Mijn vrouw wil in ons dorp blijven, maar ik merk dat ik de zorg voor haar niet meer alleen kan dragen

De waterkoker sloeg af terwijl ik nog boven stond te zoeken naar mijn portemonnee. Ik wist zeker dat ik hem de avond ervoor op het dressoir had gelegd. Uiteindelijk vond ik hem in de broodtrommel, onder twee sneetjes oud brood.

Ik stond daar met dat ding in mijn hand en ik moest ineens zo hard lachen dat ik ervan schrok. Niet omdat het grappig was. Meer omdat ik anders iets kapot zou gooien. Toen ik beneden kwam, zat Els aan tafel in haar vest, terwijl de verwarming op twintig stond.

“Wil je thee?” vroeg ze.

Ik zei ja, al had de waterkoker dus al gekookt. Ze keek naar de lege kan alsof die haar persoonlijk beledigd had.

Els en ik wonen al 41 jaar in Woudenberg, in een hoekwoning waar we ooit kwamen wonen toen onze zoon Maarten nog op de basisschool zat. Achter het huis ligt een strookje tuin waar Els vroeger veel tijd in stak. Ze kende alle buren, wist wie er ziek was, wie er ging scheiden en bij wie je terechtkon als je ladder te kort was. Dat dorpse zat soms ook in de weg, maar het was wel ons leven.

Sinds ruim twee jaar klopt er iets niet meer met Els. Eerst waren het kleine dingen. Een afspraak bij de tandarts vergeten. Drie keer op één dag dezelfde vraag stellen. Daarna begon ze de weg kwijt te raken in dingen die ze al haar hele leven deed. De wasmachine, de pincode, het recept van haar eigen appelmoes.

De huisarts verwees ons door naar de geheugenpoli in Amersfoort. Daar kwam uiteindelijk de diagnose: een beginnende vorm van Alzheimer. Ik kan die woorden nog steeds niet normaal opschrijven. Alsof ik het over iemand anders heb.

Els zelf zei na dat gesprek in de auto: “Nou, dan gaan we daar dus niet de hele dag over zitten piekeren.”

Dat was heel erg Els. Praktisch, koppig, door. Alleen werd dat koppige later ook moeilijker. Niet omdat ze vervelend wil doen. Ze is vaak bang, denk ik. Maar ze zegt het niet zo.

Maarten woont met zijn vrouw en twee kinderen in Utrecht. Hij werkt bij een adviesbureau, maakt lange dagen en praat soms zo snel dat ik hem amper bijhoud. Toch komt hij bijna elke zondag. Hij doet dan alsof hij alleen even de router komt nakijken of een lamp vervangt, maar ik zie dat hij naar zijn moeder kijkt. Of ze hem nog herkent voordat hij haar helpt.

Een maand geleden kwam hij met een voorstel. Niet zomaar aan de keukentafel tussen de koffie door, dat had hij wel door. Hij had informatie meegenomen, plattegronden en foto’s op zijn telefoon. Een nieuw seniorencomplex in Leidsche Rijn, vlak bij zijn werk. Zelfstandig appartement, lift, alarmering, iemand van de thuiszorg in het gebouw, gezamenlijke ruimte beneden. Geen verpleeghuis, benadrukte hij meteen. Gewoon wonen, maar met hulp dichtbij.

Hij had zelfs al uitgezocht wat het financieel zou betekenen. Ons huis verkopen, een deel van het geld vrijhouden, geen gekke risico’s. Hij wilde eventueel aanvullen als het nodig was.

Ik voelde me meteen opgelucht. Daar schaam ik me voor, maar het is waar. Alleen al bij het idee dat er ’s nachts iemand anders bereikbaar zou zijn als Els wakker werd en niet wist waar ze was, zakten mijn schouders.

Els zei bijna niets terwijl Maarten praatte. Ze streek met haar duim over de rand van haar koffiekopje. Toen hij klaar was, zei ze: “Dus jullie hebben al besloten dat ik weg moet.”

Maarten zei dat dat niet zo was. Dat het juist een mogelijkheid was. Maar hij ging ook meteen in zijn zakelijke stand. Hij noemde veiligheid, toekomstbestendig wonen, nabijheid van de kleinkinderen. Allemaal verstandige woorden.

Els keek hem aan en zei: “Jij woont daar. Niet ik.”

Daarna is hij vrij snel weggegaan. Hij gaf mij bij de voordeur een knuffel die langer duurde dan normaal. “Pap, je trekt dit niet alleen,” zei hij zacht.

Ik wilde zeggen dat het wel ging. Dat zeg ik tegen iedereen. Tegen de buren, tegen de huisarts, tegen Els. Maar ik zei niks.

Want het gaat niet goed. Ik ben 74, ik heb artrose in mijn knieën en ik slaap zelden langer dan twee uur achter elkaar. Els staat soms om half drie op omdat ze denkt dat ze naar haar werk moet. Ze is al twaalf jaar met pensioen, maar op zulke momenten krijgt ze een handtas om haar schouder en zoekt ze haar fietssleutels.

Vorige week trof ik haar bij de voordeur aan, in haar nachthemd en met mijn oude regenjas over haar heen. Het vroor niet eens, maar het regende hard. Ik had haar niet gehoord. Ik weet nog dat ik haar naar binnen heb gebracht en pas in de gang begon te trillen.

De volgende ochtend wist ze het niet meer.

Ik heb inmiddels wijkverpleging aangevraagd voor hulp met douchen en medicatie. Twee keer per week komt er een aardige vrouw, Samira. Els doet meestal vriendelijk tegen haar, maar als ze weg is, zegt ze: “Zie je wel? Ik kan niet eens meer mezelf wassen volgens jou.”

Dan probeer ik uit te leggen dat ik dat niet vind. Maar soms ben ik moe en zeg ik het verkeerd. Vorige donderdag zei ik: “Els, ik kan ook niet alles meer.”

Ze werd heel stil. Later hoorde ik haar in de slaapkamer snikken. Ik ben niet naar boven gegaan. Ik durfde niet, eigenlijk. Dat is misschien nog het ergste: dat ik soms even niet meer naar mijn eigen vrouw toe wil omdat ik bang ben dat ze iets vraagt wat ik niet kan oplossen.

Gisteren belde Maarten opnieuw. Hij had gehoord dat er misschien een appartement vrijkomt in dat complex. Geen belofte, maar we konden gaan kijken. Hij wilde zaterdag met ons mee.

Ik zei dat ik het met Els zou bespreken.

Toen ik ophing, stond zij in de deuropening. Ze had blijkbaar meer gehoord dan ik dacht.

“Als jij daarheen wilt, moet je dat doen,” zei ze.

Ik zei dat ik niet zonder haar ergens heen wilde.

“Maar je wilt wel dat ik meega.”

Dat ontkende ik eerst. Flauw, want het was natuurlijk waar. Ik wil niet dat ze tegen haar wil verhuist. Ik wil ook niet dat ze op een ochtend wegloopt en onder een bus komt of in paniek bij iemand aanbelt die ze niet kent. En ik wil, hoe hard dat ook klinkt, niet meer elke nacht op mijn tenen door dit huis lopen.

Els ging op de bank zitten en keek naar buiten. De voortuin stond vol natte bladeren. “Hier weet ik tenminste wie ik ben,” zei ze. “Daar ben ik die vrouw die vergeten is hoe alles moet.”

Ik heb naast haar gezeten en haar hand vastgehouden. Ze voelde zo klein, terwijl ze altijd degene was die alles regelde. Onze belastingpapieren, de verjaardagen, de kinderen van de buren die even binnen mochten als hun moeder te laat was. Zelfs toen ik nog werkte, wist ik dat thuis alles liep omdat Els er was.

Zaterdag gaan we kijken. Niet omdat Els akkoord is. Ze heeft alleen gezegd dat ze mee wil om Maarten niet voor schut te zetten. Dat is ongeveer het maximale wat ik eruit kreeg.

Ik heb vannacht op de logeerkamer geslapen, niet omdat we ruzie hadden, maar omdat Els eindelijk rustig sliep en ik bang was haar wakker te maken toen ik weer lag te woelen. Om zes uur vond ze me daar. Ze stond in de deuropening met mijn dekbed half over haar arm.

“Ben je boos op mij?” vroeg ze.

Ik zei nee. Ze knikte, legde het dekbed terug en vroeg daarna of ik koffie wilde.

Ik zei ja. En ik bleef nog even liggen luisteren hoe ze beneden rommelde met de kopjes.