Mijn dochter zei dat we haar in de steek lieten toen we naar Spanje wilden verhuizen
De kinderstoeltjes stonden nog in de bijkeuken toen mijn vrouw Marjan en ik de koopakte van ons appartement in Spanje tekenden. Twee blauwe van de HEMA, met kruimels van biscuit tussen de riempjes. We hadden ze eigenlijk diezelfde week naar zolder willen brengen, maar toen kwam onze jongste kleinzoon weer logeren omdat zijn opvang dicht was.
Ik ben 64, Marjan is 62. Ik heb bijna mijn hele leven als elektromonteur gewerkt, eerst bij een installatiebedrijf in Amersfoort en later voor mezelf. Marjan werkte drie dagen per week bij de apotheek en deed daarnaast, eerlijk is eerlijk, het grootste deel thuis. We hebben nooit ruim gezeten. Niet arm, maar altijd rekenen. Vakanties in een stacaravan in Zeeland, een tweedehands auto tot hij echt niet meer door de APK kwam, en als er iets kapotging was ik degene die eerst keek of ik het zelf kon maken.
Toen ik zestig werd, begon Marjan over Spanje. Niet als grapje van: ooit misschien. Ze had een collega wier zus bij Dénia woonde en we zijn een paar keer gaan kijken. Eerst huurden we iets in de winter. Daarna nog een keer. Ik merkte dat ik daar anders opstond. Niet meteen mijn telefoon pakken om te kijken wie er iets nodig had, niet door de regen naar de bouwmarkt. Gewoon koffie op het balkon, wandelen, marktje. Het klinkt misschien klein, maar voor ons voelde het als ademhalen.
We hebben uiteindelijk een bescheiden appartement gekocht in een dorpje iets landinwaarts, geen luxe villa met zwembad. Twee slaapkamers, een klein terras, een gezamenlijke tuin waar vooral Engelse pensionado’s rondlopen. Het plan was om er de komende vijf jaar echt te wonen. Niet steeds heen en weer. Daarna zouden we wel zien. Misschien terug naar Nederland, misschien de winters daar en zomers hier.
Onze dochter Linda wist al langer dat we ermee bezig waren. Ze is 36, werkt vier dagen in de zorgplanning van een ziekenhuis en heeft drie kinderen van acht, vijf en twee. Haar man, Jeroen, werkt onregelmatig bij de politie. Ze hebben het druk, dat ontken ik helemaal niet. Het is soms een logistieke operatie bij hen thuis. Gymtas kwijt, kind ziek, Jeroen nachtdienst, een studiedag waar niemand rekening mee had gehouden.
Wij passen veel op. Te veel misschien, achteraf gezien.
Elke dinsdag haalden we de middelste en de jongste op. Om de week ook op vrijdagmiddag. Als een kind koorts had en Linda niet kon thuiswerken, belde ze meestal eerst ons. Toen Jeroen zijn schouder had gebroken, hebben we drie weken lang bijna iedere avond gekookt. Dat deden we niet met tegenzin. Ik ben gek op die kinderen. Mijn oudste kleinzoon vraagt nog steeds of ik zijn ‘opa-broodjes’ maak, wat gewoon tosti’s zijn met veel te veel ketchup.
Maar ergens is het vanzelfsprekend geworden. Als Marjan en ik een dag weg wilden, moesten we eerst in de gezinsapp kijken of er niet toevallig een oudergesprek, een verjaardag of een dienstrooster tussendoor kwam. En als we zeiden dat we niet konden, kwam er nooit echt ruzie, maar wel zo’n stilte. Dan stuurde Linda: ‘Oké, ik regel wel iets.’ Met dat ene duimpje erachter. Ik wist precies wat dat betekende.
We vertelden het definitief op een zondag, bij ons thuis, na het eten. De kinderen waren in de woonkamer een tent aan het bouwen van dekens. Marjan had stoofvlees gemaakt, omdat Linda daar zo van houdt. Misschien was dat dom, zo’n gewone gezellige avond voor iets wat blijkbaar helemaal niet gewoon was.
Ik zei dat we in oktober wilden gaan. Dat we natuurlijk zouden terugkomen met kerst en in de zomer. Dat er een logeerkamer voor hen was. Ik begon zelfs over goedkope vluchten vanaf Eindhoven, alsof ik een reisbureau was.
Linda keek eerst alleen naar haar bord. Toen zei ze: ‘Dus jullie gaan gewoon vijf jaar weg.’
Marjan zei dat ‘weg’ niet eerlijk klonk, dat we bereikbaar bleven en graag wilden dat ze kwamen.
‘Met drie kinderen naar Spanje vliegen is niet hetzelfde als even naar jullie rijden,’ zei Linda. ‘En wie haalt ze dan op als Jeroen dienst heeft? Wie past er op als er weer eentje ziek is? Jullie weten toch hoe het hier gaat?’
Ik voelde meteen irritatie opkomen. Niet omdat ze geen punt had, maar omdat ze het zei alsof we haar iets afpakten wat van haar was.
Ik zei: ‘Linda, wij hebben jullie ook opgevoed zonder opa en oma die elke week klaarstonden. Mijn ouders woonden in Groningen en die van Marjan waren er ook niet altijd.’
Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Het klonk alsof ik haar problemen kleiner maakte. Ze werd rood en zei dat de tijden veranderd waren, dat zij en Jeroen allebei móésten werken om hun hypotheek en de opvang te betalen. En dat ze niet vroeg of wij haar kinderen grootbrachten, maar alleen of we begrepen wat onze vertrek betekende.
Toen kwam de opmerking waar ik nog steeds aan denk.
‘Als jullie dit doen,’ zei ze, ‘dan weet ik niet of we nog zo vaak langskomen. Ik wil niet telkens doen alsof alles normaal is als jullie ons precies nu laten zitten.’
De kinderen waren ineens stil. Of misschien viel het mij toen pas op. De jongste zat op de grond met een houten trein in zijn hand. Marjan begon af te ruimen, veel te hard met de borden. Jeroen zei bijna niets. Hij mompelde alleen dat ze er later wel rustig over konden praten.
Ik ben boos geworden. Niet geschreeuwd, maar wel die harde stem die ik vroeger op het werk gebruikte als iemand weer zonder overleg iets had aangesloten.
‘Dan gebruik je de kinderen dus om ons hier te houden?’ zei ik.
Linda begon te huilen. Niet netjes, niet beheerst. Ze zei dat ik het verdraaide. Misschien deed ik dat ook. Ze pakte haar jas, riep de kinderen bijeen en binnen vijf minuten waren ze weg. De tent bleef liggen in de woonkamer.
Sindsdien is het vreemd. We appen wel. Foto’s van de kinderen, praktische dingen. Vorige week vroeg ze of wij in maart een lang weekend konden oppassen omdat Jeroen een cursus heeft. Ik heb nog niet geantwoord. Niet om haar te straffen, maar omdat ik ineens niet meer weet wat een gewoon antwoord is.
Marjan wil gewoon zeggen dat we het doen. ‘Het zijn onze kleinkinderen,’ zegt ze dan. Maar later, als we in bed liggen, zegt ze dat ze bang is dat we in Spanje iedere avond naar die foto’s zitten te kijken en ons afvragen waarom we zo nodig weg moesten.
Ik snap haar. Ik ben ook niet ongevoelig voor Linda. Ze heeft het echt zwaar, en misschien hebben wij haar juist geleerd dat wij altijd inspringen. Dat is niet alleen haar fout. We vonden het fijn om nodig te zijn. Misschien zelfs iets te fijn, nu ons eigen werkleven ophield.
Tegelijk denk ik: als we nu niet gaan, wanneer dan wel? Over vijf jaar zijn we misschien minder gezond. Mijn knie speelt nu al op als ik te lang sta. Marjan zegt al maanden dat haar moeder op haar leeftijd nooit verder kwam dan de camping in Voorthuizen, omdat er altijd wel iemand was die haar nodig had.
De dozen staan inmiddels in de logeerkamer. Gisteren vond ik tussen de spullen een klein plastic dinosaurusje van mijn kleinzoon. Ik heb hem op de vensterbank gezet in plaats van hem weg te gooien.
Vanmorgen heb ik Linda geappt dat we dat weekend in maart kunnen oppassen. Daarna heb ik erbij gezet dat we nog steeds in oktober vertrekken, ook al vind ik het verschrikkelijk om dat zo kaal te typen.
Ze heeft het gelezen. Meer nog niet.