Na veertig jaar zei ik nee tegen onze vriendenvakantie, maar mijn vrouw had ons al opgegeven
Het begon eigenlijk met de zaterdagavondsoep bij Kees en Marjan. Dat klinkt misschien onschuldig, en dat was het vroeger ook. Acht mensen rond een veel te kleine eettafel, stokbrood dat altijd te snel op was, iemand die een flauwe opmerking maakte over Ajax of de politiek. We kennen elkaar sinds 1983. Eerst van de camping in Frankrijk, later werden we die mensen die bij elk verjaardagsfeest, elke verhuizing, elke ziekenhuisopname en elke begrafenis aanwezig waren.
Elke zaterdag deden we iets. Fietsen, kaarten, wandelen, eten, soms een weekendje weg. Op zondag was er vaak nog koffie bij iemand thuis, omdat de zaterdag anders zo abrupt eindigde. Het is nooit officieel zo afgesproken, maar het werd een soort rooster waar niemand nog vragen bij stelde.
Ik ben 67 en sinds afgelopen voorjaar met pensioen. Ik werkte bijna 42 jaar bij een technisch bedrijf in Nieuwegein, eerst in de buitendienst en later als planner. Altijd telefoon, altijd een storing die dringend was, altijd mensen die wilden weten wanneer iets klaar zou zijn. Ik dacht dat ik na mijn afscheid vooral zin zou hebben in vrijheid. En dat heb ik ook. Alleen mijn idee van vrijheid blijkt anders dan dat van mijn vrouw, Els.
Els is 65 en werkt nog twee dagen per week in een apotheek. Zij fleurt op van mensen. Als we een paar dagen geen plannen hebben, gaat ze schoonmaken alsof er inspectie komt of ze belt haar zus in Zeeland. Stilte maakt haar onrustig. Bij mij is het precies omgekeerd. Ik ben sinds mijn pensioen pas gaan merken hoe moe ik eigenlijk was.
Niet moe in de zin van: ik wil de hele dag op de bank liggen. Ik wandel graag vroeg langs het kanaal. Ik rommel in de tuin. Ik ben begonnen met een oude racefiets opknappen, terwijl ik er niet eens zeker van ben dat ik er ooit op ga rijden. Soms drink ik om half elf koffie in mijn eentje, zonder dat er iemand iets van me nodig heeft. Daar kan ik ineens gelukkig van worden, op een manier die ik niet goed aan Els uitgelegd krijg.
De eerste keer dat ik een zaterdag afzegde, zei ik dat ik hoofdpijn had. Laf, achteraf. Els keek me aan en zei: “Dan ga je toch gewoon even mee? Je hoeft daar niet de hele avond een cabaretvoorstelling te geven.”
Maar dat is juist het punt. Ik hoef bij onze vrienden niet grappig te doen. Ze zijn hartstikke goede mensen. Alleen al het vooruitzicht om me aan te kleden, op tijd weg te moeten, aan tafel te zitten en na drie uur nog steeds gezellig te moeten zijn, maakte me loom. Alsof ik weer naar mijn werk moest, maar dan zonder salaris.
Els ging die avond alleen. Toen ze thuiskwam, was ze stiller dan anders. Ik vroeg hoe het was geweest.
“Prima,” zei ze terwijl ze haar oorbellen afdeed. “Iedereen vroeg waar je was.”
Ik zei: “Je had toch gezegd dat ik hoofdpijn had?”
“Ja. Maar je weet hoe het gaat. Dan denken ze meteen dat er iets is.”
Dat ‘ze’ deed me meer dan ik wilde toegeven. Alsof onze vrienden niet gewoon vrienden waren, maar een commissie waarvoor we ons moesten verantwoorden.
Daarna werd het een patroon. Ik ging soms wel mee, vooral als het een verjaardag was of als iemand iets te vieren had. Maar de vaste zondagse koffie sloeg ik steeds vaker over. Met de fietstochten ging ik niet meer standaard mee. Ik vond het zelf niet eens een groot statement. Ik wilde alleen niet langer ieder vrij uur weggeven omdat we dat veertig jaar gedaan hadden.
Els zag het heel anders. Ze zei dat ik me terugtrok. Dat ik chagrijnig werd. Dat ik haar alleen liet aankomen bij mensen die ons altijd als stel hadden gezien.
Daar zat iets in. Ik ben niet altijd makkelijk geweest. Op een zondag in juni kwam ze terug van koffie bij Henk en Ria, en ik vroeg meteen of er over mij gepraat was. Ze zei: “Natuurlijk is er over je gepraat. Jij bent ineens verdwenen.” Toen heb ik iets gezegd als: “Nou, dan hebben ze tenminste een onderwerp.” Daar schaam ik me nog voor. Els stond met haar tas nog om haar schouder in de keuken en begon te huilen. Niet hard. Dat vind ik bijna erger.
De vakantie kwam ter sprake tijdens een etentje bij Wim en Sonja. Volgend jaar september willen ze met z’n allen twee weken naar Puglia. Een huis met zwembad, huurauto’s, gezamenlijke diners. Het was niet goedkoop. Iets van 2.400 euro per persoon, exclusief vluchten en alles wat er ter plekke nog bij komt. Iedereen werd enthousiast. Er werden foto’s op telefoons rondgestuurd van witte huisjes en olijfbomen.
Ik voelde het al bij de eerste foto. Twee weken met zeven andere mensen. Samen ontbijten omdat anders iemand zich buitengesloten voelt. Bespreken wie wat kookt. Iemand die om half negen al vraagt wat we die middag gaan doen. Ik kreeg het benauwd en ik zei, vrij rustig volgens mij: “Dat is niks voor mij, jongens. Ga vooral, maar ik pas.”
Er viel zo’n stilte die waarschijnlijk maar vijf seconden duurde.
Marjan zei: “Maar jij houdt toch van Italië?”
“Ja,” zei ik. “Alleen niet op deze manier.”
Els keek me aan alsof ik ter plekke had verteld dat ik een ander had. Ze lachte nog even naar de rest en zei: “Ach, Rob moet altijd wennen aan een plan.”
Ik liet het daar. Ik wilde niet aan tafel gaan uitleggen dat ik opzie tegen mijn eigen vrienden. Dat klinkt ondankbaar, zeker als je op onze leeftijd mensen hebt die nog gezond zijn en zin hebben om dingen te doen.
Twee dagen later vond ik de bevestiging op de iPad. Els gebruikt dat ding voor alles en laat haar mail gewoon openstaan. Er stond een bericht van Sonja: fijn dat jullie definitief mee zijn, ik heb de aanbetaling alvast verdeeld.
Ik dacht eerst dat ik het verkeerd las. Maar Els had dus toegezegd. Voor ons allebei.
Toen ze thuiskwam uit haar werk heb ik het gevraagd. Niet boos, al klonk ik waarschijnlijk wel zo.
Ze ging zitten en zei meteen: “Ik wist dat je hier moeilijk over zou doen.”
“Je wist dat ik nee had gezegd.”
“Je zei dat aan tafel, waar iedereen bij zat. Ik dacht: laat het even zakken. Jij zegt vaker iets in een opwelling.”
Dat deed pijn omdat het niet helemaal onwaar is. Ik kan kortaf zijn als ik overprikkeld raak. Maar dit had ik al maanden gezegd, in allerlei vriendelijke en minder vriendelijke varianten.
Els vertelde dat ze bang is dat we uit de groep glijden. Dat het niet alleen om die vakantie gaat. “Als jij overal nee tegen zegt, bellen mensen op een gegeven moment niet meer,” zei ze. “En dan zit ik hier straks ook maar, terwijl ik nog helemaal geen behoefte heb aan een rustig leven.”
Ik snap dat. Echt. Zij heeft recht op haar vrienden, op haar plezier, op vakantie. Ik heb haar ook niet verboden om te gaan. Maar ik zei dat ik niet veertig jaar lang mijn agenda met haar heb gedeeld om nu ineens door haar ingeschreven te worden voor een reis waar ik geen zin in heb.
Ze zei: “Voor de vorm kun je toch mee? Je hoeft niet elke dag iets te doen.”
Voor de vorm. Die woorden blijven hangen. Alsof ik een jas ben die ze aantrekt omdat het plaatje anders niet klopt.
De aanbetaling is inmiddels gedaan. Ik heb aangeboden mijn deel te betalen, ook als ik niet ga. Dat voelt belachelijk, maar minder belachelijk dan twee weken doen alsof ik het naar mijn zin heb. Els heeft nog niet gezegd wat ze gaat doen. Soms zoekt ze reisjes voor één persoon op, dan weer doet ze alsof de vakantie niet bestaat.
Afgelopen zaterdag ging ze wel naar Kees en Marjan. Ik bleef thuis, maakte pasta voor mezelf en heb naar een wielerwedstrijd gekeken die ik nauwelijks volgde. Rond elf uur hoorde ik haar sleutel in het slot. Ik bleef nog even zitten waar ik zat.
Niet omdat ik haar wilde straffen. Ik wist gewoon niet of ik moest vragen hoe haar avond was, of dat ze dan weer zou zeggen dat iedereen vroeg waar ik was.