reden is om niet te gaan.

En ik ben minstens zo bang dat Henk die twee weken niet haalt, en dat ik dan de rest van mijn leven denk aan een huisje op Texel waar ik zo nodig heen moest.