Ik wilde van onze logeerkamer eindelijk mijn atelier maken, maar toen belde onze zoon zonder woning
De kamer stond al weken half leeg. Er lag nog een oud uitklapbed, een mand met dekbedden die naar wasmiddel rook en een smal kastje waar we van alles in propten wat we niet weg wilden doen. Kerstservetten, een kapotte ventilator, de administratie van onze vorige auto.
Ik had op Marktplaats een brede tafel gezien, grenen, niet bijzonder mooi maar precies goed om op te schilderen. Daarboven wilde ik planken voor mijn verf. Aan de muur, tegenover het raam, wilde ik mijn doeken neerzetten. Geen groot atelier hoor. Gewoon een plek waar ik de deur dicht kon doen zonder dat er iemand vroeg waar de schone handdoeken lagen of of ik nog even mee naar de bouwmarkt ging.
Ik ben 64 en sinds november met pensioen. Ik werkte de laatste vijftien jaar als teamleider bij een thuiszorgorganisatie in Amersfoort. Daarvoor deed ik al van alles: invaldiensten, planningen vanuit huis, avonden achter de laptop omdat iemand ziek was en er weer gaten in het rooster vielen. Tegelijkertijd waren er de kinderen, eerst Daan en later ook Noor, mijn moeder die na haar heupoperatie niet meer alleen boodschappen durfde te doen, Marks vader die steeds vaker belde omdat hij niet wist hoe de televisie werkte.
Schilderen deed ik vroeger op zondagmiddag aan de keukentafel. Aquarellen vooral. Niemand zei ooit dat ik ermee moest stoppen. Dat is het vervelende. Het verdween gewoon steeds naar de rand.
Kees, mijn man, vond het plan voor die kamer overdreven.
“Een heel vertrek voor wat verfspullen?” zei hij, terwijl hij de krant dichtvouwde. “We kunnen er ook een rustige kamer van maken. Een fijne stoel, een lamp. Dan kan ik daar lezen en jij eventueel ook schilderen als je wilt.”
Ik zei dat ik niet eventueel wilde schilderen. Ik wilde schilderen zonder eerst zijn stoel aan de kant te moeten schuiven en zonder dat hij zei dat de geur van terpentine hem op zijn luchtwegen sloeg. Ik gebruik niet eens terpentine, maar goed.
Hij lachte een beetje alsof ik een grappige bui had. “Je hoeft toch niet ineens een professioneel kunstenaar te worden?”
Dat vond ik gemeen, al zei hij het waarschijnlijk niet zo bedoeld. Ik heb die avond niets meer gezegd. Ik heb de aardappels afgieten, zijn jus opgewarmd en de vaatwasser aangezet. De volgende ochtend dacht ik: zie je wel, nu doe ik het alweer. Ik maak mezelf kleiner voordat iemand anders het hoeft te doen.
Twee dagen later belde Daan.
Hij is 31, werkt als junior projectleider bij een installatiebedrijf en woont sinds drie jaar in Utrecht, in een appartementje dat hij deelde met een vriend van vroeger. Die vriend ging samenwonen en de verhuurder wilde het contract niet op Daans naam voortzetten. De woning was waarschijnlijk toch al voor een neef van die verhuurder bedoeld, begreep ik uit zijn verhaal. Daan klonk opgefokt en moe tegelijk.
“Mam, ik heb echt van alles gekeken. Anti-kraak, tijdelijke huur, kamers. Maar je betaalt je helemaal scheel. Mag ik misschien een paar maanden bij jullie? Hooguit een halfjaar. Ik spaar dan door en zoek rustig verder.”
Ik stond op dat moment in de bijkeuken met een boodschappentas in mijn hand. Prei, koffie, kattenbrokjes voor de kat van de buren die wij soms voeren. Heel gewone dingen. Ik keek door het raam naar de regen op de tegels en ik voelde meteen dat ik nee wilde zeggen.
Niet omdat ik niet van mijn zoon houd. Daar gaat het niet over. Maar ik kende Daan. Hij is geen luie jongen, absoluut niet. Hij werkt hard en hij bedoelt het meestal goed. Alleen: hij heeft altijd een beetje geleund op het idee dat er thuis wel een plek was als iets misliep. Toen hij studeerde kwam hij ieder weekend met tassen was. Na zijn scheiding met Lotte zat hij hier drie maanden bijna elke avond aan tafel, wat ik ook begreep. Maar het tijdelijke werd bij hem makkelijk iets zonder einddatum.
Ik hoorde mezelf zeggen: “Daan, ik moet dit met je vader bespreken.”
Hij viel even stil. “Dat klinkt niet echt hoopvol.”
Kees kwam thuis toen ik net de boodschappen had opgeruimd. Hij had gefietst, zijn wangen waren rood van de kou. Ik vertelde het meteen. Misschien had ik het anders moeten brengen. Misschien had ik eerst moeten zeggen dat ik het naar vond voor Daan. Maar ik zei vooral: “Ik wil niet dat hij in die kamer gaat. Ik ben net bezig met mijn atelier.”
Kees zette zijn fietstas op de grond en keek me aan alsof ik iets heel vreemds had gezegd.
“Hij staat praktisch op straat, Els.”
“Hij staat niet op straat. Hij heeft nog tot eind volgende maand.”
“En jij hebt verf en een paar lege doeken.”
Daar ging het mis. Niet met geschreeuw meteen. Eerder met de manier waarop hij op een stoel ging zitten en zijn bril afzette, alsof hij geduldig iets aan mij moest uitleggen wat ik zelf blijkbaar niet kon begrijpen.
“Je helpt je kind als hij hulp nodig heeft. Zo zijn wij toch ook opgevoed?”
Ik zei dat ik onze zoon wilde helpen, maar niet door hem weer bij ons te laten wonen. Dat we geld konden lenen voor een borg, of mee konden kijken, of hem een paar nachten opvangen als er echt niets was. Kees vond dat allemaal omwegen.
“Een halfjaar is toch geen leven lang?”
Ik weet niet waarom ik toen zo fel werd. Misschien omdat ik die zin al mijn hele leven hoor, in andere vormen. Nog even dit. Nog één jaar wachten. Als de kinderen groter zijn. Als je moeder er niet meer is. Als je werk rustiger wordt. Als we verbouwd hebben. Als jij met pensioen bent.
Ik zei: “Bij ons wordt een halfjaar nooit een halfjaar. En jij weet dat.”
Hij werd boos. Echt boos. Hij zei dat ik Daan behandelde alsof hij een last was. Dat ik nu, nu ik eindelijk tijd had, alleen maar aan mezelf dacht. Ik zei terug dat hij makkelijk kon praten, omdat hij altijd ruimte heeft gehad. Zijn schuurtje, zijn wielrenclub op zaterdagochtend, zijn stapels geschiedenisboeken door het hele huis. Hij zei dat dat iets anders was.
“Ja,” zei ik. “Bij jou is het altijd iets anders.”
Daan belde de avond erna zelf nog eens. Kees zat erbij op de bank. Ik wilde niet dat het zo’n gezamenlijk verhoor werd, maar het gebeurde toch.
Daan zei dat hij zich schaamde dat hij het moest vragen. Dat kwam binnen. Daarna zei hij ook dat hij echt geen alternatief had, en dat hij anders misschien naar Eindhoven moest omdat daar een collega een kamer wist. Zijn werk kon deels op afstand, maar niet helemaal. Hij sprak snel, alsof hij ons alvast wilde overtuigen voordat wij nee konden zeggen.
Kees zei: “Natuurlijk kun je hier terecht, jongen.”
Ik keek hem aan. Hij keek niet terug.
Toen zei ik dat we nog geen besluit hadden genomen. Daan werd stil. Niet boos. Dat was bijna erger. Hij zei alleen: “Oké, duidelijk.”
Sindsdien is het vijf dagen geleden. Kees slaapt niet ergens anders of zo, we doen gewoon de gewone dingen. Hij zet koffie, ik kook. We kijken soms zelfs samen naar het journaal. Maar er zit iets hards tussen ons in. Gisteren kwam de tafel van Marktplaats. De man die hem bracht vroeg waar hij moest staan.
Ik heb gezegd: “Zet maar even in de garage.”
Daan heeft voorlopig een week extra gekregen van zijn huisgenoot. Kees stuurt hem elke avond links naar woningen, ook dingen die Daan allang heeft gezien. Ik heb vanmiddag een advertentie opgeslagen voor een tijdelijke studio in Nieuwegein. De huur is belachelijk hoog en er staat ‘voor maximaal zes maanden’ bij, alsof zes maanden in deze tijd een geruststelling is.
De tafel staat nu tussen de fietsen en de oude verhuisdozen. Ik loop er telkens langs als ik naar de vriezer moet. Ik weet nog niet of die uiteindelijk naar boven gaat, of dat Daan er straks zijn laptop op zet.